Werken aan eenheid

van gereformeerde - 3FvE of WS - kerken en groepen in Nederland e.o.

  • Vergroot lettergrootte
  • Standaard lettergrootte
  • Verklein lettergrootte
Home Artikelen Archief Landelijke dag 23-09-2006 Ds. R. van der Wolf - Kerk in de crisis

Ds. R. van der Wolf - Kerk in de crisis

E-mailadres Afdrukken PDF
Gebruikerswaardering: / 0
LaagsteHoogste 

KERK IN DE CRISIS


Voorzitter, broeders en zusters,

Mij is gevraagd voor u vanavond te spreken over het onderwerp: Gereformeerde Kerken waarheen? Met als ondertitel: er wordt veel gesproken over een crisis binnen onze kerken. Over welke crisis hebben we het dan en hoe ernstig is die crisis? Dat dus, onder de overkoepelende titel: Gereformeerde Kerken, waarheen?
Ik moet u allereerst meteen maar zeggen dat ik dat, in alle verwarring en onrust die er in de kerken is – en waar ik vanavond het één en ander van hoop te zeggen -  eigenlijk niet zo’n geweldige titel vind. En dan niet alleen, omdat een vraagteken onvermijdelijk ook een bepaalde verwachting van een antwoord oproept. Mijn aarzeling over die titel zit ‘m vooral in de mogelijk onbescheiden, zo niet hoogmoedige gedachte, dat ík u zou hebben te vertellen waar de Gereformeerde Kerken heen moeten. En dat u dat dus van mij vanavond zou moeten horen. Dat zou bepaald onjuist zijn. Want niet u en ik, wij hebben te bepalen wat wij willen zijn. De HERE bepaalt wat wij hébben te zijn, namelijk Gereformeerde Kerken.
Die notitie houdt meer in dan een wat overtrokken behoefte aan leerstellige correctie. Alsof ik er op uit ben te verbeteren, bedoel ik. Integendeel. De kritiek op de titel is niet kleinzielig. Ze is ook niet overbodig. Ze bepaalt ons namelijk direct bij de érnst van het onderwerp. Bij het gewícht van de zaak, waar we het samen over mogen hebben. Wie spreekt over de Kerken, spreekt over de Héér van die Kerken. Over de Bruidegom van de bruid. Haar Man en haar Maker (Jes. 54: 5). Ik zou u willen vragen dat alvast maar te noteren. Want ik kom er straks in een breder verband op terug.

Eerst wil ik graag nog even met u naar de ondertitel. Die ondertitel zegt, dat er tegenwoordig veel wordt gesproken over een crisis binnen onze kerken. Van verschillende kanten hoor je de taxatie van kerkelijke ontwikkelingen, onrust en bezorgdheid zo op je afkomen: als een crisis. Maar beseffen we met elkaar dan eigenlijk wel wat we zeggen? Een crisis. Een crisis bínnen de kerken van onze Here Jezus Christus. Mijn verbijstering daarover zit in dat woord ‘crisis’. Dat is namelijk een woord, dat in de Schrift veel wordt gebruikt. Waar de Here Jezus voor waarschuwt. Waarvoor Hij wil bewaren, maar waar Hij zijn kerk wel midden in zet. In de crisis. Niet dus de crisis in de kerk. Maar de kerk in de crisis. En daar wil ik vanavond dan ook over spreken. Onder deze titel: de kerk in de crisis.

Kerk in de crisis
Crisis, broeders en zusters, is een Grieks woord. Het betekent scheiding, keuze, beslissing of oordeel. In het Nieuwe Testament komen al die betekenissen in het woord crisis eigenlijk samen. Het is het oordeel, het scheidingmakende oordeel van de Rechter van hemel en aarde. Het oordeel dat vandaag begint, bij het antwoord op de vraag: “maar u, wie zegt u dat Ik ben?” (Matt. 16,16; Mc. 8,9; Joh. 11,27). Daar valt de beslissing dus. Bij het geloof in de Zoon, die terugkomt om te oordelen de levenden en de doden. Zo krijgt Martha dat te horen als haar broer Lazarus gestorven is. Dan zegt de Here Jezus tegen haar: “Ik ben de opstanding en het leven; wie in Mij gelooft zal leven, ook al is hij gestorven, en een ieder die leeft en in Mij gelooft, zal in eeuwigheid niet sterven; gelooft gij dat? Zij zeide tot Hem: Ja, Here, ik heb geloofd, dat Gij zijt de Christus, de Zoon van God, die in de wereld komen zou.” (Joh. 11, 25-27).
U begrijpt dat daarmee de zaak op scherp staat. Het is een zaak van leven of dood. Enerzijds ligt over deze boodschap de glans van de redding. Redding voor wie déze Christus gelooft. Anderzijds heeft deze boodschap ook de donkere dreiging van de dood. De eeuwige dood voor wie deze Zoon van God verwerpt. Voor wie Hem niet dienen wil. Voor wie voor Hem niet buigen wil. Kortom, Mattheüs 25, 31 – 46, waar we lezen van het oordeel van de Zoon des mensen in dat bekende beeld van de schapen en de bokken, vult om zo te zeggen dat woordje ‘crisis’ in. Het is het scheidingmakende oordeel van onze Heiland en Rechter die geloof vraagt, schuldbelijdenis en verootmoediging, bekering en navolging.
En nu staat de kerk daar midden in. In de crisis. In het oordeel, dat vandaag over de wereld gaat. De kerk heeft met het ongeloof te maken. Met de revolutie, de opstand tegen de Koning van hemel en aarde. Niet alleen maar naar buiten toe. In de antithese (letterlijk: tegenstelling) met de wereld. Maar ook naar binnen toe. Hoe heeft Christus zijn gemeenten in Asia niet gewaarschuwd, dat ze zich dat bewust moeten zijn. Dat de gemeente haar eerste liefde niet verzaken moet. Dat ze zich bekeren moet van wereldgelijkvormigheid, van onverschilligheid en lauwheid. Dat ze trouw moet blijven tot de dood (Opb. 2; 3). Dat ze als lichtende sterren moet schijnen in een donkere wereld, het woord des levens vasthoudende (Fil. 2, 15-16). Want de crisis, het oordeel, begínt in het huis van de HERE zelf (1 Petr. 4,17). Dat vereist waakzaamheid, nuchterheid, vastberadenheid. Het geeft, ín de crisis, ook troost. “Geliefden” zegt Petrus in zijn eerste brief, hoofdstuk 4 vers 12, “laat de vuurgloed, die tot beproeving dient, u niet bevreemden, alsof u iets vreemds zou overkomen.” Christus zegt zelf, dat Hij niet gekomen is om vrede te brengen, maar het zwaard (Matt. 10, 34).  Zijn komst betekent tweedracht tussen een man en zijn vader, tussen een dochter en haar moeder en tussen een schoondochter en haar schoonmoeder; en iemands huisgenoten zullen zijn vijanden zijn (Matt. 10, 35-36).

Daarmee zet de Schrift zelf de verwarring waarover vandaag in onze kerken veel wordt gesproken en geschreven, de crisis waar men het over heeft, op een hoger niveau dan het niveau van de identiteit, de eigentijdsheid, de emotiecultuur, de hypes ofwel de modegevoeligheid,  het fragmentarisme en wat voor aanduidingen er verder maar gegeven worden. Want uiteindelijk en ten diepste gaat het hier, zoals dat altijd het geval is, om de geestelijke strijd tussen de grote ‘diabolos’ die de verwarring preekt, en de Christus, die gehoorzaamheid vraagt. Christus verenigt niet alleen hen die in Zijn naam geloven. Christus maakt ook scheiding, omdat Hij heel de wereld onderwerpt aan die ene vraag: “maar u, wie zegt u dat Ik ben?” Juist met het oog op het onderwerp van vanavond, wilde ik vooral uw aandacht vragen voor déze strijd en déze crisis.

Crisis in de kerk
Pijnlijk mis je die aandacht in alle beschouwingen en taxaties die er de afgelopen jaren over 60 jaar vrijmaking zijn gegeven. Ik denk dan aan de bijdragen, die in de afgelopen jaren door het blad De Reformatie zijn gepubliceerd. Het veelbesproken artikel bijvoorbeeld, van professor C.J. de Ruijter, getiteld: Van klimaatbeheersing naar koude grond. De wat minder bekende terugblik van docent M.E. Hoekzema onder de naam: “Het geestelijk klimaat in de GKV en de impact daarvan op de TU”. Ik denk aan de beschouwing van dr. E.A. de Boer, in het genoemde blad: “Ons kennen schiet tekort”, met als vervolg: “Ons denken is beperkt”. Tenslotte, om niet meer te noemen, het recent verschenen verhaal van Koert van Bekkum: “Blij met de kerk”, gevolgd door “Verlangen naar tastbare genade”. Dat laatste is gepubliceerd naar aanleiding van het u vast bekende en besloten congres in Garderen. Er wordt in al deze bijdragen gesproken over klimaatbeheersing in het verleden. Over de zucht, het verlangen naar een gesloten dogmatisch systeem. Over verlies aan élan en koersvastheid. Over een te kritisch klimaat. Over een vrijgemaakte traditie. Over identiteit. Vaak begint men al vanuit een persoonlijke beleving van de achterliggende jaren. Dit soort beschouwingen zijn te typeren als sociologisch/psychologisch. Dat wil zeggen, dat ze zich meer richten op de geloofsbeleving, het groepsdenken en de culturele achtergronden, dan met de ínhoud van het geloof. Het gaat om de méns en zijn overtuiging. Daarom doen aanduidingen als de vrijgemaakte nestgeur en een vrijgemaakte subcultuur het in zulke taxaties over het algemeen heel goed.

Het verwarrende in dit soort typeringen van het verleden is, dat waarheid en leugen samen opgaan.
Gedreven door hetzelfde wij-gevoel, in een reactie dus die net zo persoonlijk gekleurd is als de genoemde verhalen, ben je aan de ene kant zomaar geneigd je op bepaalde punten te verdedigen. Dan kun je wijzen op de offerbereidheid in de tijd dat het gereformeerde onderwijs nog in de kinderschoenen stond. Op het vuur dat je voelde branden, tijdens de grote congressen van het GPV. Op de grote inzet en het enthousiasme die er werden gevonden. De aanwezigheid op talloze vergaderingen, kerkelijk, maatschappelijk, sociaal-economisch en politiek. Dan voel je de kritiek als persoonlijk, omdat er vraagtekens worden gezet bij je grote bewogenheid om kerk en maatschappij. Vraagtekens ook bij je ijver voor de HERE. Dat is de verwarrende en pijnlijk grote leugen.
Aan de andere kant is er, ook als we het over die tijd hebben, natuurlijk ook veel ‘vlees en wereld’ bij geweest. Daarom is er in al die taxaties ook een diepe waarheid. Deze waarheid, dat de mens in alles altijd moet erkennen en belijden, zichzelf gezocht te hebben. Vanuit dat wij-gevoel kijken we in de spiegel van ons eigen verleden. En we weten ons ontmaskerd. Misschien ook wel ontgoocheld. Want in al onze goede bedoelingen, ijver en liefde is het onzuivere ook aan te wijzen. Terwijl we niet ontkomen zijn aan valkuilen, waar we onszelf voor hebben willen bewaren. Ook ons geldt Lukas 17 vers 10: “Zo moet ook gij, nadat gij  alles gedaan hebt wat u bevolen is, zeggen: Wij zijn onnutte slaven, wij hebben slechts gedaan wat wij moesten doen”. Verootmoediging is altijd op z’n plaats. Ook over een actief kerkelijk leven in het verleden.

Toch acht ik veel van wat er in de laatste jaren op dit punt geschreven is, beneden het niveau waarop we allereerst met elkaar hebben te spreken, als we het hebben over de laatste zestig jaar uit de geschiedenis van de bruid van Christus. Beneden het schriftuurlijke en dus gereformeerde, zo u wilt chrístelijke niveau. Want alle sociologische hoogstandjes ten spijt en met respect voor een persoonlijke beleving – hoe weinig ik die ook deel – dát is toch het niveau waarop wij met elkaar spreken. Het niveau waarop gereformeerde kerken leven en denken. Dat is een heel belangrijk punt. Want wie niet op een schriftuurlijke wijze áchterom kijkt, zal evenmin op een schriftuurlijke wijze vóóruit kijken. Die blijft ook voor wat betreft de toekomst steken op het niveau van het menselijke, het sociologische en/of het psychologische. Een oppervlakkig niveau, waarop die geweldige strijd, die we met de naam antithese aanduiden,  nauwelijks een rol speelt. Dan wordt de vraag: “maar u, wie zegt u dat Ík ben”, ingewisseld voor de vraag: wie zeggen wij dat wíj zijn. Wie zeggen wij dat we zijn geweest en wie wíllen we zijn vandaag en morgen. Dan schrijft de kerk haar eigen geschiedenis. Zo gaat de kerk als bruid voorop terwijl haar roeping is, haar Bruidegom te vólgen. Dat punt wil ik graag wat breder uitwerken. Want daar is een heleboel over te zeggen.


Naar binnen (1)
Eén van de klachten die je in de taxaties van het verleden veel tegenkomt is, dat we als kerken - tussen de jaren veertig en negentig van de vorige eeuw - zo naar binnen gekeerd waren. En als u dan zegt: ‘wat een onzin, want juist toen waren er gereformeerde organisaties die zich bezig hielden met van alles op maatschappelijk, cultureel en politiek gebied’ dan heeft u wel gelijk – en dat wordt ook niet ontkend, integendeel, daar wordt zelfs wel met waardering over gesproken – maar met dat ‘naar binnen gekeerde’ wordt dan bedoeld: het moest allemaal gereforméérd zijn, gereformeerd vrijgemaakt, en het was ook meteen niet goed als dat het níet was. Meer dan een suggestie komt daarbij het verwijt op, dat we in die tijd eigenlijk harder voor de kerk dan voor de HERE liepen. We dienden onszelf, niet de HERE. We verschansten ons in eigengebouwde bunkers voor we ons veilig voelden.

Dat verwijt doet pijn. En broeders en zusters, u wordt daar terecht boos van. Niet zozeer, omdat uw integriteit wordt aangetast of uw inzet zo zuiver was. Want dat was het niet. Ook toen niet. Maar u wordt daar wel terecht boos van, omdat hier een onderscheid wordt gemaakt dat oneigenlijk en vals is. Het betreft het valse onderscheid tussen de kerk als instituut en de kerk als organisme. Als je dat namelijk zó zegt: wij liepen harder voor de kerk dan voor de HERE, dan haal je ‘wij’ en de ‘kerk’ uit elkaar. Alsof het organisme leefde voor het instituut. Zo mag je de belijdenis van de kérk niet aan je eigen beoordeling ondergeschikt maken. Dat is het eerste dat ik er graag van zeggen wil.
En de tweede opmerking hierover betreft het valse onderscheid tussen de kerk en de gemeenschap der heiligen (vraag en antwoord 54 en 55 HC). Dat onderscheid wordt vandaag de dag in de praktijk ook nogal eens gemaakt. En ook dat is onzuiver. Want dat leidt tot de dwaze gedachte, dat de kerk er minder toe doet, als er maar gemeenschap gevonden wordt. Ook dat raakt de belijdenis van wie wij mogen zijn: de kerk van onze Here Jezus Christus. Meer nog, dat raakt wat de Schrift zelf ons leert over de gemeente, als het lichaam van Christus (1 Kor. 12, 31). In Hem heeft, viert en beleeft de kerk de gemeenschap. Die twee horen bij elkaar.
Ik zou haast zeggen: dat komt er nou van, als je de geschiedenis van de kerk – volk van God, huis van de HERE – op deze manier gaat beschouwen, beschrijven en kritiseren. Alsof er alleen iets over óns te zeggen valt. Alsof je het niet over Chrístus hebt, als je het over de kerk hebt. De onbekommerde wijze en de woordkeus laten weinig ruimte over voor het respect ten aanzien van het werk van deze Christus.
Dat is niet iets van de laatste jaren. Eind jaren tachtig, begin jaren negentig komen we deze vorm van beschouwing al tegen. De kritiek, eerst nog in voorzichtige vraagstelling, maar later steeds duidelijker en opener, gaat vanaf die jaren proporties aannemen die tot de huidige verwarring in de kerken hebben geleid. Kritiek die vanzelfsprekend waarheidselementen in zich draagt. En toch kritiek, die uiteindelijke ongefundeerd te noemen is. Omdat ze uiteen haalt wat bij elkaar hoort. Omdat ze persoonlijk is. Omdat ze niet in het licht van de Schriften staat, maar in het licht van de persoonlijke ervaring en het persoonlijk verlangen. In het licht – of liever: het donker -  van de postmoderne mens, die niet wil buigen voor het grote verhaal van een ander. Zelfs niet als die Ander als enige met een hoofdletter wordt geschreven. Ik zou het daarom graag om willen keren. Het zijn niet de eerste veertig jaar na de Vrijmaking, die spreken van een ongezond en onschriftuurlijk naar binnen gekeerd zijn. Dat komt pas later. Als zowel de kritiek als ook de voorgestelde veranderingen persoonlijk wordt en sociologisch gekleurd raakt. Tóen werden we pas écht naar binnen gekeerd. Kregen we oog voor onszelf, in plaats van oog voor en gehoorzaamheid aan onze róeping.

Daar ligt het hart van dat valse onderscheid, waar ik het net met u over had. Om nog maar eens een inmiddels wat vergeten hoofdstuk aan te kaarten: in de antithese tussen geloof en ongeloof, heeft de kerk zich haar roeping te herinneren (Efez. 4,1). Zij mag de veelkleurige wijsheid Gods bekend maken. Naar het eeuwig voornemen van God zelf (Efez. 3, 10-11). Zo is zij getuige van de waarheid. Góds bouwwerk is ze. Tot lof en eer van zijn Naam. Hij formeert zijn volk om zijn lof te verkondigen. En brengt haar zo terug bij haar oerplicht: het cultuurmandaat van Genesis 1: 26. Wie over de kerk van het verleden spreekt, heeft het over het werk van de HERE en over haar roeping onder Gods verlossende zegen. Dat vereist niet in de eerste plaats licht van sociologie en psychologie, maar licht van de profetie. Dat het licht daarvan in al ons beschouwen en taxeren tot op de dag van vandaag onder de korenmaat blijft, brengt ons een stukje verder bij de werkelijke oorzaak van de crisis en wijst ook de ernst van de verontrusting aan, waarover zo bagatelliserend en kleinerend gesproken wordt.

Naar binnen (2)
Ik wil daar, in het licht van het voorgaande, nog graag wat meer van zeggen. Want die beschuldiging van kerkisme, van harder lopen voor de kerk dan voor de HERE, van naar binnen gekeerd zijn als een kas waarin het klimaat beheerst wordt, van veroordeling van alles wat niet gereformeerd is, die beschuldiging is wel gemakkelijk gegéven, maar wordt ze ook ontvángen?
Het is vanaf eind jaren tachtig toch het tegengeluid geweest richting al die critici, die de kerk ‘open wilden gooien’ zoals dat heet, die af wilden rekenen met een door hen ervaren subcultuurtje, en op avontuur wilden. Ook dat is overigens niet nieuw. Het volk van de HERE is doorlopend gewaarschuwd voor lonken met de wereld, voor dwaling, voor afgodendienst, voor egocentrisme en individualisme, voor subjectivisme en de hoogmoed, dat ‘wij in onze tijden het wel beter weten’. Micha 6: 8: “Hij heeft u bekendgemaakt o mens, wat goed is en wat de HERE van u vraagt: niet anders dan recht te doen en getrouwheid lief te hebben, en ootmoedig te wandelen met uw God” roept niet alleen de kerk in die dagen terug tot de gehoorzaamheid aan de norm van de HERE. Het is het gebod voor de kerk van álle tijden. Ook van vandaag.

Er is gewaarschuwd. Ik zal u een paar voorbeelden noemen uit de jaargangen van De Reformatie uit het eind van de tachtiger jaren. Ik denk aan de discussie tussen J. Kamphuis en K. Veling, over de functionaliteit van de gereformeerde organisaties en de kerk als gemeenschap der heiligen. Aan de bijdragen van M. te Velde als reactie op J. Klapwijk en - naar later bleek ook - M.E. Hoekzema, over de doelstelling van de catechese.  Een discussie over de vorm en de inhoud van de catechisatie. Aan de waarschuwing van C. Trimp ten aanzien van het charismatisch subjectivisme, het religieus individualisme, het fragmentarisch en biblicistisch bijbelgebruik, die een vervreemding van de gereforméérde traditie bewerken. Aan de evenwichtige wijze van spreken van J. Kamphuis over de prediking. Aan de manier waarop diezelfde professor Kamphuis rustig een is-gelijk-teken zette tussen gereformeerd en katholiek. Ook in die tijd al werd er gesproken over wat we vandaag de discussie over ‘norm en werkelijkheid’ noemen. Toen heette het nog, dat denken vanuit de norm het énige is, dat echt relevant is. Daarvan uitgaan – van die norm dus - heeft te maken met het ootmoedig buigen voor het gezag van de hoge God. En de toen bejaarde ds. C.G. Bos schreef open en eerlijk, dat we echt niet veilig in onze gereformeerde bunker zitten. Hij waarschuwde ernstig voor de zorg voor de geestelijke wapenrusting. En constateerde in die dagen dat er in onze kring maar weinig meer gelezen en gestudeerd werd, om de geesten te beproeven en weerstand te kunnen bieden. Om nog maar een voorbeeld te noemen: over de jeugddiensten en de kindernevendiensten werd gezegd: “Het verbond bepaalt de kerkdienst. Daar horen de kinderen bij! (  ) Nevendiensten, die de ene gemeente zouden uiteenbreken, staan haaks op de grondlijnen van het grote verlossingswerk.” Het ging toen nog om jeugddiensten. En kinder-névendiensten. Laat staan dat er gesproken zou worden over jeugdkérken. Deze voorbeelden kunnen we aanvullen. Maar ik noem ze u eigenlijk alleen maar, om u te laten zien dat al deze onderwerpen 15 à 20 jaar geleden al werden genoemd en van bezorgde waarschuwingen werden voorzien. Terwijl ook toen al werd geprofeteerd, dat vermaan en terechtwijzing meestal niet in goede aarde vallen.

Mochten we het over al die zaken dan niet hebben? Werden die vragen weggeschoven, als zouden ze het gereformeerde bolwerk middels de vráágstelling maar onzeker maken? Werden vragenstellers, omdat de vraag niet gereformeerd was, als niet goed gereformeerd aan de kant gezet? Geen sprake van. Met hoeveel liefde en geduld weten juist scribenten uit de jaren tachtig en begin jaren negentig de gereformeerde leer te wegen, schriftuurlijk te toetsen en dan ook standvastig te handhaven. Het is opvallend dat zij daarbij ook naar búiten keken. Ze schuwden de confrontatie niet. Niet met Christelijke Gereformeerde schrijvers, niet met Gereformeerde Bonders, niet met Nederlands Gereformeerden. Maar ook niet met schrijvers van allerlei andere samenlevingsverbanden. Het ging in die tijd om meer dan alleen theologie. Het ging om het wezen en het zijn van de kerk. Om het getuigenis van Jezus Christus. Om de oerplicht van de cultuuropdracht. Dat was een principiële, een schriftuurlijke keuze. Geen sociologisch bepaalde nestgeur. Geen kas met gesloten ramen. Maar een open, slagvaardig optreden met de voortdurende bereidheid verantwoording af te leggen en doorgaand te reformeren. Het is meer dan verdrietig te noemen dat men vandaag het schriftuurlijk gegeven van deze roeping niet meer meeweegt in wat uiteindelijk dáárom horizontalistische taxaties moeten heten.

Het is in het licht van de kritiek op het verleden juist opvallend te noemen, dat al in het begin van de jaren negentig déze principiële keuze steeds moeilijker naar boven is te halen. Dan neemt de kritiek toe. Komen we in de fase van Kivive, Bij de Tijd, maar ook de openlijke kritiek op de kerk in het blad De Reformatie.
Er wordt in die jaren gesproken – sociologisch gesproken - over de neiging alles overzichtelijk te maken, de werking van de Geest te kanaliseren via het Woord, de grote tekorten in de wekelijkse prediking, de minimale ruimte voor de zusters in de kerk om zich naar eigen identiteit te kunnen laten gelden, de liturgie als ‘sta in de weg’ voor de blijdschap in God, het gesloten karakter van de G-organisaties, het jeugdbeleid en de plaats van de jongeren in de kerk. Er worden pleidooien gehouden voor meer inbreng van gemeenteleden in de wekelijkse eredienst. Met als vaandrager, koploper en ijsbreker het Nederlands Dagblad.
Daarnaast komen de geluiden op van professionalisering, van functionaliteit, van marketing en management. Hoe komen we dán in het vaarwater terecht van ons eigen kringetje, de verkokerde blik. Alles begint zich naar binnen te keren. En de kritiek neemt toe. De toon wordt heftiger: er is iets mis met de prediking in de kerk, de dominees leven zich te weinig in in de hoorder, de regelgeving in de kerk wordt publiek als bovenschriftuurlijk afgedaan, er wordt openlijk afscheid genomen van de gedachte van de antithese in de afweer richting Reformanda, terwijl in diezelfde tijd het amerikaanse evangelicalisme met gejuich wordt begroet. Niet om naar buiten te treden, maar om bínnen de kerk orde op zaken te stellen. En verder gaat het. Deputaatschappen worden ingesteld, voor gemeenteopbouw, voor liturgie, voor appèlzaken. Steeds meer deskundigen worden daarbij ingeschakeld, steeds meer wetenschappen binnengehaald. Ik denk wel te kunnen stellen, dat er sinds de Reformatie geen tijd is geweest waarin de kerk zó met zichzelf bezig is geweest als de afgelopen 10 tot 15 jaar. En dat met afkeer en voorbijzien van het verleden. Inderdaad, dat is niet meer de kerk in de crisis, maar de crisis in de kerk.

Was er in de afgelopen jaren dan niets goeds? Zeker wel. Op verschillende punten is studie nuttig gebleken. We noemen de catechese, de appèlregelingen, het liturgisch beséf. Dat is ook min of meer aangestuurd door scheidende hoogleraren, inmiddels geruime tijd emeriti. Bij hun afscheid, juist aan het begin van deze jaren, hebben ze openlijk aangewezen waar de studie zich de komende tijd op moest concentreren. Zij deden dat in het besef van de gezamenlijke roeping om als kerk van Christus verder te bouwen op het fundament. Zij deden dat waarschijnlijk ook in het vertrouwen en met de verwachting, dat op dát fundament verder gebouwd zou worden. Maar de kerk keerde zich naar binnen. Daar vond ze het vervolgens niet. Vanzelfsprekend vond ze het daar niet.
Maar in plaats van terug te keren naar haar Maker en haar Man, en naar het Woord van zijn genade ging ze het bij anderen zoeken. Amerika, charismatisch gedachtegoed, reorganisatie en revitalisatie werden sleutelwoorden om te breken met een ongewenst verleden. Ook geestelijk kan de kerk bondgenootschappen sluiten met de wereld om haar heen en haar overspel bedrijven. Een wereld die haar graag wil hebben, onder de indruk van haar schatten, de schat van Christus’ bruid. Zo gingen de afgelopen jaren de kamers van het gereformeerde erfgoed als in de tijd van Hizkia open, om maar mee te kunnen met de tijd, met de charismatische klatervreugde, met het moderne management, met de wereld van de wetenschap en de wereldlijke rechtspraak. Om een eerst door kritiek gecreëerde leegte te vullen. Om erbij te horen. Zo heeft – zoals de Schriften dat zo veel aangeven - het gevaar dat de kerk zich uiteindelijk prijsgeeft aan wie haar maar hebben wil vandaag in vergaande interkerkelijkheid gestalte gekregen.

positie
Als de kerk haar roeping vergeet en de antithese verbleekt, dan is zij een prooi voor allerlei wind van leer. Een prooi voor wie brullend zoekt haar te verslinden. Ik meen vooral deze waarschuwing vanavond te moeten laten klinken, broeders en zusters, omdat mij dat toch de sleutel lijkt op al die zaken die tegenover ter discussie staan en met een gemak en bravoure worden opgelost of terzijde geschoven alsof het marginaal mag heten. Waarschuwen lijkt amper vrucht te dragen. Soms krijg je zelfs het gevoel dat het juist het tegendeel bewerkt.

Dat komt mede (en nu kom ik terug op wat ik eerder gezegd heb) omdat ook die wáárschuwingen als verontruste geluiden sociologisch/psychologisch worden geanalyseerd. Zo komt het bijvoorbeeld de laatste tijd tot een analyse, die een driedeling in de kerken laat zien: bevindelijk, confessioneel en charismatisch. Wat ik van dat confessionele denk, dat laat ik nog maar even voor wat het is. Het gaat me nu om die bevindelijke stroming. Daar wordt namelijk de verontrusting in de kerk onder verstaan. En met dat bevindelijke wordt dan kennelijk bedoeld: een bepaald krampachtig vasthouden aan het verleden. Je daarbij veilig voelen. Dat niet los willen laten, omdat je dan niet weet waar je uitkomt.

Nog afgezien van een inhoudelijk oordeel over déze bevindelijkheid: daarmee heb je de problemen – in dit geval de verontrusting - overzichtelijk willen maken en willen kanaliseren. Dat is nou precies wat de gereformeerde kerken uit de jaren veertig tot negentig verweten wordt. Alles in een gesloten systeem opbergen. Dan ben je er maar klaar mee. Is het ook te traceren. Vervolgens ook af te wenden. Want je vraagt je dan eerst af, waar het geluid vandaan komt. Uit die hoek? Nou, laat de honden dan maar blaffen. De trein gaat verder. Het betreft immers maar het geluid van mensen die nog in het verleden willen leven..?  Dat ook dat intussen een schriftuurlijk óórdeel betekent, wordt niet eens meer gezien en erkend. Maar het is het wel.
Zo heb je de mens intussen in een sociologisch kooitje opgeborgen en misschien voelen velen van u zich daar vanavond ook wel in zitten: afgeserveerd, weggeborgen, uitgeschakeld. Ik zou u graag willen oproepen daar maar gauw uit te komen. Niet vanwege uw positie, maar vanwege zo’n houding. Het past niet om in het geweld van dit soort beschouwingen een slachtofferrol aan te nemen. Het past wel om te blijven wie je bent: profeet, priester en koning in het Koninkrijk van God. Om te blijven waarschuwen. Om rustig, overtuigd en aanhoudend de gereformeerde leer uit te dragen. Zoals u geleerd is. Om – om het in andere woorden te zeggen - de crisis te preken. Het oordeel, de scheidingmakende keus voor of tegen Christus. Achter Christus aan te roepen. Blijmoedig. Overtuigd. Vanuit de liefdevolle zorg dat wie déze Christus verlaat, onder het oordeel blijft. De antithese is namelijk niet weg. Die blijft bestaan tot de dag dat de Rechter terugkomt. En tót die dag blijft de kerk spreken, vermanen, waarschuwen en uitnodigen. In de volle gehoorzaamheid aan het Woord van haar Koning.

Rondblik
Waar spreekt de kerk dan over? Waarover hééft de kerk in Christus’ naam te spreken? Wat zijn nu de gevaren die de kerk van binnenuit – door al dat naar binnen gerichte en naar binnen gekeerde gedrag – aanvallen en bedreigen? Laten we het vanavond eens anders vragen. Wat is nu onze troost, onze zekerheid, onze blijmoedigheid? Waar ligt nou de kracht in? Is het niet in Christus, die naar ons toekomt in het kleed van de Schriften? Die ons van zijn Geest geeft, meer dan genoeg? In Christus, die zijn kerk bewaart, onderhoudt en regeert? Die ambtsdragers geeft en kerken elkaar doet zoeken om in ware eenheid – dat is de eenheid in de waarheid -  te vieren en de beleven. Alles wat dat bedreigt, broeders en zusters, dat moet eruit. En ieder die zich daar niet voor wil buigen – voor déze Christus – die breekt de gemeenschap op en snijdt het tafellaken door. Dat gold vroeger. Dat geldt vandaag nog. Want Christus is gisteren en heden dezelfde. Zijn Woord houdt eeuwig stand.

Ik zeg niet alleen u, maar ik zeg het een ieder: volg déze Christus. De Christus der Schriften, die van Hem getuigen als het getuigenis van de Vader en het Woord van de Geest. En een ieder die dat Woord aanrandt, het wetenschappelijk, rationeel of subjectief afbrokkelt en onderwerpt aan menselijk verstand en gevoel, die brengt zichzelf in de crisis. Dan ontstaat er ademnood, omdat wij leven op de adem van Gods stem. Daarbij houden we ons dan voor ogen, dat Gods norm de doorslag geeft. Niet ons schriftverstaan of onze manier van bijbellezen.
In de praktijk zien we deze crisis terug, in de discussies over samenleven tussen mensen van gelijk geslacht, in de wijze waarop over de echtscheiding wordt gesproken en getheologiseerd, in de drang ook, om blijvend door te spreken over vrouw en ambt. Wat wij denken en vinden en overwegen is ook vandaag niet relevant, als het gaat om de gehoorzaamheid aan Góds geboden. Evenmin is het zelfs maar interessant te noemen dat er vragen zijn over de oorsprong van Gods Woord. Mythen en legenden en verhaalconventies wijzen ons de weg niet. Dat doet het Woord van de HERE, zoals het voor ons ligt.
De contextualisering, het lezen van de bijbel in de context van vroeger en nu, mag wel onderwerp zijn van de wetenschap. Elk die daar zijn taak in heeft, mag rekenen op het gebed van de kerken, om in de confrontatie daarmee staande te blijven. Maar aan de geméénte is en blijft het Woord toevertrouwd. Niet aan hoogleraren, aan deskundigen en professionals. Want Christus laat Zijn kerk niet in handen van willekeurige mensen met hun willekeurige inbreng, maar houdt Zijn kerk in eigen hand. Daar waar dat wordt tegengestaan, aangevallen, bedreigd en onder de voet gelopen, daar betrekt de kérk de wacht bij het Woord. En dat houdt ze vast. Altijd en onder alle omstandigheden. Want de kerk staat in de crisis. Ze leeft onder het oordeel. Die positie houdt zij alleen vol, als zij zich bekleedt met de geestelijke wapenrusting. Als zij blijft bij wat haar is toevertrouwd. Als zij leeft vanuit die allesbeslissende vraag: “Maar gij, wie zegt gij dat Ik ben?” En als dat verkramptheid moet heten, vast blijven zitten aan het verleden, dan kruipt de kerk niet weg. Maar dan staat ze op en dan préékt ze de crisis. Dan waarschuwt ze en nodigt ze uit. Roept ze tot bekering, tot verootmoediging, tot terugkeer, tot gesprek als het nodig is. Wie dat gesprek niet wil en dat gesprek voorbijgaat, die brengt zichzélf in de crisis.

Zo dient u de wacht te betrekken. Met alle vrijmoedigheid. Met vastberadenheid. De wacht bij het Woord van de HERE. En van daaruit waaiert het leven dan open. Het kerkelijk leven, waarin zoveel broeders en zusters, onder wie helaas ook voorgangers, er blijk van geven van de door God voorgeschreven weg af te dwalen. Broeders en zusters, die de antithese niet meer verstaan. Dat leidt in de praktijk tot het onheilige compromis van de interkerkelijkheid. Van gemeentestichtende projecten tot aan een avondmaalstafel, waar de keus voor de Chrístus-én-zijn-gemeente niet meer centraal staat. Daar moet de opdracht van Christus om met Hem mee te vergaderen wijken voor de religieuze ik-cultuur. Daar worden de grenzen van de kerk overschreden. En waar de grenzen van de kerk overschreden worden, daar breekt de gemeenschap met Chrístus stuk. Daar breekt de kerk uit de ruimte die Christus bepaald heeft.
Hetzelfde is te zeggen over de jeugdkerken. De jeugd wordt uítgeleid uit het verbondsgezin. Met beroep op de tijd en de geest van de tijd wordt aan jongeren deze gemeenschap met Christus ontzegd. Als in Hamelen dansen zelfs voorgangers voor de kinderen uit, met muziek en dans, om de jeugd vervolgens zonder ambtelijke zorg achter te laten. Zo wordt Christus-en-zijn-gemeente van de jongeren beroofd. Dat heeft met identiteit weinig te maken. Dat is de crísis waar we over spreken. De gemeenschap met onze Here Jezus Christus, één Here, één kerk.

Die verbondenheid met Christus is ook het onderwerp in de discussies over het werk en de Persoon van de Heilige Geest. Het is de gelóófsverbondenheid met de verhoogde Koning. Een geloof, dat door de Heilige Geest gewerkt wordt door de verkondiging van het Woord. Te beginnen bij Mozes legde Christus zelf uit wat in al de Schriften betrekking op Hem had (Lukas 24: 27. 44). Dat doet vervolgens de harten branden (Lukas 24, 32), onderweg al.
De tegenwoordige nadruk op de gaven van de Heilige Geest en de persoonlijke beleving, alsmede de tweedeling van gelovigen enerzijds en gelovigen die met de Geest vervuld zijn anderzijds, brengt niet alleen maar gelovigen in verwarring. Het doet aan de gave en het werk van de verhoogde Chrístus tekort. “Ieder gave die goed, en elk geschenk dat volmaakt is, daalt van boven neer, van de Vader der lichten, bij wie geen verandering is of zweem van ommekeer.”
Daarbij wordt de leer van Pelagius opnieuw uit de diepte van de hel gehaald, als er wordt gesuggereerd dat de Geest een eerste begin van wedergeboorte maakt en de mens het zelf verder moet waarmaken. Een leer, die laatst openlijk naar voren kwam in het congres ‘Levend water’ aan de Theologische Universiteit, maar die al veel langer in de kerken doorwroet en het gereformeerde karakter van de erediensten uitholt. Bezwaren tegen gezangen van deze signatuur worden niet eens meer getoetst en gewogen. Zo is het doperse gedachtegoed diep doorgedrongen. Het brengt de mens dicht bij zichzelf. Bij zijn beleving en ervaring. Maar het leidt van Christus af. Dát is de crisis waarin de mens zichzelf brengt.

Al die vrijheidsdrang van de autonome mens doet de kritiek op de belijdenis toenemen. Er worden weer voorzichtig geluiden gehoord, dat de belijdenis toch uiteindelijk de weerslag is van de religieuze beleving van de kerk in die tijd. Waard om er kennis van te nemen, als een museumstuk. Publiek wordt er door predikanten gezegd, dat we elkaar daaraan niet binden. Ook niet bij de openbare belijdenis! Het gaat immers, zo wordt zonder blikken of blozen gesteld, om de aanvaarding van de Schriften alleen. Nog afgezien van alles wat je over die opmerking ten aanzien van de belijdenis en de kerk als belijdende kerk kunt zeggen: opnieuw is er de willekeur en het gevaar van de subjectiviteit, waarin elke gelovige voor zich maar moet uitmaken wat hij van en in het Woord vindt. De innerlijke overtuiging van ons mensen brengt namelijk niet bíj en ónder het Woord. Ze weekt uiteindelijk lós van het Woord en brengt daarom de mens buiten Christus. Zulke ambtsdragers zijn nog precies dezelfde rondazende wolven in schaapskleren als de collegae van ds. Hendrik de Cock. Zij jagen de kudde weg bij de Goede Herder zelf. Dát is de crisis waarin de mens zichzelf brengt. De crisis, die hij vervolgens de kérken in probeert te brengen.

Hetzelfde geldt voor de trouw aan kerkelijke afspraken. Aan de rusteloze drang om aan de ene kant te centraliseren en aan de andere kant alles maar in de vrijheid van de plaatselijke kerken over te geven. Alsof Christus ons niet geboden heeft op elkaar toe te zien. De eenheid te zoeken. Onszelf te bewaren in de gehoorzaamheid aan het Woord. Wat door de eeuwen heen is geleerd en afgeleerd, wordt nu als traditionalisme aan de kant gezet. En de kerk uit het verleden wordt hoogmoed verweten, omdat ze alles zo regelen wilde. Maar de hoogmoed is juist daar, waar mensen de les van de geschiedenis in de wind slaan en denken het alléén te kunnen vinden. Waar op de leest van de wereld het model van eigen organisatie wordt uitgesneden. Waar de democratische beginselen de christocratie – regering door Christus – overheersen en verdringen. Waar het schriftuurlijk belijden over het ambt voorzichtig wordt opgerekt naar een functioneel ambtsdenken. In alle aandacht voor en nadruk op het ambt als dienst aan de gemeente, wordt over het gezág van het ambt steeds minder gesproken. Zo wordt de ambtsléér uitgehold en is ook op dit punt de zónde uit beeld. “Arglistig is het hart”, zo leert ons de Schrift. Maar de moderne mens weet beter. Hij hoeft zich niet te laten leiden. Hij heeft slechts áánsturing nodig. En dáár scheiden de wegen. Dát is de crisis. Wie zich niet onderwerpt en zich laat beteugelen brengt zichzelf in de crisis. Die mens brengt ook de crisis in de kerk.

Moet ik meer noemen? Er is nog meer. Maar met de bovengenoemde voorbeelden heb ik voldoende aangegeven, waar het wél om begonnen is. Om de crisis. Om het oordeel dat komt over al wat niet in Christus is geweest. Daarom pást de houding van voorgangers principiéél niet, als er gezwegen wordt met een beroep op de tijd en een andere manier van leiding geven. Er wordt gevraagd: geef ons ruimte. Er wordt ook gezegd: de HERE zal wel laten zien waar het op uitloopt. Mijn tegenvraag is: maar heeft de HERE dan niet al láng al laten zien waar het op uitloopt? De kerk rust niet op onderling vertrouwen. Ze gaat niet ten onder aan wantrouwen ook. Als dat de fundamenten van de kerk moeten zijn, dan is die kerk ten dode opgeschreven. De kerk rust op het getuigenis van apostelen en profeten. Op het Woord van de HERE. Gelukkig maar. Want de kerk leeft in de crisis.

Slot
Gereformeerde Kerken waarheen? Dat was de vraag. Het antwoord is niet zo moeilijk. Wij zijn onderweg naar een beter vaderland. Naar de volmaaktheid. De volheid van onze dienst aan de HERE. En elk, die mét ons deze Heiland belijden en volgen wil, hij trekke met ons mee. Wie afdwaalt wordt gewaarschuwd. Teruggeroepen naar de zorg van de Goede Herder zelf. Zo leert ons de liefde van Christus dat. Hij dringt ons daartoe.
Broeders en zusters, dát is onze roeping. En bedenkt u daarbij, dat het een zaak van leven of dood is. De kerk is ons speeltje niet. Niet ons stiltecentrum. Niet onze proefpolder. Ons bedrijf. Ons wetenschapsinstituut. De kerk is Góds tempel, Góds bouwwerk. En die kerk heeft kerk te zijn. Zoals ze geroepen is. In elke tijd weer. Naar het onveranderlijke, onvergankelijke Woord van haar Here en Koning.
Hem mogen we dienen. Dat is het evangelie van Jezus Christus en die gekruisigd. Hem mogen we dienen. En de vreugde daarover, de vrijmoedigheid daartoe en de vastberadenheid daarin blijven we van Hem verwachten. Zo dienen we. Niet anders dan in liefde tot Hem, gehoorzaam aan zijn woord en in een gehoorzame levenswandel. Dat zal tegenstand oproepen. Zelfs in eigen kring. Dat is met de crisis gegeven. Dat zal minachting kweken. Mogelijk vervreemding, verwijdering en zelfs uiteindelijk ook: scheiding. Met alle pijn die ik daarbij heb, zeg ik dan vanavond: het zij zo.  De crisis binnen de kerk, doet ons er pijnlijk van bewust zijn dat de kerk in de crisis staat. Dat moeten we niet ontlopen. Daar mogen we niet voor wegvluchten. Want boven die strijd troont de Christus. De Christus die ons deze vraag stelt: “En gij, wie zegt gij dat Ik ben?”

Dank u wel

 

Nieuws

Boekaankondiging Gelukkig geen mythe - ds. Rob Visser

Boekaankondiging Gelukkig geen mythe - ds. Rob Visser

Als alles goed is zal half september het boek over Genesis 1-11 beschikbaar zijn. De titel is; Gelukkig geen mythe. In dit boek wordt Genesis 1-11 vers voor vers besproken. Deze hoofdstukken zijn... [More...]

Ds. E. Heres - Lucy of Adam

Een andere 'hermeneutische lens' De aanvallen op het scheppingsgeloof dat gebaseerd is op het geopenbaarde Woord van God worden steeds heftiger.  Het boek dat in deze maanden veel aandacht krijgt... [More...]

De ICRC schorst de GKv als lid

De ICRC schorst de GKv als lid

De ICRC (International Conference of Reformed Churches) te Jordan (Ontaria, Canada) heeft vandaag, 17 juli 2017, besloten om de GKv (Gereformeerde kerken vrijgemaakt) als lid te schorsen... [More...]

Di. Alko Driest, Jan Haveman, Pieter Schelling en Aryjan Hendriks...

UPDATE 20-07-2017 Emeritus ds. Alko Driest en ds. Jan Haveman mailden op 13 juli een brief naar alle kerkenraden in Noord-Nederland met de vraag om in ieder geval tot de eerstkomende Generale... [More...]

Referaat ds. H.G. Gunnink d.d. 12 juli 2017

Voorlichting, bijeenkomst Bedum (Maranathakerk, Grotestraat) De bijgevoegde presentatie is zakelijk van opzet. Daarom is het belangrijk om geen moment te vergeten, dat het gaat over voluit... [More...]

Boekbespreking 'HIJ en wij' - van ds. E. Hoogendoorn

In Weerklank - een gereformeerd maandblad uit de GKN - jaargang 5 nr. 3 schreef ds. E. Hoogendoorn onderstaande boekbespreking van 'HIJ en wij' met de ondertitel ‘Oriëntatie in de actuele situatie... [More...]

Onze ervaring tot hermeneutische sleutels geworden - boekbesprekingen...

Update 14/12: Dr. Hans Burger mailde mij dat in onderstaand artikel de weergave van zijn positie zoals hij die in Cruciaal verwoordt, onjuist is. Ik kom daar nog op terug. CGK Prof.dr. H.J.... [More...]

Enquete

Predikanten, ouderlingen en diakenen zijn in belijdende gereformeerde kerken gebonden aan
 

Nieuwsbrief

Naam:

E-mail:

Gereformeerd?

Grondlijnen in de liturgie (Ds.dr. R.D. Anderson)

Op zijn weblog anderson.modelcrafts.eu vonden we een artikel (laatste wijziging 12 september 2012) van ds. Andersen (FRCA) over de grondlijnen van de liturgie. Enkele citaten: Als inleiding wil ik... [More...]

De GKN zetten het gesprek voort met DGK over functioneren fundament...

De GKN hebben op de Generale Synode d.d. 18 maart 2017 besloten om het oriënterende gesprek met DGK voort te zetten. Nu samen met afgevaardigden van DGK op 17 februari jl. is vastgesteld dat alleen... [More...]

Blijdschap over positief gesprek DGK en GKN 17 februari

Positief gesprek geeft openingen!Op 17 februari 2017 hebben afgevaardigden van DGK (De Gereformeerde Kerken) en GKN (Gereformeerde Kerken Nederland) de tot nu toe gevoerde briefwisseling besproken en... [More...]

Betekenis van het besluit van de GKN over het spreken met de DGK -...

Ik wil graag reageren op wat broeder Trip over dit besluit heeft geschreven. Om zo onnodige obstakels en misverstanden die een eigen leven gaan leiden weg te nemen.   Ook om te laten zien dat de... [More...]

GKN willen uitgestoken hand DGK opnieuw onderzoeken

Een zeer teleurstellend bericht bereikte ons zaterdagavond via de nieuwsbrief van eeninwaarheid.info. De Synode van de GKN heeft besloten om de brief van de GKN aan DGK d.d. 12 maart 2016 toe te... [More...]

De zekerheid van het geloof vs Westminster studie deputaten BBK DGK

In 2014 hebben deputaten BBK (Betrekkingen Buitenlandse Kerken) opdracht gekregen van De Gereformeerde Kerken (DGK) i.c. van de Generale Synode Hasselt 2010-2011 om grondig studie te verrichten... [More...]

Presbyterianisme en de toegang tot het Heilig Avondmaal versus Westminster meerderheidsrapport BBK DGK

Presbyterianisme en de toegang tot het Heilig Avondmaal versus...

. Ds. Bredenhof - sinds maanden een pastor van de FRCA, Tasmania, Australia - is nog steeds bezig om zich in te werken in de Australische context. Onlangs las hij een autobiografie van J. Graham... [More...]

Ketter!

Ketter!

Dr. Wes Bredenhof, predikant van de Australische Gereformeerde Kerken (Launceston, Tasmania), is meer dan eens voor ketter uitgemaakt! Nee, niet door Rooms Katholieken of Moslims, maar... [More...]

De Westminster is een voluit gereformeerd belijdenisgeschrift - deel 2 (1944-1990)

De Westminster is een voluit gereformeerd belijdenisgeschrift - deel...

Versie -16/11: Toegevoegd: deputatenrapport 1967 beoordeling Westminster Confessie door ds. P. van Gurp en ds. C. Stam. PS: Ik heb wel alle Reformatie jaargangen, maar niet het blad Dienst 1957 nr.... [More...]

De Westminster is een voluit gereformeerd belijdenisgeschrift - deel 1 (1834-1944)

De Westminster is een voluit gereformeerd belijdenisgeschrift - deel...

Professor P. Biesterveld die al op 31 jarige leeftijd hoogleraar werd aan de Theologische School in Kampen (1894) en vanaf 1902 aan de Vrije Universiteit te Amsterdam heeft uitvoerig de... [More...]