Werken aan eenheid

van gereformeerde - 3FvE of WS - kerken en groepen in Nederland e.o.

  • Vergroot lettergrootte
  • Standaard lettergrootte
  • Verklein lettergrootte
Home GS GKv Ede '14 Buitenlandse vermaningen Brief VGKSA (Zuid-Afrika) aan GS Ede

Brief VGKSA (Zuid-Afrika) aan GS Ede

E-mailadres Afdrukken PDF
Gebruikerswaardering: / 0
LaagsteHoogste 

Bron: 31-05-2014 eeninwaarheid.info - D.J. Bolt - GS Ede Verslag 08-420/Buitenlandse Vermaning

Bijlage 3 – Brief VGKSA aan Synode Ede

[met bijlagen]

30 april 2014

Aan de generale synode van De Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) in Nederland, bijeen in Ede in 2014

Geachte broeders in Christus,

Wij groeten u in de almachtige naam van onze Heer en Redder Jezus Christus. Wij prijzen onze drieënige God dat Hij zijn kerk blijft vergaderen ook in Nederland. Zowel in het verleden als in het heden bestaat er een sterke band tussen de GKv en Die Vrye Gereformeerde Kerke in Suid-Afrika. Daar danken wij Hem voor. Wij zijn één door hetzelfde fundament waarop wij bouwen, zij het in heel verschillende delen van Gods wereld. Wij zijn dankbaar voor de trouwe prediking van het evangelie in uw midden en het getuigenis van uw leden met woord en daad in een wereld die van zijn Schepper en Herschepper weg dwaalt. Wij zijn vooral ook dankbaar voor de jarenlange  steun die wij vanuit Nederland ontvangen voor het zendingswerk in Zuid-Afrika.

Wij schrijven u in de bescheiden maar toch brandende hoop, dat deze brief welwillend door u gelezen wordt omdat u beseft dat de liefde van Christus ons ertoe bracht zo te schrijven. Onze regels voor een zusterkerkverhouding geven het volgende aan: De VGKSA onderhouden zusterkerk relaties met andere kerkverbanden die de kenmerken van de kerk van Jezus Christus vertonen. Het doel van deze relatie is elkaar te ondersteunen in het handhaven, verdedigen en bevorderen in leer en leven van de waarheid van de Schrift, die samengevat is in de gereformeerde belijdenissen (1). Het is in de context van deze wederzijdse verantwoordelijkheid dat wij in deze brief een aantal oproepen aan u doen.

Het feit dat wij besloten hebben deze brief te schrijven, geeft aan dat bepaalde zaken niet opgelost konden worden in de besprekingen die onze Deputaten voor betrekking met buitenlandse April 30th 2014 hadden met de Deputaten BBK van de GKv. Laatstgenoemden gaven ons toen het advies direct aan u te schrijven met betrekking tot de onopgeloste zaken. De twee hoofdzaken zijn:

1. Handhaving van de gereformeerde leer aan de Theologische Universiteit (TU) in Kampen

Onze zorgen betreffende de handhaving van de gereformeerde leer aan de TU werden bij verscheidene gelegenheden voorgelegd aan de Deputaten BBK van de GKv. Aangezien er geen aanduiding was dat onze zorgen herkend en gedeeld werden, zien wij ons genoodzaakt de volgende zaken nu rechtstreeks aan u voor te leggen:

De opvattingen van dr. Stefan Paas gepubliceerd in zijn dissertatie Creation and Judgment (2003) zijn zorgwekkend. Dit geldt ook voor zijn handboek Als een kerk opnieuw begint. Zie bijlage 1.
Wij maken ons ook zorgen over de methode en conclusies zoals verwoord in de dissertatie van dr. Koert van Bekkum, From Conquest to Coexistence (2010). Zie bijlage 2.
Wij maken ons zorgen dat Schriftkritisch onderzoek geaccepteerd wordt aan de TU, een instelling die valt onder de verantwoordelijkheid van de GKv. Zie bijlagen 1 &2.

Helaas konden de weerleggingen tegen de beschuldigingen van Schriftkritiek, zoals gepubliceerd door de TU, door sommige docenten aan de TU, door de Raad van Toezicht en College van Bestuur, onze zorgen niet wegnemen. Het feit dat Paas en Van Bekkum met apologetische motieven te werk gingen, en ‘in de huid van hun tegenstanders kropen’ is voor ons geen reden tot minder zorg. In de zuidafrikaanse context hebben wij waargenomen hoe dit soort Schriftkritische opvattingen op een soortgelijke wijze hun opwachting maakten in gereformeerde academische instellingen, en hoe dit later een desastreuse geestelijke achteruitgang tot gevolg had in de kerkverbanden waaraan deze instellingen verbonden zijn. We zullen waakzaam moeten zijn dat de liefde voor de (academische) wereld niet uitstijgt boven de liefde voor de levende God, zijn Woord en zijn Kerk. Onze liefde voor u dringt ons om er bij u op aan te dringen onze zorgen serieus te nemen en op resolute wijze standpunten en wetenschappelijke hypothesen die de onfeilbaarheid, helderheid en volkomenheid van de heilige Schrift niet honoreren, te weerleggen (Nederlandse Geloofsbelijdenis, art. 7). We roepen u op het gepaste respect voor de heilige Schrift te handhaven en te blijven bij de juiste uitleg van de heilige Schrift.

2. Vrouwen in de bijzondere kerkelijke ambten

Wij zijn gedwongen ook onze zorgen te uiten  over ontwikkelingen in uw kerkverband met betrekking tot vrouwen in het ambt. Zie bijlage 3.

Wij roepen u op hierin de orthodoxe koers vast te houden. In een kerk die trouw wil blijven aan de heilige Schrift, kan de vraag of vrouwen in de bijzondere kerkelijke ambten mogen dienen, niet als een open vraag ter discussie gesteld worden. Wanneer het ondubbelzinnige onderricht van het Woord van God over mannelijk leiderschap in de kerk een zaak van debat geworden is, dan is dit een indicatie dat een gevaarlijke hermeneutische benadering zijn invloed doet gelden. Wij sporen u aan in de Heer, dat u de bijbelse waarheid dat God trouwe broeders roept in de kerk om de leiding te nemen, blijft verdedigen. Wij vragen u uw kerken aan te moedigen de aanslagen van het hedendaagse egalitaire en emancipatorische denken met betrekking tot de kerkelijke ambten het hoofd te bieden.

Conclusie

Wij vragen u de wederzijdse afspraak inzake onze zusterkerkrelatie ernstig te nemen, en dat u puur op basis van de liefde voor God en zijn Woord ernstige aandacht schenkt aan de zaken die wij  in deze brief noemden. Het is deze liefde die ons ertoe bracht deze brief te schrijven.

Het is onze oprechte hoop dat u aan deze brief werkelijk inhoudelijke aandacht zult schenken en dat u de katholieke richting zult blijven handhaven met betrekking tot de punten die genoemd zijn. Wij roepen u en uw kerken op standvastig te zijn in het belijden van de hele waarheid van het Woord van God en deze waarheid dapper en krachtig te verdedigen, zelfs wanneer die door de wereld gehaat en verworpen wordt. Wij hopen en bidden dat onze zorgen weggenomen mogen worden en dat onze en uw kerken trouw mogen blijven tot de wederkomst van de Heer Jezus Christus in glorie, majesteit en kracht.

Met broedergroet

Synode Bethal 2014
Vrye Gereformeerde Kerke in Suid-Afrika

Voorzitter:  w.g. Ds. P.G. Boon
Ondervoorzitter: w.g. Ds. C. Kleijn
Scriba: w.g. Br. E. Bijker

 

Brief VGKSA bijlage 1

Publicaties van Dr. S. Paas

Conform de opdracht aan hen gegeven, hebben onze deputaten voor betrekkingen met buitenlandse kerken een nadere studie gemaakt van het proefschrift van dr. S. Paas Creation and Judgement: Creation Texts in Some Eighth Century Prophets (Leiden, 2003). Beweringen waren gepubliceerd over dit proefschrift die een nader onderzoek noodzaakten. Paas zou onbijbelse opvattingen handhaven, zoals de stelling dat het volk Israël afkomstig was van migranten en Kanaänitische populaties, iets dat een vraagteken plaatst achter de exodus van het volk Israël uit Egypte. Ook zou de historiciteit van de beschrijving van de schepping in Genesis bevraagtekend worden. Er waren ook beweringen dat hij schriftkritische opvattingen zou blijven handhaven in latere publicaties. Dr. Paas werd benoemd als universitair docent in Kampen. In 2009 schreef prof. Kwakkel dat het Paas niet toegestaan zou zijn een soortgelijk proefschrift aan de Universiteit van Kampen te verdedigen (2).  Toch is dr. Paas momenteel docent aan deze universiteit.

In zijn proefschrift maakt Paas een onderscheid tussen ‘history of religion’ en de ontologie of de metafysische werkelijkheid. Het historisch getuigenis van het Oude Testament wordt opgeschort totdat buitenbijbelse bronnen, in samenwerking met een modern hermeneutisch proces dat de tekst van literaire conventies stroopt, de historiciteit kan garanderen.  Paas stelt dat de geschiedenis van religie een geschiedenis is van religie in zijn historische manifestatie en niet een geschiedenis van God (p.24). Een geschiedenis van de openbaring van de levende God wordt niet in rekening wordt gebracht. Volgens Paas schenkt hij hieraan geen aandacht, vanwege de restricties van het modern wetenschappelijk oudtestamentisch debat.

Paas volgt in de voetsporen van Troeltsch door te stellen dat de geschiedenis van religie streng immanent is in haar beschrijving. In de beschrijving en verduidelijking van historische fenomenen, wordt in het traditioneel historisch onderzoek geen ruimte toegelaten voor ‘bovennatuurlijke’ agenten (p.25). Hoewel hij erkent dat voor een dieper verstaan van het Oude Testament en voor een theologisch oordeel over de religie van oud Israël, meer dan een historische benadering nodig is, benadrukt hij wel dat voor een theologisch lezen van het Oude Testament de historische benadering tot de religie van oud Israël niet overgeslagen kan worden (27-28).

Wij nemen hier een ethisch conflict waar. Een studie van bijbelse teksten, waarbij men a priori ‘bovennatuurlijke’ agenten uitsluit, is op zijn minst eenzijdig. Als de Schrift Gods openbaring is en het gezag aan zichzelf ontleend, welke positieve bijdrage kan het onderzoek van de Schrift ingeperkt door slechts de menselijke rationaliteit, zonder aandacht voor Gods werk, maken? Ieder resultaat zal de Schrift ondermijnen, want als men zich ondergeschikt stelt aan de beperkingen van de historisch kritische school, zullen de resultaten voorspelbaar zijn. Neem bijvoorbeeld de volgende conclusies waar dr. Paas bij uitgekomen is:

  • Gen 2:4b-25 wordt gedegradeerd tot een auteur genaamd de Yahwist (3) die het mogelijk geschreven heeft in de vroege- of middenperiode van de monarchie en Gen 1-2:4a wordt beschouwd als een priesterdocument daterend uit de Persische periode (post-exilisch) (p.32-34). Wat Genesis dus zegt is daarom van weinig waarde voor de geschiedenis van de preexilische scheppingstheologie (p.36). In het licht van dit alles, komt Paas tot de conclusie dat de eerste oudtestamentische verwijzingen naar Israël’s geloof in YHWH als Schepper van de wereld stammen uit de vroeg monarchische periode (p.49). Dit is in strijd met wat de Schrift hierover getuigt. Als men niet het getuigenis van Genesis 1 en 2 wil accepteren, moet men dan ook niet Gods openbaring van het vierde gebod vanaf de berg Sinaï ontkennen? Want volgens Paas wist Israël dit niet over de schepping tot en met de vroeg monarchische periode.
  • Israëls scheppingsgeloof heeft een Kanaänitische achtergrond en is mogelijk beïnvloed door Egyptische noties (p.49, 121-132, 437)
  • Israël ontstond uit migranten en Kanaänitische populaties rond 1175 voor Christus, de stammen die later bekend werden als ‘Israël’ (p.113-114)
  • De narratieven van de exodus en de intocht zijn ideologische en theologische reflecties die mogelijk een bepaalde historische waarde hebben (p.120)
  • Paas beschouwt de schepping als een mythe, samen met veel materiaal uit Genesis 1-11 (p.104). Voor Paas is een belangrijk element wat iets als een mythe definieert, het feit dat het buiten de tijd staat, buiten de geschiedenis (p.102). Dingen die door God geregeld zijn in een tijd die buiten de onze staat, vormen specifiek onderdeel van de Oer-geschiedenis (Gen. 111) ... We kunnen zeggen dat Israël van Kanaänitisch oorsprong was ... en was, daarom, ook geworteld in een mythisch klimaat van denken. Op deze wijze is het mogelijk de mythe te beschouwen als een van de grondslagen (en misschien de grondslag par excellence) van Israël’s religie (p.104)
    Het is mogelijk een gedetailleerde discussie te voeren met betrekking tot de betekenis van de (literaire) term ‘mythe’. Als we echter gebruik maken van de definitie die dr. Paas zelf geeft (p.97v), komen wij tot de overtuiging dat het onmogelijk is voor een theoloog die trouw aan de Schrift wil blijven, om op deze wijze met het OT om te gaan. Er wordt geen recht gedaan aan de ‘scheppingsverhalen’ van het Oude Testament, zoals ze genoemd worden, wanneer men met hen omgaat in termen van de gegeven definitie (p.97v). Dit is niet alleen een exegetische zaak, het is een hermeneutische en confessionele zaak.
  • YHWH is een afgeleide van El. Volgens Paas is dit niet een uitspraak over de theologische realiteit van de goddelijke waarheid. Het is alleen de constatering dat in de vroege stadia van de religieuze geschiedenis van Israël, de aanbidders van YHWH tot een grote mate dezelfde kwaliteiten aan hem toeschreven als aan El, en dat de Kanaänitische El-aanbidding tot een grote mate de bron vormde voor de concepten die het volk Israël gebruikte om hun geloof in hun God vorm te geven. Paas verdedigde dat de link die hij legde tussen Jahweh en de Kanaänitische El alleen van godsdiensthistorische aard was, vergelijkbaar met hoe ons woord voor God etymologisch afgeleid is van de aanbidding van Wodan. Toch is het in zijn proefschrift evident dat het om meer gaat dan alleen woorden die zogeheten morfologische kruiken zijn die gevuld kunnen worden met een nieuwe betekenis. Het proefschrift wekt de indruk dat er substantiële en conceptuele links zijn tussen de Kanaänitische El en Jahweh. Het argument dat dit alleen godsdiensthistorie is van de wijze waarop Israël geloofde, en dat niets gezegd word over goddelijke openbaring, norm en waarheid, is niet overtuigend. De vraag naar het actuele verband tussen de historische openbaring (door de levende God) aan Israël enerzijds, en de realiteit van Israëls dagelijks geloof anderzijds, wordt te gemakkelijk gepasseerd. Een orthodox theoloog kan dit niet doen.

Een belangrijke vraag met betrekking tot het proefschrift van dr. Paas is in hoeverre een orthodox theoloog zich kan aanpassen – met apologetische motieven – bij het vrijzinnig debat. Wanneer men zich op apologetische wijze dompelt in de manier van denken van het wetenschappelijk debat van de dag, en opereert binnen deze begrenzingen, met deze instrumenten en axioma’s, mag dat als een loffelijke prestatie beschouwd worden. Toch moet men bedacht zijn op het ethisch spanningsveld wat dit met zich meebrengt. Men mag zich afvragen of er niet een te grote discrepantie bestaat tussen je gedrag gemikt op bredere acceptatie in academische kringen aan de ene kant, en je christelijke identiteit aan de andere. De vraag moet gesteld worden of het doel de middelen heiligt.
Wat het proefschrift van dr. Paas betreft, ontstaat de indruk dat de formuleringen die hij gebruikt, verschillend gelezen wordt in theologisch academische kringen, vergeleken bij hoe de kerken ze behoren te lezen volgens dr. Paas.

Samenvattend waarderen wij, uit een apologetisch oogpunt, de goede elementen in het proefschrift van dr. Paas, zoals zijn hoofdstelling dat een scheppingsgeloof aanwezig was bij de profeten van de achtste eeuw. Toch zijn we teleurgesteld dat hij zich volledig identificeert met de godsdiensthistorische benadering. Wij zouden op zijn minst verwachten dat hij als zijnde een gereformeerde wetenschapper duidelijk zou stellen dat, hoewel hij de godsdiensthistorische methode volgt, hij deze methode volgt om aan te tonen dat zelfs met deze vooronderstellingen het mogelijk is aan te tonen dat een scheppingsgeloof aanwezig was bij de profeten van de achtste eeuw. Zoals het proefschrift er nu uitziet is er geen aanduiding dat de auteur zichzelf distantieert van deze methode. Zelfs in latere publicaties distantieert dr. Paas zichzelf niet van de godsdiensthistorische methode, maar herhaalde hij dezelfde standpunten! (4)

Wij betreuren het dat de benoeming van dr. Paas aan de TU in Kampen gehandhaafd werd ondanks geldige kritiek. Wij zouden verwachten dat een predikant die zulke standpunten handhaaft, summier als zijnde ambtsdrager onder de tucht geplaatst zou worden. Wij vellen geen oordeel over dr. Paas’ persoonlijk geloof. Wij beoordelen alleen zijn publicaties.
Door zijn benoeming te handhaven, de geldige kritiek tegen zijn wetenschappelijk werk ten spijt,  zal Kampen mogelijk in de toekomst niet langer in staat zijn wie dan ook ter verantwoording te roepen die schriftkritische standpunten publiceert. Het komt ons voor dat dit incident Kampen kwetsbaar zal maken voor toekomstige tolerantie van onderwijs van de Schrift op een wijze die de Schrift en haar Auteur oneer aandoen. Wij vrezen dat, door geen tuchtstappen te nemen, het heel moeilijk zal worden op een bijbelse wijze met soortgelijke gevallen in de toekomst om te gaan. De zaak is ernstig omdat wij het hier per slot van rekening niet alleen om een methode hebben, maar om een ongelovige ideologie. Deze ideologie bepaalt hoe wij de feiten rangschikken en beoordelen. De evidente betekenis en bedoeling van de Schriften hebben niet meer het laatste woord, maar de mens. Wij vrezen dat deze benadering uiteindelijk de integriteit van de TU in Kampen zal aantasten en de opvatting van de studenten en dus toekomstige predikanten zal beïnvloeden.

Verder is het zo dat Paas’ gebruik van ongereformeerde hermeneutische methoden en schriftkritische hypothesen met betrekking tot het Oude Testament niet tot zijn proefschrift beperkt zijn. Wij maken ons ook zorgen om het missiologisch handboek Als een kerk opnieuw begint. Handboek voor missionaire gemeenschapsvorming (2008), waarvan S. Paas de hoofdauteur is. Ook in deze publicatie worden standpunten en een hermeneutiek uitgedragen die niet gereformeerd zijn. In dit handboek komt een ongezonde polarisatie tussen de zogeheten geïnstitualiseerde kerken en de nieuwe kerkplantingen aan de oppervlakte. Zaken als ruimte creëren voor het toelaten van vrouwen in de kerkelijke ambten, het optioneel maken van de kinderdoop, het optioneel maken van de zondag als dag voor de eredienst, het optioneel maken van een ledenadministratie, dragen bij tot het effect van polarisatie. Het handboek ademt een sfeer van mensgerichte kerkplanting (vgl. de 5 zogeheten ‘existentialen’). Gereformeerde zending en kerkplanting behoren primair uit te gaan van Gods eer, en zijn recht op deze wereld. Wij verwijzen in dit verband ook naar de kritische bespreking van dit handboek in de artikelen van ds. H. Drost in Nader Bekeken (maart 2010).

Brief VGKSA bijlage 2

Proefschrift van Dr. K. van Bekkum

Conform de opdracht aan hen gegeven, hebben onze deputaten voor betrekkingen met buitenlandse kerken een nadere studie gemaakt van het proefschrift van dr. Van Bekkum. In 2010 verdedigde dr. K. van Bekkum zijn proefschrift From Conquest to Coexistence. Ideology and antiquarian intent in the Historiography of Israel’s Settlement in Canaan.

Overzicht

In het westers oudtestamentisch onderzoek is een debat gaande over de intocht in Kanaän of de verovering van het volk Israël zoals beschreven in Jozua. Verschillende hypothesen worden gehandhaafd, ook met gebruikmaking van archeologisch materiaal. Dezen variëren van de stelling dat er geen verovering had plaatsgevonden, tot de opvatting dat er een lang proces van vreedzame infiltratie had plaatsgevonden. Wat Van Bekkum poogt te demonstreren in zijn proefschrift is dat de vestiging van Israël in Kanaän een proces from conquest to coexistence was. Hij poogt te demonstreren dat de verovering geen mythisch ideologisch concept van latere tijden is. In zijn proefschrift poogt Van Bekkum de communicatie te herstellen tussen de exegese van het Oude Testament en de archeologie. Hij beperkt zichzelf tot de exegese van Jozua 9:1-13:7, en met betrekking tot de archeologie beperkt hij zichzelf tot de periode van de 14e – 8e eeuw voor Christus. Met betrekking tot het wonder in Jozua 10 – de zon en de maan die bleven stilstaan – probeert Van Bekkum dit te verklaren in termen van de conventies van oud oosterse narratieven. Dit leidt er toe dat het een literaire topos wordt, die de totaliteit en radicaliteit van de triomf onderstreept.

Verder levert Van Bekkem zijn eigen historiografische hypothese met betrekking tot Jozua 9-13. Enerzijds hebben de auteurs van deze hoofdstukken gebruik gemaakt van contemporaine literaire vormen. Anderzijds hadden zij ook respect voor overgeleverd materiaal en tradities. In zijn proefschrift komt Van Bekkum tot de conclusie dat historische ‘truth claims’ die in het boek Jozua gemaakt worden, noch door de archeologie bewezen, noch ontkend worden. De verdienste van zijn proefschrift kan hierin gezien worden dat het poogt een exegetisch-archeologische verdediging te geven voor de historiciteit van Israëls verovering in Kanaän (p.560). In het contemporaine westerse debat poogt Van Bekkum te staan voor de historiciteit van de Exodus en Intocht van Israël in Kanaän.

Methode van Van Bekkum’s exegese van Jozua 9-13

Methodisch beschrijft Van Bekkum het historisch materiaal in het Oude Testament als het product van het geloof en verwachtingen van een gemeenschap. In welke mate het historisch materiaal echte gebeurtenissen weergeeft, kan alleen vastgesteld worden door een dialogisch proces met ‘artifactual evidence’ (p.31-32, 357). Artefacten zijn objecten door mensen vervaardigd, die als bewijs functioneren.

In zijn exegese maakt Van Bekkum een onderscheid tussen ‘truth claim’ en ‘truth value’ (p.32). Deze wijze waarop Van Bekkum met historische teksten uit het Oude Testament omgaat, heeft tot gevolg dat hun historiciteit opgeschort wordt, aangezien zij eerst ontdaan dienen te worden van conventies als simplificatie, selectiviteit, suggestieve detail, retorische overdrijving, anachronisme en dergelijke (p.32f, 114f, 179, 201, 184, 194). Buitenbijbelse bronnen kunnen met dit proces helpen. Pas hierna kan vastgesteld worden wat historisch is en wat niet, en hoeveel van de story in werkelijkheid history is.

De zogenaamde poëtische fragmenten van Jozua 10:12b-13 worden vervolgens door Van Bekkum voorzien van een eigen interpretatie. Van Bekkum wil niet ontkennen dat God een wonder verricht heeft in antwoord op Jozua’s gebed. Maar volgens hem is Jozua’s gebed beantwoord met een overwinningswonder, beschreven volgens oud oosterse conventies als zijnde een militaire overwinning in één dag. In werkelijk had het wonder dus niets te maken met de ware lengte van die dag. Het ‘feit’ dat de zon stil stond (Jozua 10:12-14) wordt verklaard op een metaforische wijze, met de conclusie dat de zon en maan niet echt stil hebben gestaan. Integendeel, de verlenging van de dag om de vijand in één keer te verslaan wordt verstaan als een retorische strategie, die de algemeen literaire techniek uit het oude nabije oosten reflecteert om namelijk een grote militaire overwinning samen te bundelen tot één enkele tijdsduur. (p.250)

Deze interpretatie wijkt echter af van de verklaring die Jozua 10 over zichzelf geeft. In de verzen 13 en 14 wordt genoem dat er iets zeer buitengewoons op die dag gebeurd is. Mensen moeten niet denken dat dit alleen beeldspraak is of overdrijving, zegt de tekst zelf! De verzen 13e-14c geven dus bijbels commentaar op de verzen 12d13d: het was een historische dag. De klem wordt gelegd op de unieke wijze waarop het gebed beantwoord werd. Vers 13 spreekt over de dag waarop de HEER dit concreet gebed beantwoord heeft: “De zon bleef een volle dag boven aan de hemel staan voordat ze onderging.” Jozua’s gebed, in combinatie met de verklaring die de Bijbel zelf geeft, laat geen ruimte te denken dat hier iets anders plaatsgevonden had dan een wonder in die zin dat deze dag echt langer was. Toch gaat Van Bekkum door en bestempelt de verklaring in de bijbeltekst als een secundaire betekenis (p.247), terwijl hij zelf de primaire verklaring geeft. De secundaire verklaring bestempelt hij als een hyperbolische interpretatie met een verminderde historiciteit (p.249-250). Van Bekkum gaat zelfs zo ver te stellen dat de gebeurtenissen van Jozua 10:12-14 op een metaforische wijze geïnterpreteerd kunnen worden. Het wordt alleen een beeld dat Gods overwinning beklemtoont, en we hoeven het niet als letterlijk te beschouwen (p.250).

In dit verband moet de vraag gesteld worden hoe een orthodoxe exegeet zijn eigen exegese primair kan noemen, terwijl de tekst hiervoor geen aanleiding geeft. De tekst stelt namelijk bij herhaling het omgekeerde. Het overtuigt niet Gods overwinning te beamen, maar vraagtekens te plaatsen achter hoe Hij het gedaan heeft. Een exegeet heeft niet het recht dit te doen. Wie geeft ons het recht iets als metaforische taal te bestempelen als de tekst er geen aanleiding toe geeft? Van Bekkum doet dit ook in een ander artikel als hij stelt dat de strijd tussen David en Goliat niet echt heeft plaatsgevonden, maar dat het in geestelijke en historische zin exemplarisch is voor de strijd van David tegen de Filistijnen (1 Sam 17). Hoe kan iets historisch exemplarisch zijn, als het voorbeeld niet historisch is? (5) Een exegeet zal in zo’n geval bij voorkeur andere verklaringsmogelijkheden kiezen, die zeker ook voorhanden zijn.

De vraag naar de inspiratie van het boek Jozua is ook relevant in dit opzicht. Van Bekkum stelt dat Gods Woord samenvalt met de ideologische processering van de zogenaamde tekstgemeenschap (de groep mensen die de tekst heeft voortgebracht). De tekst van het boek Jozua is een reflectie van de verwachtingen van de tekstgemeenschap. Hoe houdt deze stelling verband met het profetisch karakter van Gods Woord, dat vaak lijnrecht tegen de verwachtingen van de gemeenschap inging? Profeten moesten met een boodschap van God komen, een boodschap waar de gemeenschap niet op zat te wachten, en vaak ook verdrong.

Wij moeten concluderen dat Van Bekkums exegese buiten de kaders beweegt die men ‘vrijheid van exegese’ zou kunnen noemen. Van Bekkum geeft in de Epiloog van zijn proefschrift aan dat hij art. 5 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis aanvaardt – dat handelt over de goddelijke oorsprong van de Bijbel (p.499). Maar het schijnt dat er een discrepantie is tussen woorden en daden in dit proefschrift. De klaarblijkelijke betekenis van de tekst zoals deze door de eeuwen heen gefunctioneerd heeft, wordt niet gehonoreerd. De betekenis van de tekst wordt onduidelijk, tot het moment dat de oudtestamentische wetenschapper met zijn hermeneutische benadering de tekst aan de bijbellezer kan openbaren.

Datering van de verovering en de gevolgen hiervan

Het zijn niet alleen de exegese van Van Bekkum en zijn hermeneutische benadering van Jozua 9-13 die vragen oproepen. Met betrekking tot de datering van de Verovering maakt Van Bekkum gebruik van bepaalde archeologische vondsten, terwijl hij andere ontdekkingen negeert (p.360-361). Dit heeft te maken met de datering van de intocht van Israël in Kanaän. Van Bekkum stelt dat heel waarschijnlijk de steden Jericho en Ai niet bewoond waren tijdens de intocht, dit in tegenstelling tot wat we in Jozua 5-8 lezen. Deze hoofdstukken beschrijven de intocht van het volk Israël zowel als de daaropvolgende verwoesting van deze steden. Een probleem duikt echter op omdat Van Bekkum de heersende datering in de vrijzinnige westerse wetenschap gebruikt (p.343, 359-361, 558-559). Het is opvallend dat Van Bekkum ervoor koos de archeologische vondsten van de 15e eeuw niet systematisch te onderzoeken. Volgt hij hier de trend van de vrijzinnige theologie door de 15e eeuw a priori buiten beschouwing te laten? De vrijzinnige theologie wilde tot op heden het bestaan van Israël als etnische groep zo vroeg als de 15e eeuw niet aanvaarden, omdat er volgens hen geen buitenbijbelse bronnen zijn om dit te bevestigen. Wij concluderen dat ook met betrekking tot de datering van de Verovering Van Bekkum ervoor kiest de heersende methode in de vrijzinnige theologie te volgen, namelijk om de bijbelse geschiedschrijving buiten beschouwing te laten en niet als bewijsmateriaal te gebruiken.
Daarom is de wijze waarop Van Bekkum met het dateringsvraagstuk omgaat niet alleen een technische discussie, maar van hermeneutische aard. Het lijkt of Van Bekkum a priori besloten heeft archeologische vondsten van de 15e eeuw geen ruimte in zijn argumentatie te geven.

Ook wat de zaak van de datering betreft zien we dat de duidelijke historische claims van de Schrift aan de kant geschoven worden. 1 Koningen 6:1 geeft bijvoorbeeld aan dat de Exodus 480 jaren voor het vierde regeringsjaar van  Salomo plaatsvond. Maar deze datering aanvaarden is volgens Van Bekkum een “lazy man’s solution” (p.33). Volgens Van Bekkum is het methodisch niet correct bijbelse data te accepteren zoals die zich aandienen. “It’s literary artistry and use of genre conventions should be studied first” (p.33). Het gevolg is dat de contemporaine interpretatie van archeologisch materiaal uiteindelijk het bijbelse getuigenis overtroeft en de traditionele interpretatie wordt niet eens besproken. Ook in deze zin is Van Bekkum’s proefschrift vrijzinnig, het woord vrijzinnig in die zin definiërend dat de historische betrouwbaarheid van bijbelgedeelten opgeschort wordt totdat die weer door buitenbijbelse bronnen bevestigd is.

Voor lange tijd stond de Theologische Universiteit in Kampen ervoor bekend dat men ervoor koos, de methoden van de vrijzinnige theologie ten spijt, om door te gaan de theologie (zoals de oudtestamentische wetenschap) te ontwikkelen in lijn met de klassiek orthodoxe traditie. Zoals hierboven aangetoond, is het kenmerkend voor het proefschrift van Van Bekkum dat de historiciteit van het Oude Testament opgeschort wordt, en pas weer bevestigd wordt nadat er buitenbijbelse gegevens hiertoe aanleiding geven, een zogeheten dialogisch proces met ‘artefactual evidence’ (p.59).

Het kan als positief beschouwt worden dat Van Bekkum poogde de historiciteit van Israëls verovering te verdedigen. Maar aan zijn conclusies hangt een prijskaartje – vraagtekens achter de verwoesting van Jericho (ook Hebr 11:30 verliest hiermee zijn historische basis), vraagtekens achter de datering die het Oude Testament zelf geeft van de exodus en intocht. Wat je aan de ene kant schijnt te winnen, verlies je weer aan de andere kant. Concluderend kan gezegd worden dat er waardering is voor zijn intenties, maar zorgen wat betreft zijn hypothesen en methode.

Er dient op gewezen te worden dat bij dit soort hermeneutiek die Van Bekkum gebruikt om passages van het Oude Testament te exegetiseren, het gemiddelde gereformeerde kerklid volledig afhankelijk wordt van de wetenschapper voor het lezen en verstaan van het Oude Testament. Van Bekkum’s woordgebruik op p.193 is openbarend wat dit betreft: “So if there is anything historical in 2 Samuel 8 and 10...” Is het gepast voor een orthodoxe exegeet op een dergelijke wijze te formuleren?

Wij moeten concluderen dat in dit proefschrift twee basale gereformeerde hermeneutische principes geschonden worden – de transparantie en de historische betrouwbaarheid van het Oude Testament.

Er is één aspect dat nog overwogen dient te worden. Heeft het enigszins meriete als Van Bekkum in zijn proefschrift een apologetische benadering kiest? Heeft hij – apologetisch gesproken – iets bereikt op een gebied waar christenen, moslims, joden etc. elkaar ontmoeten? Als dit het geval zou zijn, is degelijke communicatie naar de kerken van vitaal belang, ten einde misverstanden en mogelijk achterdocht te voorkomen. En wat nog belangrijker is – de auteur dient zelf ook transparant te zijn – ik gebruik wel de heersende methode om iets te bewijzen, maar dat betekent niet dat ik met alle axioma's instem.

Wij zijn bezorgd over het feit dat de Theologische Universiteit in Kampen een proefschrift met dergelijke methodische uitgangspunten kon goedkeuren. Betekent dit dat Kampen niet langer de traditioneel gereformeerde beschouwing van de Schrift als helder, duidelijk en haar eigen uitlegster handhaaft? Als het Oude Testament niet meer zegt wat er staat, waar eindigen we? Het is onduidelijk hoe je kunt onderscheiden tussen het aanvaarden van de tekst van de Schrift en wat de tekst zegt (p.499). Wij maken ons zorgen dat hiermee een voorbeeld is gesteld waarin de klaarblijkelijke betekenis van de tekst niet langer gehandhaafd wordt.
Door niet de diepgaande discussies over het proefschrift van dr. Van Bekkum aan te gaan, en door hem aan te stellen als docent Oude Testament in Kampen, heeft de Synode van Harderwijk 2011 volgens ons geloofwaardigheid verleend aan deze nieuwe en volgens ons ongereformeerde wijze van Schriftuitleg.

 

Brief VGKSA bijlage 3

Vrouwen in de bijzondere kerkelijke ambten

Hoewel uw synoden nog geen besluit genomen hebben om vrouwelijke ambtsdragers toe te laten, maken wij ons zorgen over het werk van Deputaten M/V in de kerk en de wijze waarop voorgaande synoden toezicht hielden op hun activiteiten.
Toen deputaten, aangesteld door Synode Amersfoort-Centrum 2005, studiemateriaal schreven om de reflectie op de rol van vrouwen in de kerk te faciliteren, lieten zij na de kerken te wijzen op wat de heilige Schrift hierover zegt. Wat de Schrift duidelijk openbaart over deze zaak, werd integendeel gedegradeerd tot één optie naast anderen. De daaropvolgende synoden hebben dit niet gecorrigeerd. De Synode van Harderwijk 2011 heeft deputaten aangesteld met het mandaat de vraag te beantwoorden of het volgens de Schrift geoorloofd is vrouwen in de ambten van ouderling en predikant aan te stellen. Dit op zich toont aan dat er een verminderde achting is voor het duidelijk onderwijs van de Schrift dat deze ambten bediend moeten worden door trouwe mannen die gekozen zijn in overeenstemming met de instructies die daarvoor door de heilige Geest gegeven zijn door de apostel Paulus (1 Timoteüs 2:11-14, 1 Korintiërs 14:33-35). De Synode van Harderwijk 2011 heeft ook niet de afwijkende opvattingen van de Deputaten M/V in de kerk gecorrigeerd. Zij hadden namelijk aan de kerken gecommuniceerd dat de gereformeerde belijdenisgeschriften geen uitspraak over deze zaak doen. Artikel 30 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis, terugverwijzende naar de regel die de apostel Paulus gaf aan Timoteüs, stelt dat personen (in de oorspronkelijke Latijnse tekst staat: mannen) die trouw zijn deze ambten zullen bedienen.

Onze Deputaten voor betrekkingen met buitenlandse kerken hebben verzocht de Deputaten M/V in de kerk te ontmoeten tijdens hun bezoek aan Nederland in februari-maart 2013. Dit verzoek werd door de Deputaten BBK GKv afgewezen. Volgens ons was dit verzoek niet vergezocht. Het was in lijn met het mandaat dat de Synode van Harderwijk aan Deputaten M/V gaf, namelijk “goede aandacht te geven aan uitspraken van verwante kerken in binnen- en buitenland” en “voor de verschillende onderdelen relevante informatie en advies in te winnen bij de TU en deputaatschappen, m.n. BBK, DKE, GDD, HKO en OOG.” Dit is des te meer pijnlijk, nadat wij het rapport van Deputaten M/V in de kerk aan de Synode van Ede 2014 hebben gelezen, waarin zij een eenzijdig beeld van onze kerken schetsen, waarin wij ons niet kunnen vinden.

Noten:

1. Acta Synode Harderwijk 2011, p.67-68. 11.

2. De Reformatie 11 April & 2 Mei 2009.

3. De wijze waarop Dr. Paas in zijn proefschrift van de term Jahwist gebruik maakt is op zijn minst verwarrend. Bedoelt hij met de term alleen maar te verwijzen naar een vereerder van Jahwe? Hoe kan dit het geval zijn op bijv. p.33 van zijn proefschrift?

4. Cf. De Wapenveld (51:5 – 2001); Theologia Reformata 46,4 (2003), p.308-327: “Het Oude Testament als religieus document”.

  1. Van Bekkum in: Theologia Reformata 46,4 (Dec 2003) , p.328-355.

[met correctie van enige tikfouten, djb]

Laatst aangepast op zaterdag 31 mei 2014 15:01  

Nieuws

Boekaankondiging Gelukkig geen mythe - ds. Rob Visser

Boekaankondiging Gelukkig geen mythe - ds. Rob Visser

Als alles goed is zal half september het boek over Genesis 1-11 beschikbaar zijn. De titel is; Gelukkig geen mythe. In dit boek wordt Genesis 1-11 vers voor vers besproken. Deze hoofdstukken zijn... [More...]

Ds. E. Heres - Lucy of Adam

Een andere 'hermeneutische lens' De aanvallen op het scheppingsgeloof dat gebaseerd is op het geopenbaarde Woord van God worden steeds heftiger.  Het boek dat in deze maanden veel aandacht krijgt... [More...]

De ICRC schorst de GKv als lid

De ICRC schorst de GKv als lid

De ICRC (International Conference of Reformed Churches) te Jordan (Ontaria, Canada) heeft vandaag, 17 juli 2017, besloten om de GKv (Gereformeerde kerken vrijgemaakt) als lid te schorsen... [More...]

Di. Alko Driest, Jan Haveman, Pieter Schelling en Aryjan Hendriks...

UPDATE 20-07-2017 Emeritus ds. Alko Driest en ds. Jan Haveman mailden op 13 juli een brief naar alle kerkenraden in Noord-Nederland met de vraag om in ieder geval tot de eerstkomende Generale... [More...]

Referaat ds. H.G. Gunnink d.d. 12 juli 2017

Voorlichting, bijeenkomst Bedum (Maranathakerk, Grotestraat) De bijgevoegde presentatie is zakelijk van opzet. Daarom is het belangrijk om geen moment te vergeten, dat het gaat over voluit... [More...]

Boekbespreking 'HIJ en wij' - van ds. E. Hoogendoorn

In Weerklank - een gereformeerd maandblad uit de GKN - jaargang 5 nr. 3 schreef ds. E. Hoogendoorn onderstaande boekbespreking van 'HIJ en wij' met de ondertitel ‘Oriëntatie in de actuele situatie... [More...]

Onze ervaring tot hermeneutische sleutels geworden - boekbesprekingen...

Update 14/12: Dr. Hans Burger mailde mij dat in onderstaand artikel de weergave van zijn positie zoals hij die in Cruciaal verwoordt, onjuist is. Ik kom daar nog op terug. CGK Prof.dr. H.J.... [More...]

Enquete

Predikanten, ouderlingen en diakenen zijn in belijdende gereformeerde kerken gebonden aan
 

Nieuwsbrief

Naam:

E-mail:

Gereformeerd?

Grondlijnen in de liturgie (Ds.dr. R.D. Anderson)

Op zijn weblog anderson.modelcrafts.eu vonden we een artikel (laatste wijziging 12 september 2012) van ds. Andersen (FRCA) over de grondlijnen van de liturgie. Enkele citaten: Als inleiding wil ik... [More...]

De GKN zetten het gesprek voort met DGK over functioneren fundament...

De GKN hebben op de Generale Synode d.d. 18 maart 2017 besloten om het oriënterende gesprek met DGK voort te zetten. Nu samen met afgevaardigden van DGK op 17 februari jl. is vastgesteld dat alleen... [More...]

Blijdschap over positief gesprek DGK en GKN 17 februari

Positief gesprek geeft openingen!Op 17 februari 2017 hebben afgevaardigden van DGK (De Gereformeerde Kerken) en GKN (Gereformeerde Kerken Nederland) de tot nu toe gevoerde briefwisseling besproken en... [More...]

Betekenis van het besluit van de GKN over het spreken met de DGK -...

Ik wil graag reageren op wat broeder Trip over dit besluit heeft geschreven. Om zo onnodige obstakels en misverstanden die een eigen leven gaan leiden weg te nemen.   Ook om te laten zien dat de... [More...]

GKN willen uitgestoken hand DGK opnieuw onderzoeken

Een zeer teleurstellend bericht bereikte ons zaterdagavond via de nieuwsbrief van eeninwaarheid.info. De Synode van de GKN heeft besloten om de brief van de GKN aan DGK d.d. 12 maart 2016 toe te... [More...]

De zekerheid van het geloof vs Westminster studie deputaten BBK DGK

In 2014 hebben deputaten BBK (Betrekkingen Buitenlandse Kerken) opdracht gekregen van De Gereformeerde Kerken (DGK) i.c. van de Generale Synode Hasselt 2010-2011 om grondig studie te verrichten... [More...]

Presbyterianisme en de toegang tot het Heilig Avondmaal versus Westminster meerderheidsrapport BBK DGK

Presbyterianisme en de toegang tot het Heilig Avondmaal versus...

. Ds. Bredenhof - sinds maanden een pastor van de FRCA, Tasmania, Australia - is nog steeds bezig om zich in te werken in de Australische context. Onlangs las hij een autobiografie van J. Graham... [More...]

Ketter!

Ketter!

Dr. Wes Bredenhof, predikant van de Australische Gereformeerde Kerken (Launceston, Tasmania), is meer dan eens voor ketter uitgemaakt! Nee, niet door Rooms Katholieken of Moslims, maar... [More...]

De Westminster is een voluit gereformeerd belijdenisgeschrift - deel 2 (1944-1990)

De Westminster is een voluit gereformeerd belijdenisgeschrift - deel...

Versie -16/11: Toegevoegd: deputatenrapport 1967 beoordeling Westminster Confessie door ds. P. van Gurp en ds. C. Stam. PS: Ik heb wel alle Reformatie jaargangen, maar niet het blad Dienst 1957 nr.... [More...]

De Westminster is een voluit gereformeerd belijdenisgeschrift - deel 1 (1834-1944)

De Westminster is een voluit gereformeerd belijdenisgeschrift - deel...

Professor P. Biesterveld die al op 31 jarige leeftijd hoogleraar werd aan de Theologische School in Kampen (1894) en vanaf 1902 aan de Vrije Universiteit te Amsterdam heeft uitvoerig de... [More...]