Werken aan eenheid

van gereformeerde - 3FvE of WS - kerken en groepen in Nederland e.o.

  • Vergroot lettergrootte
  • Standaard lettergrootte
  • Verklein lettergrootte
Home Artikelen Archief Kerkscheuring Zwolle dec. 2009 Kerkenraad DGK (hersteld) Zwolle e.o.: Weerlegging van de fundamentele, diep ingrijpende beschuldigingen, gericht aan het adres van de kerk van de Heere Jezus Christus te Zwolle e.o.; ernstige oproep tot bezinning en wederkeer

Kerkenraad DGK (hersteld) Zwolle e.o.: Weerlegging van de fundamentele, diep ingrijpende beschuldigingen, gericht aan het adres van de kerk van de Heere Jezus Christus te Zwolle e.o.; ernstige oproep tot bezinning en wederkeer

E-mailadres Afdrukken PDF
Gebruikerswaardering: / 0
LaagsteHoogste 

Klik hier voor het goed leesbare originele document.

WEERLEGGING
van de fundamentele,
diep ingrijpende beschuldigingen,
gericht aan het adres van de kerk
van de Heere Jezus Christus
te Zwolle e.o.;
ernstige oproep tot
bezinning en wederkeer
* * * * * *
Uitgave onder verantwoordelijkheid van de kerkenraad
van De Gereformeerde Kerk (hersteld) te Zwolle e.o.
m.m.v.
A. Admiraal,
A. van Egmond
en dr. P. van Gurp
Mei 2011
2
3
1 INLEIDING
In december 2009 vond in De Gereformeerde Kerk te Zwolle een diep
ingrijpende kerkscheuring plaats. Toen vijf ambtsdragers door de
kerkenraad een voorlopige schorsing kregen opgelegd op grond van
scheurmakerij en woordbreuk, riepen zij zonder kerkelijk appel, de dag
daarop de gemeente op om zich af te scheiden van haar kerkenraad.
Reeds vanaf de daarop volgende dag - zondag 13 december – hielden
zij met degenen die hen volgden, eigen diensten in het gebouw De
Vijverhoeve.
In juli 2010 werd door hen een brochure uitgegeven onder de titel De
reformatie van de kerk en het Evangelie van vrije genade. Hierin werd
principiële verantwoording afgelegd van de stap die zij in december 2009
hadden gezet en waarvan zij ondanks intensieve oproepen tot op heden
niet zijn teruggekomen.
In deze brochure van de Vijverhoeve-gemeenschap wordt voor het eerst
openlijk tegen De Gereformeerde Kerk te Zwolle e.o. het evangelie in
geding gebracht en wel ‘het evangelie van vrije genade’.
In het stuk dat eerder ten tijde van de scheuring door de later geschorste
ambtsdragers in de gemeente te Zwolle was verspreid (Verklaring en
oproep aan de Zwolse kerkenraad, d.d. 12 december 2009), werd
hiervan opvallend genoeg geen melding gemaakt.
Nu vormt deze beschuldiging in deze later verschenen brochure echter
de belangrijkste basis voor een verdediging van de scheuring.
Deze beschuldiging betreft echter een zaak die zo fundamenteel is dat
zij als zaak inderdaad kerkscheidend is.
Dat geldt niet alleen aan de kant van de afgescheidenen - wij zullen
moeten concluderen dat het inderdaad niet alleen maar ging om
toepassen van kerkrechtelijke regels en eenzijdigheden in opvattingen,
maar dat wij moeten zeggen: u bent van een andere geest.
als u een andere geest ontvangt dan die u ontvangen hebt, of een ander
Evangelie, dat u niet aangenomen hebt, dan verdraagt u dat best.
(2 Kor.11: 4, HSV)
Onder dit aspect zullen wij de bovengenoemde brochure bespreken.
Vervolgens is het nodig gebleken de weergave van allerlei feitelijke
zaken te corrigeren.
4
Het is de wens van de kerkenraad dat de lezers van deze
WEERLEGGING zich door het een en ander een geheel ander beeld
zullen vormen van de feitelijke toedracht dan is voorgeschilderd door de
Vijverhoeve-gemeenschap.
De kerkenraad spreekt zijn erkentenis uit aan de broeders die zich
ingezet hebben voor het tot stand brengen van deze uitgave: de
broeders kerkvisitatoren A. Admiraal en A. van Egmond en in het
bijzonder dr. P. van Gurp.
Zwolle, mei 2011
De kerkenraad van De Gereformeerde Kerk (hersteld) te Zwolle e.o.
5
2 OM HET EVANGELIE VAN VRIJE GENADE
2.1 Ingegraven
Wat bewoog de broeders en zusters toch om op zo korte termijn
afscheid te nemen van de ambtsdragers die over hen gesteld waren?
Hoe kon het toch zo ver komen dat zij zich op stel en sprong onttrokken
aan opzicht en tucht van de kerkenraad en dat bij vrijwel allen zonder
zelfs maar verantwoording af te leggen aan de kerkenraad? Zonder van
hun Vrijmaking rekenschap af te leggen? Terwijl velen van hen het zo
moeilijk hebben gehad met hun Vrijmaking van de Gereformeerde
kerken vrijgemaakt en daar veel tijd voor nodig hadden. Zou de afval
binnen De Gereformeerde Kerken zoveel zwaarder zijn dat er beslist niet
gewacht kon worden?
Het verhaal over wat aan hun vertrek vooraf ging laat zien dat de
betrokken ambtsdragers zich steeds verder en dieper hebben
ingegraven in hun loopgraven. Dat ze niet meer open stonden voor
redelijke argumenten, maar gevangen zaten in hun eigen ideeën.
Hoe kwam dat? Wat is de achtergrond? Wat is daarvan het ene leidende
motief?
Het wordt in hun brochure uiteengezet. Het ging om niets minder dan het
evangelie van vrije genade.
2.2 Bij nader inzien
Het is een winst dat de samenstellers van deze brochure een poging
hebben ondernomen om de diepste oorzaak van de verwijdering tussen
broeders van hetzelfde huis onder woorden te brengen. Ons passeert
een bonte stoet van kwesties en conflicten.
Blijkbaar is pas achteraf aan hen duidelijk geworden dat de ene grote
oorzaak van de door hen beweerde deformatie van de kerk te Zwolle zou
zijn het loslaten van het evangelie van vrije genade.
En dat niet alleen in dit conflict, maar zelfs al bij de vrijmaking van 2003,
toen degenen die zich toen vrijmaakten niet onderkend hebben dat het
om dit evangelie ging. En dat dit gemis aan onderscheiding doorgewerkt
heeft in de ontstane ontwikkelingen sindsdien.
Deze overtuiging is een diagnose die nu pas in de brochure openlijk
wordt gepresenteerd.
Wel is de materie al eens aan de orde geweest op de kerkenraadsvergaderingen
en in een besloten vergadering in den lande, maar niet
6
als verantwoording van hun scheuring. Niet naar de kerkenraad toe en
niet naar de gemeente toe. Maar nogmaals: het is winst dat de
voormalige ambtsdragers de zaak nu zo openlijk presenteren.
Daarom zullen wij in het vervolg hun daden vanuit hun eigen opvatting
verklaren.
Inderdaad hangen hier allerlei zaken, die in hun verantwoording aan de
orde komen, mee samen: hun visie op de kerk, hun opvatting over de
kerkgrenzen, hun beoordeling van de meerdere vergaderingen, hun
uitleg en toepassing van art. 31 KO, hun kritiek op de prediking enz.
Achteraf wordt ons hier getoond de rode draad die door al hun daden en
woorden en verklaringen heen loopt.
Wel een rode draad! Immers, als nu eens blijkt dat die visie over de
grondoorzaak van alle moeite, als zou die gelegen zijn in het niet blijven
bij het evangelie van vrije genade, ja zelfs in het daartegen ingaan - als
die visie nu eens niet overeenkomstig de werkelijkheid is, dan stort het
hele gebouw van hun zelfrechtvaardiging als een kaartenhuis ineen.
2.3 Lutherse dwaalwegen
Het is opmerkelijk dat die karakterisering van de kerkreformatie als in de
titel van de Vijverhoeve-brochure geïllustreerd wordt door een citaat van
dr. H.F. Kohlbrugge en daarmee teruggaat op Luther.
Het was Maarten Luther, die het sola fide, sola gratia (alleen door het
geloof, alleen door genade) en het evangelie van vrije genade uitdroeg.
Wij zijn het ermee eens dat dit nog altijd een reden is tot grote
dankbaarheid. Maar dan horen wij in de brochure zomaar ineens in
enkele regels dat het om díe belijdenis ging in de Afscheiding, Doleantie,
Vrijmaking 1944, Vrijmaking 2003. Reformatie is dan ook, zo wordt
gesteld, allereerst de
overtuiging van eigen schuld, verlorenheid en onmacht om onszelf te
verlossen. Het begint bij een hernieuwde en doorleefde overtuiging, dat wij
van onszelf moeten afzien en onze toevlucht moeten nemen tot Jezus
Christus, onze Verlosser en dat wij alleen door het geloof als zondaars
gerechtvaardigd worden', pag. 9.
Een nieuwe visie op de kerkgeschiedenis – we komen er nog op terug.
7
In het kader van deze WEERLEGGING is het nodig te wijzen op twee
dwalingen van Luther. Die betreffen zijn visie op de kerk en op de
heiligmaking.
Van Luther is bekend, dat hij niet veel gaf om de inrichting van de kerk
en de wijze van kerkregering. Volgens hem regeert Christus Zijn kerk
alleen door het predikambt, als slechts het evangelie van vrije genade
maar onverhinderd kan worden verkondigd. En overal, waar dit
evangelie van vrije genade verkondigd wordt, is volgens hem de kerk.
Het tweede betreft zijn visie op de heiligmaking. Luther legde zoveel
nadruk op de rechtvaardigmaking dat er nauwelijks plaats was voor de
heiligmaking. Dat ging zó ver dat hij niet kon instemmen met de
boodschap van Jakobus:
Is Abraham, onze vader, niet uit de werken gerechtvaardigd, toen hij Izaäk,
zijn zoon, op het altaar offerde? Ziet u wel dat het geloof samenwerkte met
zijn werken en dat door de werken het geloof volmaakt is geworden? Jak. 2:
21-22. HSV
Hij was van oordeel dat Jakobus dat 'in waanzin geschreven had'. En hij
zei van die brief van Jakobus dat het een 'strooien brief’ was. Wij echter
blijven geloven dat ook deze woorden voluit geïnspireerd werden door
de Heilige Geest, Dezelfde Die de apostel Paulus deed schrijven dat de
mens door het geloof gerechtvaardigd wordt.
Dat in de aangehaalde tekst van het geloof gezegd wordt, dat het
samenwerkt met de werken, betekent dat geloof en werken
onafscheidelijk samengaan. En dat het geloof door de werken volmaakt
is geworden, betekent dat het niet volledig is uitgegroeid als er geen
werken zijn, want die horen erbij.
De Heere Jezus Christus roept ons dan ook op volmaakt te zijn, dat
betekent de HEERE te dienen met een ongedeeld hart, Matt. 5: 48. Tot
de rijke jongeman zei Hij: als u volmaakt wilt zijn, verkoop dan alles wat
u hebt, geef dat aan de armen en volg Mij. Alleen op die manier mocht
hij discipel worden! Matt. 19: 20.
De HEERE leert ons dus dat ons geloof tot de ‘volmaaktheid’ komt door
de werken. Dat betekent overigens niet dat wij tot de volkomenheid
mogen komen zonder smet en gebrek, dat gebeurt pas op de jongste
dag.
Het is juist onze heiligmaking in Christus, het doen van goede werken,
het gehoorzaam zijn aan de geboden van de HEERE, dat ons in Christus
'volmaakt' doet zijn en dat de eenheid bewerkt. Daar heeft de Heiland
om gebeden, Joh. 17.
8
2.4 Kohlbrugge
Omdat zowel de kerkvisie als die van de heiligmaking en de prediking
van Gods geboden in de Vijverhoeve-brochure voorop worden gesteld
door een citaat van H.F. Kohlbrugge is het nodig daartoe dieper in te
gaan op diens theologie.
Van Kohlbrugge is bekend dat hij oorspronkelijk lid was van de Lutherse
kerk. Later wilde hij hervormd worden, maar werd van het lidmaatschap
van de Nederlandse Hervormde Kerk afgehouden. Dat gebeurde in de
tijd van de Afscheiding. Maar hij sloot zich toen niet aan bij de
afgescheidenen. In feite bij geen enkel kerkverband: hij werd predikant
van een vrije onafhankelijke kerk in Duitsland, in Elberfeld. Toen hij later
teruggekeerd was naar Nederland preekte hij als onafhankelijk predikant
overal, waar hij maar uitgenodigd werd. Hij bleef zijn leven lang onder de
sterke invloed van de twee bovengenoemde Lutherse dwalingen die
telkens weer zijn denken over de heiligmaking en de kerk bepaalden.
Kohlbrugge verwiep Luthers kritiek op de brief van Jakobus en
handhaafde haar ten volle als door God ingegeven. Maar als hij zich
zette tot de verklaring van enkele kernteksten uit die brief wordt het wel
duidelijk dat hij vastzat in de lutherse dwalingen.
Uiteindelijk wist hij toch niet goed weg met de wet. Hij wist alleen te
spreken over de wet van de vrijheid, Jak. 1: 25; 2: 11. En het gebod om
de leden die op de aarde zijn te doden, verklaart hij zo: houd het er voor
dat ze dood zijn, Kol. 3: 5.
In verschillende gezaghebbende theologische publicaties is geargumenteerd
aangewezen, dat hij de wet als regel van het leven niet tot haar
recht doet komen. Hij schrijft zelfs in 1880 aan I. da Costa, dat over de
heiligmaking als een bijzonder stuk na de leer van de rechtvaardiging
door Christus in de Schrift niets te vinden is!
Hier volgen enkele voorbeelden daarvan uit zijn Schriftverklaringen, in 24
delen uitgegeven door de Protestantse Periodieke Pers, Berkel, 1970-
1974. Een duidelijke tekst voor de betekenis van de goede werken is
Jak. 2: 24:
U ziet dus nu dat een mens uit werken gerechtvaardigd wordt en niet alleen
uit geloof. HSV
Deze wordt door Kohlbrugge zo uitgelegd dat we daardoor onderwezen
zouden worden om onze zonden te kennen en te belijden. Daar blijft het
9
bij. Hij vraagt dan: heeft zulk een bekeerde mens goede werken? En op
merkwaardige wijze antwoordt hij eerst duidelijk en categorisch: neen.
Om er dan aan toe te voegen: hij wéét niet dat hij ze heeft, maar God
ziet ze wel. Dat moet dan het 'zien' zijn in deze tekst (‘u ziet dus…’).
Een andere moeilijk door Kohlbrugge uit te leggen tekst is Jak. 2: 22:
Ziet u wel dat het geloof samenwerkte met zijn werken en dat door de
werken het geloof volmaakt is geworden? HSV
Dat zou volgens hem betekenen dat God de mens zo ziet. Die zegt
alleen maar: ik ellendig mens, verder komt hij niet. Maar God zegt: u
bent gerechtvaardigd door Christus.
Bij zijn verklaring van Rom.7: 24 horen we over vers 25 (na de woorden
‘ik ellendig mens’ de geloofsuitspraak ‘ik dank God door Jezus Christus’)
nauwelijks iets over de verlossing van de zonde en de door Hem
geschonken heiligmaking. Toch is die dank de inleiding tot het hele rijke
hoofdstuk 8 over het leven door de Geest en de eerstelingen van de
Geest.
Dat de mens zelf wel zijn goede werken ziet, is volgens Kohlbrugge dan
ook onmogelijk. Toch zegt de door hem zo hoog geprezen Heidelbergse
Catechismus, dat de uitwerking van onze goede werken mag zijn, dat wij
uit de vruchten van ons geloof zeker mogen zijn, antw. 96. Maar bij
Kohlbrugge laat dit bij zijn uitleg van deze plaats weg.
In zijn verklaring van het werk van Heilige Geest noemt hij als vrucht van
de Geest dat Hij de gelovigen bindt aan het evangelie van Gods vrije
genade, zonder de werken. Dat zouden volgens hem dan de vruchten
zijn van het ingeplant zijn in de wijnstok Christus.
Ook die andere lutherse dwalingen inzake de kerk zien bij Kohlbrugge
terug. Hij roept uit dat het de prediking van het evangelie van vrije
genade is die overal in de wereld plaatsvindt en dat daar de kerk van
Christus is. Dat zou de eenheid van de gelovigen zijn, ook al zijn zij
verspreid over allerlei kerken. Maar Christus heeft ons geleerd waarin
die eenheid gevonden wordt:
En de heerlijkheid, die Gij Mij gegeven hebt, heb Ik hun gegeven, opdat zij
één zijn, gelijk Wij één zijn: Ik in hen en Gij in Mij, dat zij volmaakt zijn tot
één, opdat de wereld erkenne, dat Gij Mij gezonden hebt, en dat Gij hen
liefgehad hebt, gelijk Gij Mij liefgehad hebt, Joh. 17: 22-23.
Die bestaat toch in het doen van de geboden van Christus met een
ongedeeld hart, zie ook Matt. 28: 19; Openb. 12: 14;14: 12. Daarom
10
worden ook de tien geboden elke zondag in de kerk voorgelezen.
Daarom is het dat God ons de tien geboden scherp laat prediken,
Heidelbergse Catechismus, zondag 44.
Deze twee Lutherse zaken, namelijk de opvatting over de kerk en over
de heiligmaking, hebben blijkbaar de overtuigingen van de broeders, die
deze brochure hebben uitgegeven, gestempeld met betrekking tot de
gehoorzaamheid van het geloof en hun ruime opvatting over de kerk.
Daarom werkt de beschuldiging, als zouden wij geen oog gehad hebben
voor het evangelie van vrije genade, als een pijl, die terugkomt. Hun
wanbegrip over dat evangelie van vrije genade blijkt nu hen te hebben
geleid op dwaze wegen.
2.5 De ondergrondse veenbrand
Hoewel de vijf voormalige ambtsdragers binnen de kerkenraad van
Zwolle zich dat vermoedelijk niet bewust waren, was hun kritiek op de
prediking, hun weigering zich volgens de kerkelijke regels te gedragen
en hun afkeer van het Schriftuurlijk overeenkomstig de belijdenis
spreken over de kerk een gevolg van hun gevangen zitten in de
dwalingen van onder andere Kohlbrugge.
Waarschijnlijk is hun dat pas later duidelijk geworden en hebben zij het
daarom in hun brochure ook zo geduid. Het is de oude zonde van de
eigenwilligheid, die als een ondergrondse veenbrand in de kerkenraad
en in de gemeente woedde totdat eindelijk de vlammen er uit sloegen.
Uitgaande van het hierboven kort aangegeven gedachtegoed van
Kohlbrugge waaraan de heengegane broeders zich hebben verbonden,
geven we hier in het kort weer hoe dit doorwerkt in de visie op de
prediking, de doorgaande reformatie, de wet en de kerk. Dit zal later
breder aan de orde komen:
- de prediking: het kritiek blijven oefenen op prediking van Gods
geboden en over de heiligmaking;
- de doorgaande reformatie: komt in feite niet meer aan de orde,
wanneer de gelovige niet verder komt dan het: ik, ellendig mens!
- de wet: wanneer in de prediking van Gods geboden wordt
opgeroepen naar Gods wet te leven meent men dat dit een zekere
eigen gerechtigheid en zelfrechtvaardiging inhoudt. Daarbij vergeet
11
men de Schriftuurlijke waarheid dat Christus ons uit genade door Zijn
Geest naar Zijn evenbeeld vernieuwt, zodat wij mogen ervaren de
vrijheid van het gehoorzaam zijn aan de wet;
- de kerk: de afkeer van de Schriftuurlijke taal inzake de ware en de
valse kerk en van Gods geboden inzake de kerk en het zich voegen
bij de ware kerk.
Met name betreft dit de dwaling dat de kerk in feite overal zou zijn
waar het evangelie van vrije genade gepredikt wordt. Een dwaling
die Gods gebod inzake de reformatie van de kerk en het zich voegen
bij de kerk krachteloos maakt. Die dwaling is wereldwijd verbreid
over alle tijden. Zij is immers nog altijd een dochter van de
moederzonde in het paradijs, waar de mens zelf wilde beslissen over
goed en kwaad, de zonde van de eigenwilligheid.
Bij verschillende presbyteriaanse kerken in onze tijd treedt deze
dwaling nog heel duidelijk aan het licht doordat men daar stelt dat de
kerk overal te vinden is waar het evangelie van de rechtvaardiging
uit het geloof zonder de werken gepredikt wordt. Daar vindt men de
kerk, ongeacht de vraag of Gods gebod inzake de kerk
gehoorzaamd wordt. Die dwaling heeft in die kerken geleid tot een
open avondmaalstafel en een open kansel – dat kan ook niet anders.
Opmerkelijk is verder dat in het barthianisme, dat in onze tijd weer in
opkomst is, de realiteit van de heiligmaking en van het leven als christen
afgewezen wordt.
2.6 Een belijdenis op een stuivertje
Om dit alles verder te verduidelijken gaan we nu in op wat in de brochure
onder 1.3 gegeven wordt als een samenvatting van de gereformeerde
leer. Daar komt verder duidelijk uit waarin de daarin beschreven
opvattingen afwijken van Schrift en belijdenis. In die samenvatting
worden de artikelen van de Nederlandse Geloofsbelijdenis verkort
weergegeven. Zij schrijven dat dat de belangrijke punten van de
gereformeerde leer zijn.
In een korte samenvatting van de geloofsbelijdenis is het uiteraard van
belang om de kern ervan weer te geven en dat wat men minder
belangrijk vindt weg te laten.
Het is ontdekkend om te zien hoe in de brochure de belijdenis op hun
eigen manier wordt samengevat. De eerste artikelen van de
Nederlandse Geloofsbelijdenis over God, de schepping en onderhouding
12
van de wereld, de mens en de zondeval worden samengevat in drie
korte paragrafen. De belangrijke artikelen over de openbaring van God
(2-7), totaal zes artikelen, worden in één korte paragraaf weergegeven.
Maar dan komt verder nog een opmerkelijke beperking. Over het werk
van Christus lezen wij in een korte paragraaf van zes regels wat de
Nederlandse Geloofsbelijdenis in 10 artikelen belijdt!
Het past uiteraard in het schema van de verkorting van de inhoud van
het evangelie tot alleen de ‘vrije genade’ dat het werk van Christus in de
heiligmaking niet genoemd wordt. En al evenzeer dat bij de vermelding
van het werk van de Heilige Geest de zes artikelen over de kerk niet
genoemd worden. En dat terwijl zelfs de hele korte samenvatting van
ons geloof in de apostolische geloofsbelijdenis als eerste van het werk
van de Heilige Geest belijdt: ik geloof een heilige, algemene, christelijke
kerk.
Dan volgt nog een paragraaf over 'het einde van de wereld' en ten slotte
een paragraaf over het verbond. Daarin wordt alleen gesproken over de
beloften van het verbond en totaal niets over de eis van het verbond.
Alleen dat de Heilige Geest het geloof in de belofte van het verbond
bewerkt, maar de belijdenis dat Hij het is Die onze heiligmaking bewerkt,
ontbreekt.
De richting die in dit eerste deel gewezen wordt en waarin de
afgescheidenen voortaan geleid zullen worden, is een eenzijdige
prediking van alleen een versmalde verlossing. Een evangelie van vrije
genade - maar wel van ‘incomplete genade’ oftewel een halve waarheid!
Immers geloof zonder werken is een dood geloof.
13
3. DEFORMATIE – REFORMATIE eerste deel
3.1 Om Woord en kerk – de voorgeschiedenis 1944
Om de Vrijmaking van 2003 te begrijpen bespreekt de Vijverhoevebrochure
de aanloop tot deze reformatie. Zij gaat daartoe terug naar het
verleden, namelijk het jaar 1993.
Om de ontwikkelingen in de kerk van onze tijd te begrijpen moeten wij
inderdaad terug naar het verleden. In het verleden ligt immers het heden.
Dat geldt vooral voor de kerkgeschiedenis, want dat is de geschiedenis
van het werken van de HEERE. Hij heeft ons daarom in Zijn Woord
bevolen om aan de volgende generaties Gods roemrijke daden en de
wonderen die Hij gedaan heeft, te vertellen.
Zo was het onder Israël van ouds af. Wat zijn er niet een gedenktekenen
opgericht, wat waren er niet talloze gelegenheden om over de grote
daden van de HEERE te spreken en die te gedenken!
Wij willen verder teruggaan dan de brochure doet, namelijk naar de jaren
dertig van de vorige eeuw. Want daar ligt de wortel van de Vrijmaking in
1944, die op haar beurt weer bepalend was voor de Vrijmaking van
2003.
Het komt er kort gezegd hierop neer:
- in de jaren dertig kwam er een reformatorische beweging op gang
waarin dr. K. Schilder de voornaamste figuur was;
- in de veertiger jaren probeerde de leiding van de Gereformeerde
kerken die beweging een halt toe te roepen. Door de vrijmaking in
1944 zorgde de HEERE ervoor dat die reformatorische beweging toch
weer doorgang kreeg in de Gereformeerde kerken vrijgemaakt, zodat
de zegenrijke invloed ervan tot volle ontplooiing kwam;
- na de droevige scheuring in de zestiger jaren, waardoor de kerkenbuiten-
verband (Nederlands Gereformeerde kerken) ontstonden,
zorgde de HEERE ervoor door middel van verschillende synodes dat
de zegen van die doorgaande reformatie niet verspeeld werd, maar
doorwerkte in Zijn kerk;
- toch stond er niet lang daarna weer een geslacht op dat opnieuw zich
ging verzetten tegen die doorgaande reformatie. Dat gebeurde begin
jaren tachtig.
Het ging dus steeds weer om de reformatorische beweging van de jaren
dertig, die op haar beurt teruggreep op de reformaties in het verleden: de
14
grote Reformatie van 1517 en volgende jaren, de Afscheiding en
Doleantie van 1834 en 1886.
Het leidend beginsel in al die reformaties was: terug naar Schrift en
belijdenis. Het kan nog nader omschreven worden als: om Woord en
kerk.
Het was een radicale beweging, dat wil zeggen terug naar de radix, de
wortel.
Niet alleen de belofte van Gods verbond werd ons weer gepreekt. Ook de
roeping van dat verbond kwam tot ons. Dat was de prediking van de
heiliging van het leven, van de antithese, die heel het leven omvat. De
prediking ook van de antithese tussen de kinderen van de kerk en de
kinderen van de wereld met hun antichristelijke tendensen in het politieke en
sociale leven en het valse eenheidsstreven.
Het Woord van God kwam weer tot heerschappij.
Prof. C. Veenhof karakteriseerde die radicaliteit in zijn Woord Vooraf in de
bundel Om Woord en Kerk deel 1 (Goes 1948) als ‘de profetische oproep tot
absolute gehoorzaamheid aan Gods Woord’.
REFORMANDA 13 december 2006, pag. 519
Het is vooral Schilder geweest die de eenheid van het ware geloof zocht
en opriep om weer ernst te maken met de belijdenis, met name over de
kerk. Zo heeft hij bijvoorbeeld zich verzet tegen een Calvinistenbeweging
en een Calvinistencongres, dat samenbracht wat niet bijeen hoorde. Dat
was in die tijd met name het geval met de zogenaamde kerken in
Hersteld Verband, volgelingen van de afgezette dr. J.G. Geelkerken.
Radicaal – niet alleen maar zèggen: HEERE, HEERE, maar dòen wat Hij
gebiedt, met name in de kerkkeuze. Geen eenheid boven
geloofsverdeeldheid zoeken.
De Vrijmaking van 1944 bewerkte de voortgang van die reformatorische
beweging. Die stempelde het hele leven. Vanuit de kerk en de bediening
van de verzoening daar, vanuit die krachtcentrale, werd het hele leven
doortrokken van het leven in het verbond.
Toen heeft de HEERE er voor gezorgd dat de vastheid van Zijn verbond en
woorden weer gepredikt werd. Dat de mensen daardoor mochten leren Zijn
verbond en woorden als hun schatten gade te slaan.
Tegenover alle twijfel en onzekerheid: radicaal terug naar de wortel van de
vastheid in ons leven. Dat is de vastheid van Gods verbond
Wij mochten kerk blijven. We zagen weer dat we als levende leden van de
kerk in onze goede werken overal de stijl van de ware kerk laten zien.
15
Belangrijk is slechts, dat we de genade van de Vrijmaking vasthouden als
kerk, en dat ieder die genade steeds meer doortocht verleent in eigen
leven…..
Trouw blijven aan Christus en kiezen voor de ware kerk – nu, we zijn gewaar
geworden, wat dat betekent aan strijd en smaad en nood. Als je dan geen
verwachting hebt, die je door alles heen draagt, ben je verloren.
Dat schreef prof. B. Holwerda in 1947 in zijn De kerk in het eindgericht.
REFORMANDA 1 juni 1994, pag. 260-261.
Door het doen van leeruitspraken en de binding daaraan en door
tuchtmaatregelen probeerde de kerkleiding in toenemende mate, maar
uiteindelijk definitief in 1944, aan die gezegende reformatorische
beweging een halt toe te roepen.
Maar de HEERE zorgde Zelf dat dat plan verijdeld werd en dat er toch
doortocht kwam voor die reformatorische beweging. De Zoon van God
bleef Zijn kerk vergaderen in de eenheid van het ware geloof. Door de
vrijmaking mochten wij kerk blijven. Het werk van de HEERE was niet
tegen te houden.
3.2 Het vervolg tot 2003
Die eerste tijd na 1944 was dan ook een gezegende tijd. Het leven
bloeide op onder de invloed van die reformatorische beweging. Dank zij
grote financiële offers van het kerkvolk kwam het gereformeerd
onderwijs van de grond, zowel het lager als het voortgezet onderwijs.
Het Gereformeerd Politiek Verbond en het Gereformeerd
Maatschappelijk Verbond waren instrumenten om ook op die gebieden te
leven als kerkleden overeenkomstig onze belijdenis en het getuigenis uit
te dragen dat Christus van het hele leven zegt: Mijn!
Deze organisaties putten hun kracht uit de bediening van het Woord in
de kerk en werden breed gedragen door het meeleven en meewerken
van de kerkleden en hun gebed.
Totdat weer de wolken opkwamen en de heldere hemel verduisterd werd
door het wroeten en werken van kerkleden en voorgangers, die geen
oog meer hadden voor het werk van de HEERE. Dat was in de jaren
zestig, toen in verscheidene kerken de eigenwilligheid ten troon werd
verheven. Dat liep uit op een scheuring, waardoor de kerken-buitenverband
ontstonden.
Na die breuk is er een mooie tijd van vrede en opbouw gekomen. De rust
was weergekeerd. Het kerkelijke leven bloeide, de getrouwe prediking
ging voort en rustte Gods volk toe tot zijn taak in kerk en wereld.
16
Totdat opnieuw de satan verslapping bewerkte in de kerk. Dan zijn we
toegekomen aan de voorgeschiedenis van de vrijmaking in 2003.
3.3 De Vrijmaking van 2003 – een vertekend beeld
De Vijverhoeve-brochure neemt haar uitgangspunt in 1993, toen volgens
haar het kerkelijke omkeerpunt in de Gereformeerde kerken vrijgemaakt
kwam, doordat de synode van Ommen het vrouwenkiesrecht in de kerk
invoerde. En verder, zo lezen wij, heeft die synode een studiedeputaatschap
'eredienst' ingesteld, waardoor er allerlei – soms
ingrijpende – liturgische veranderingen plaatsvonden. Dat is volgens de
brochure de aanzet tot de deformatie van de Gereformeerde Kerken
vrijgemaakt geweest.
Wij moeten opmerken dat we hier te doen hebben met een schrale en
oppervlakkige geschiedschrijving. We vragen ons sterk af of men wel de
eigenlijke oorzaken van de deformatie heeft gezien. Heeft men wel oog
voor de doorwerking van de reformatorische beweging, die Schrift en
belijdenis handhaafde inzake Woord en kerk?
De brochure somt een aantal kwesties op, afwijkingen van Schrift en
belijdenis, die door minstens twee opeenvolgende synodes gehandhaafd
zijn, ondanks vele verzoeken om revisie.
Zo noemt zij achtereenvolgens: de onschriftuurlijke gezangen; de
prediking, waar de narratieve methode ingang vond, omdat de hoorder in
beeld moest komen en geëxperimenteerd werd met nieuwe vormen in de
prediking; liturgische veranderingen die de menselijke inbreng
vergrootten; het vierde en zevende gebod werden ter discussie gesteld
en daarmee heel de wet; het Schriftgezag dat in discussie was gekomen
onder meer door een bijdrage van de Kamper docent drs. A.L.Th. de
Bruijne in Woord op schrift.
Er worden nog drie andere voorbeelden genoemd, namelijk het besluit
om niet-kerkleden als gast aan het Heilig avondmaal toe te laten, een
publicatie van dr. J. Douma en de situatie in Kampen-Noord. Maar deze
dateren uit de tijd na 2003 en kunnen dus geen motief zijn voor de
Vrijmaking van 2003.
Dit is dus volgens de leiders van de Vijverhoeve-gemeenschap de basis
van de Vrijmaking 2003: gezangen, liturgie, veranderingen in de vorm
van prediking, vrouwenkiesrecht en de discussie over geboden.
17
Als dit inderdaad de basis moest zijn van zo'n ingrijpende daad als de
vrijmaking, dan kunnen we enigszins de kritiek begrijpen die
tegenwoordig op die Vrijmaking van 2003 wordt geoefend, namelijk dat
die een te smalle basis zou hebben. En dan is het ook beter te begrijpen
dat het voorlopig kerkverband zonder slag of stoot de Vijverhoevegemeenschap
als kerk heeft aanvaard. Met hun kritiek op datgene wat
de werkelijke basis van de Vrijmaking 2003 was blijken ze opgeschoven
te zijn in de richting van ds. E. Hoogendoorn.
Die heeft immers tot het laatste toe getracht zijn plaats als predikant in
de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt terug te krijgen. En toen hij
tenslotte besloot zich aan die kerkgemeenschap te onttrekken was er
van een publieke Vrijmaking van de onschriftuurlijke besluiten van die
gemeenschap niets te horen.
Zo heel anders dan de broeders en zusters van de dolerende
Gereformeerde Kerk in Dalfsen in hun publieke Vrijmaking.
Verder moeten wij stellen dat de kans groot is dat zij die zich alleen op
de bovengenoemde smalle gronden vrijmaakten, zonder oog te hebben
voor de wèrkelijke deformatie van de kerk, op den duur zich zullen stoten
aan de koers van De Gereformeerde Kerken hersteld, een koers die de
radicale terugkeer naar Schrift en belijdenis blijft zoeken: om Woord en
kerk. Tenzij zo iemand, door de geregelde onderwijzing, een beter zicht
krijgt op de kerk en de reformatie van de kerk.
De Vijverhoeve-brochure oefent kritiek op het geschrift Laten wij ons
bekeren en zet een vraagteken achter de inzet van de Vrijmaking 2003
en daarmee achter die hele Vrijmaking. De suggestieve vraag wordt
gesteld of het wel voldoende is als daar gezegd wordt dat de diepste
achtergrond van het verval in de kerken is dat de gehoorzaamheid aan
Gods geboden steeds meer losgelaten wordt.
Nee, zegt deze brochure dan, dat is een te smalle basis. Want, zo meent
men, het gaat tenslotte niet om gehoorzaamheid, maar om geloof.
Daarbij wijst men op de brief aan de Hebreeën, waar geschreven staat
dat de Israëlieten het beloofde land niet konden binnengaan vanwege
hun ongeloof - niet vanwege hun ongehoorzaamheid, pag. 23-28.
Zie ook verder paragraaf 4.2 Gehoorzaamheid – een nieuwe ethiek.
Hier wordt er zomaar overheen gelopen dat in dezelfde brief aan de
Hebreeën duidelijk gesteld wordt dat dit was vanwege hun
ongehoorzaamheid (Hebr. 4: 6,11).
18
Kortom, hier werkt weer door het lutherse uitgangspunt, anders gezegd:
de rechtvaardigmaking ten koste van de heiligmaking als gave van
Christus.
Steeds meer blijkt dat de brochure een kokervisie heeft, waardoor alles
door die ene bril van het lutherse uitgangspunt wordt gezien.
Maar daarmee wordt de kerkgeschiedenis geweld aangedaan. Men sluit
de ogen voor de zegeningen die de HEERE sinds de jaren dertig
gegeven heeft in de doorgang van de reformatorische beweging tot nu
toe. Men heeft geen oog voor de terugkeer naar Schrift en belijdenis
inzake Woord en kerk. Men voelt zich niet geroepen tot dat steeds meer
leven uit die 'volmaaktheid', waar we hierboven op wezen. Dat betekent
het ongedeelde hart in het dienen van de HEERE, dat radicale klimaat
van de woorden van Christus, Die ons nog steeds vermaant: uw ja zij ja
en uw neen neen.
Doordat men de belijdenis over Schrift en kerk niet meer ziet komt men
steeds meer vast te zitten in de strik van de eigenwilligheid. Het was die
eigenwilligheid die bepalend was in de droevige ontwikkeling binnen de
kerkenraad van Zwolle, die tenslotte leidde tot de scheuring
3.4 De werkelijke kerkgeschiedenis
De deformatie van de kerken zette niet pas in 1993 bij de synode van
Ommen in en werd niet gemarkeerd door het daar genomen besluit tot
invoering van het vrouwenkiesrecht, zoals de brochure beweert.
Een duidelijk begin is te vinden in de jaren tachtig. De toenmalige
hoofdredacteur J.P. de Vries schreef op 18 juni 1983 een uitermate
belangrijk artikel over Waar ligt het front?
Dat was al voorafgegaan door de pogingen om van de abonnees van het
Nederlands Dagblad goedkeuring te krijgen voor het voorstel om de
binding aan de kerk los te laten en voortaan ook niet-gereformeerden toe
te laten als medewerkers. Die pogingen werden op verschillende
vergaderingen in den lande door de abonnees met grote meerderheid
afgewezen.
In bovengenoemd artikel wees De Vries op de toenemende
secularisatie. Daartegen strijden wij, maar wij zijn volgens hem niet de
enigen die tegen deze geest uit de afgrond strijden. Hij was van mening
dat we ermee moeten ophouden de mensen van de gereformeerde
gezindte en uit evangelische kringen steeds weer op te roepen tot
19
kerkelijke reformatie en tot het zich bij de kerk voegen, maar dat wij
samen met hen de strijd moeten aangaan tegen de secularisatie.
Het eerder afgewezen plan om de band van het Nederlands Dagblad,
vanouds dochter van de kerk en vrucht van de doorgaande reformatie,
met de kerk losser te maken en om interkerkelijk te worden werd
vervolgens toch door het bestuur en de redactie doorgezet.
Dat werd een niet te stuiten ontwikkeling die er tenslotte toe geleid heeft
dat vandaag het Nederlands Dagblad niet méér is dan een krant die
‘christelijk betrokken’ is en totaal interkerkelijk!
Nu is inderdaad de secularisatie nog steeds een groot kwaad. Maar waar
komt die secularisatie vandaan? Wordt die niet gevoed door de
ongehoorzaamheid van de kerken om de dwaling te weren? De afwijzing
van de reformatie van de kerk, zoals die met name in de Nederlandse
Hervormde kerk (ook door de behoudenden in de Gereformeerd Bond)
en in de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt en de weigering door de
meeste evangelischen om zich bij de kerk te voegen veroorzaakten juist
die secularisatie.
Die politiek van het Nederlands Dagblad en dat artikel over een
‘gemeenschappelijke strijd aan het ene front’ heeft geleid tot een
beweging, waardoor allerlei gereformeerde organisaties op politiek en
maatschappelijk terrein werden opengebroken en hun gereformeerde
karakter prijsgaven ter wille van de 'interkerkelijkheid’.
Eerst sijpelde alleen het grondwater onder de dijk door – het leek
allemaal nog niet zo erg – maar niet lang daarna brak de beschermende
dijk door. Of met een ander beeld: het hek was van de dam, het hek dat
de schapen beschermt tegen rovers en wilde dieren, en de schapen
lopen door het open hek overal heen.
Het hek van de belijdenis werd opengeworpen en toen kwam de vijand
binnen en de schapen werden verstrooid en verscheurd!
De artikelen over de kerk belijden wat Gods Woord in het Oude en
Nieuwe Testament ons leert. Wij moeten van deze deformatie zeggen
dat de theologen voorop liepen.
Het leidende beginsel van de reformatorische beweging om Woord en
kerk, dat tot dan zo zegenrijk gewerkt had, werd hoe langer hoe meer
losgelaten. De belijdenis dat ieder schuldig is zich bij de ware kerk te
voegen werd in feite weggewerkt.
Vandaag krijgen we vanuit het ‘voorlopig kerkverband‘ de kritiek op dit
gereformeerde uitgangspunt te horen: dat is maar één artikel uit de
Nederlandse Geloofsbelijdenis, vergeleken met zoveel meer in dat
belijdenisgeschrift.
20
Vandaar het steeds verder doorwerkend verlies van het kerkbesef en de
toenemende eigenwilligheid in het zich bij een ‘kerk’ voegen, een kerk
naar eigen smaak.
Steeds meer vrijgemaakte kerken gingen plaatselijke samensprekingen
houden met de Christelijke Gereformeerde kerken en ook met
Nederlands Gereformeerde kerken, wat dikwijls leidde tot één
plaatselijke gemeente.
Verder werden de uitspraken van de synodes van Amersfoort-West 1966
-1967 en van Hoogeveen 1969-1970, die vasthielden aan de koers van
de reformatorische beweging, namelijk dat de bedding van het
kerkvergaderend werk van Christus loopt via de Gereformeerde Kerken
vrijgemaakt, als hoogmoedig en achterhaald afgewezen. Dat werkte door
in de prediking en in het uithollen van het gezag van de Heilige Schrift.
3.5 De Schriftkritiek
De achtergrond van al deze treurige ontwikkelingen was het steeds meer
ruimte geven aan de Schriftkritiek.
Tot aan de synode van Arnhem 1981 was de correspondentie met de
Christelijke Gereformeerde Kerken gericht op de in die kerken
voorkomende en getolereerde Schriftkritiek, onder meer die van prof. dr.
B.J. Oosterhoff. Die kerken werden telkens opgeroepen om toch eindelijk
leertucht toe te passen op deze dwaling, tot groot ongenoegen van de
Christelijke Gereformeerde Kerken, die tot op vandaag weigerachtig zijn
gebleven om aan die oproep gehoor te geven.
Toch was dat tolereren van de Schriftkritiek binnen de Christelijke
Gereformeerde Kerken voor verscheidene vrijgemaakt-gereformeerde
kerken en – leiders geen enkele verhindering om de eenheid met de
plaatselijke Christelijke Gereformeerde kerk te zoeken. Zij bleven binnen
het kerkverband aandringen op eenheid met de Christelijke
Gereformeerde Kerken.
Die druk resulteerde tenslotte in synodebesluiten waarin men zich
tenslotte terwille van de eenheid neerlegde bij het door de Christelijke
Gereformeerde kerken toelaten van de dwaling van de Schriftkritiek om
daar verder niet meer op terug te komen.
Diezelfde ontwikkeling deed zich voor met betrekking tot de verhouding
tot de Nederlands Gereformeerde Kerken.
De Schriftkritiek kreeg binnen de opleiding tot de dienst des Woords
gestalte in publicaties van sommige Kamper hoogleraren. Maar vooral
21
ook in verschillende synodebesluiten. Daarvoor noemen wij nu die
inzake het vierde en zevende gebod, besluiten die diep ingrepen in de
prediking over deze geboden.
Die prediking was in veel kerken verworden tot een uiteenzetting van de
gevoelens van de predikant en werd niet langer overeenkomstig de
belijdenis van de kerk gezien als de bediening van de sleutels van het
Koninkrijk der hemelen.
Het was voortaan binnen de kerken toegestaan over Gods geboden te
preken zonder de binding aan de Heilige Schrift.
Dit alles was dus heel wat breder en van veel fundamenteler betekenis
dan wat de Vijverhoeve-brochure schrijft, als zou het alleen maar gaan
om losse kwesties als het ter discussie stellen van de toepassing van
sommige geboden.
3.6 Een vooringenomen standpunt
In heel deze visie werkt het uitgangspunt van de brochure door, als zou
de deformatie van de kerk steeds weer uitsluitend bepaald worden door
het loslaten van het evangelie van vrije genade en als zou de Vrijmaking
2003 een te smalle basis hebben, omdat deze daar geen oog voor had.
Heel deze theorie verhindert het rechte zicht op de werkelijke basis van
de recente vrijmaking.
Maar nog veel belangrijker, deze ongereformeerde en onschriftuurlijke
visie bepaalde de zienswijze van de voormalige ambtsdragers inzake de
kerk, de gehoorzaamheid aan Gods geboden, het omgaan met kerkelijke
besluiten en het karakter van de prediking, ja zelfs inzake de
aanvaarding van het gezag en bewerkte in grote mate hun getoonde
eigenwilligheid. Door deze eigenwilligheid brachten zij alsmaar
onderwerpen op de tafel van de kerkenraad die reeds afgehandeld
waren, waardoor zij de voortgang van het gewone ambtelijke werk
verhinderden.
Ook de goede leiding en adviezen van de kerkvisitatoren konden niet tot
eenheid leiden.
Dat is achtertaf, nu we kennis hebben genomen van het ene
beheersende uitgangspunt van de leiding van de Vijverhoevegemeenschap,
over het evangelie van vrije genade, beter te begrijpen.
Er was zo’n diepgaand verschil in opvattingen dat men hiermee vastliep.
22
Of moeten we zeggen: verschil in geloof? Zou het dan toch, ondanks de
bezwaren van de vijf voormalige ambtsdragers tegen de preek over de
noodzaak van het komen van scheuringen, noodzakelijk zijn geweest dat
ook deze scheuring er kwam?
Dat is wel de brandende vraag als we nu verder het vervolg van de
Vijverhoeve-brochure gaan bespreken. Dat gaat dan over allerlei
plaatselijke ontwikkelingen binnen de kerkenraad van De Gereformeerde
Kerk te Zwolle e.o., waarvan we de achtergrond goed onder ogen
moeten zien en daarbij telkens weer het uitgangspunt van de brochure
moeten betrekken.
23
4. DEFORMATIE – REFORMATIE tweede deel
4.1 Deformatie
Voordat we een begin maken met de bespreking van het hoofdstuk over
de ontwikkelingen binnen de kerkenraad van Zwolle moeten we eerst
goed zicht hebben op wat de broeders bewoog in hun oppositie tegen de
kerkenraad. Dat staat in hun brochure beschreven in het tweede deel
van het hoofdstuk Deformatie en Reformatie onder de titel: Andere
zaken, pag. 29-65, waarin allerlei strijdvragen en kwesties aan de orde
worden gesteld.
Die geven hen blijkbaar voldoende aanleiding om de vraag te stellen:
in hoeverre de meerderheid van de kerkenraad te Zwolle met hun houding
de reformatie van de kerk van 2003 verloochent en de grens passeert van
kerk naar sekte, pag. 105.
Het is voor het eerst dat wij de beschuldiging horen dat wij de Vrijmaking
van 2003 verloochend hebben. Die beschuldiging houdt in dat tegenover
de reformatie bij ons de deformatie is gekomen!
Deze ernstige beschuldiging doet ons denken aan wat in het verleden
gebeurde in de aanloop naar de vrijmaking van 1944 toen tegenover het
reformatorische werken en streven van prof. K. Schilder door dr. V.
Hepp, een theologische hoogleraar aan de Vrije Universiteit, een
brochurereeks werd uitgegeven onder de titel Dreigende deformatie.
Uit wat wij in het voorgaande schreven over deze brochure blijkt duidelijk
dat het juist de vijf voormalige ambtsdragers zijn die de Vrijmaking
verloochenen. Immers, zij vinden de basis van de vrijmaking te smal en
zetten daarom een vraagteken achter die vrijmaking.
Waaruit zou die deformatie bij ons blijken? De schrijvers van de brochure
geven als bewijs voor de beschuldiging van deformatie een overzicht van
enkele huns inziens zorgwekkende ontwikkelingen. De voornaamste
daarvan zijn de volgende:
- het nadruk leggen op gehoorzaamheid in plaats van geloof;
- het adres van de kerk aanwijzen;
- de betekenis van de meerdere vergaderingen;
- het beroep op art. 31 KO;
- het spreken over de kerk;
- de ambtsvisie.
We zullen die nu achtereenvolgens behandelen.
24
4.2 Gehoorzaamheid – een nieuwe ethiek
Het ligt geheel in de lijn van het lutherse uitgangspunt van de brochure,
namelijk inzake de rechtvaardigmaking van de zondaar zonder de
werken, als zou dat richtingbepalend moeten zijn voor de reformatie van
de kerk, dat de brochure dan ook kritiek heeft op de eis tot
gehoorzaamheid aan Gods geboden.
Zij schrijven dan ook dat het nadruk leggen op de verbondseis en het
oproepen tot gehoorzaamheid tekort doet aan het evangelie van vrije
genade. En dat daarin de Vrijmaking van 2003 gefaald heeft.
Zij komen met deze theorieën in de buurt van de moderne ethiek, zoals
deze in de uitspraken van de synode van de Gereformeerde Kerken
vrijgemaakt over huwelijk en echtscheiding richtingbepalend zijn. Daar
wordt immers van de gehoorzaamheid aan Gods geboden gezegd dat
het allereerst aankomt dat mensen leven en werken in de stijl van het
Koninkrijk der hemelen, als navolgers van Christus.
De brochure oefent kritiek uit op enkele passages uit het geschrift uit
2003 Laten wij ons bekeren, dat breedvoerig de zaken van
Schriftverlating aangaf.
Zij geven op pag. 24 uit dat geschift een en ander weer:
In het appèl lezen wij: “Daarom moeten wij ons allen verantwoordelijk weten
voor de oproep om tot een radicale terugkeer te komen naar eerbiedige
gehoorzaamheid aan Gods Woord” (p. 89). Op de pagina's 85 en 86 wordt
een citaat van K. Schilder aangehaald: "Het afgaan van de geboden Gods,
dat klein begint, haast onmerkbaar, maar dat straks eenmaal volgehouden in
z'n consequenties, de kerk meesleurt in de afgrond eer ze het weet, dat is
altijd bij elke neerwaartse gang der kerk de enige oorzaak. En het zien van
dat gebrek en het volhardend strijden daartegen is het enige en eerste
middel om daarvan bevrijd te worden, met een gezelschap dat zich weer
formeren gaat rondom de eenvoudige daad van de simpele voor God
verantwoorde en voor mensen (...) grijpbare gehoorzaamheid”.
Ook volgt een citaat uit het artikel Remedie tegen deformatie in DE
BAZUIN (6 febr. 2008) van de hand van ds. S. de Marie:
Wat is dan wel de oorzaak voor de geconstateerde ontwikkelingen binnen
de GKv? …de oorzaak is dat men de eis van het verbond niet meer
onverkort ging prediken.
Daartegenover stelt de Vijverhoeve-brochure op pag. 25:
In de brief aan de Hebreeën lezen wij dat de Israëlieten het land Kanaän niet
in konden gaan vanwege hun ongeloof. Niet: vanwege hun
25
ongehoorzaamheid, hoewel dat wel aan de orde was. We zien hier dat de
bron, de oorzaak van ongehoorzaamheid, ongeloof is.
Geloven wij dat wij arme zondaars zijn, die alleen door God verlost kunnen
worden?
Opnieuw ontmoeten wij hier de invloed van het lutherse gedachtegoed
inzake de rechtvaardigmaking. Die leidt tot een vooringenomen manier
van uitleg van de Schriften. Steeds weer komt dat oude schema boven:
het gaat allereerst om de rechtvaardigmaking, om het leven uit genade.
Dat blijkt wel uit dit eenzijdig citeren van wat de brief aan de Hebreeën
zegt.
Nu lezen wij daar inderdaad dat de Israëlieten het land niet konden
ingaan vanwege hun ongeloof, Hebr. 3: 19. Maar even goed lezen we in
Hebr. 4:6:
Aangezien nog te wachten is, dat sommigen tot die rust zullen ingaan, en zij,
die het evangelie eerst ontvangen hebben, niet ingegaan zijn wegens hun
ongehoorzaamheid,
en in hoofdstuk 4: 11 lezen we daarna:
Laten wij er dus ernst mede maken om tot die rust in te gaan, opdat
niemand ten val kome door dit voorbeeld van ongehoorzaamheid te volgen.
En dit voorbeeld van ongehoorzaamheid betreft dan diezelfde Israëlieten
die vanwege hun ongeloof het land Kanaän niet in konden gaan.
Verder wordt de zondeval als voorbeeld aangehaald om te bewijzen dat
het schrijven in Laten wij ons bekeren over de oorzaken van deformatie
eenzijdig is geweest, omdat daarin de nadruk gelegd wordt op de
ongehoorzaamheid.
Daartegenover beweren de schrijvers van de Vijverhoeve-brochure over
de zonde in het paradijs:
Toen zij toch toegaven aan de verleidingen van de duivel, bleek dat het niet
alleen een zaak van gehoorzamen was, maar vooral een zaak van geloof.
Geloofden zij wat God had gezegd of niet? (pag. 30).
Wij vragen: vinden zij dan ook onze belijdenisgeschriften eenzijdig als
we lezen: NGB art. 15:
Wij geloven dat door de ongehoorzaamheid van Adam de erfzonde zich over
heel het menselijk geslacht heeft uitgebreid.
Met een verwijzing naar Rom. 5:19, waar met betrekking tot Adam
geschreven staat:
26
Want, gelijk door de ongehoorzaamheid van één mens zeer velen zondaren
geworden zijn, zo zullen ook door de gehoorzaamheid van één zeer velen
rechtvaardigen worden.
Heidelbergse Catechismus vraag en antwoord 7:
Waaruit komt deze verdorven aard van de mens dan voort?
Uit de val en ongehoorzaamheid van onze eerste voorouders, Adam en Eva,
in het paradijs.
Heidelbergse Catechismus antwoord 9:
Maar de mens heeft zichzelf en al zijn nakomelingen, op ingeving van de
duivel en door moedwillige ongehoorzaamheid, van deze gaven beroofd.
Heidelbergse Catechismus vraag 10:
Wil God zo’n ongehoorzaamheid en afval ongestraft laten?
En wat betreft de door de brochure gestelde eerste eis van het verbond,
geloof, stelt ons doopformulier als eis van het verbond:
Dat wij door God in de doop ook geroepen en verplicht worden tot een
nieuwe gehoorzaamheid.
De conclusie uit dit alles kan o.i. niet anders zijn dan dat de Vijverhoevebrochure
geloof en gehoorzaamheid op ongeoorloofde wijze uit elkaar
haalt en daarmee op dit punt tekort doet aan het onderwijs van de Schrift
en de belijdenisgeschriften.
Zie ook prof. dr. J. van Bruggen in zijn boekje De Bergrede, reisgids voor
christenen, hoofdstuk 1 dat nota bene getiteld is: Geloven is
gehoorzamen.
Overduidelijk blijkt dat ook uit Joh. 3: 36 waar staat:
Wie in de Zoon gelooft, heeft eeuwig leven; doch wie aan de Zoon
ongehoorzaam is, zal het leven niet zien, maar de toorn Gods blijft op hem.
Rechtvaardigmaking en heiligmaking horen bij elkaar. We belijden
immers dat Christus, nadat Hij ons met Zijn bloed gekocht heeft, ons tot
Zijn evenbeeld vernieuwt. Dat is de uitwerking van de
rechtvaardigmaking, van de verlossing door Christus. Christus is ook
onze heiligmaking, 1 Kor. 1: 30.
Dat is anders dan bij de rechtvaardigmaking. Die houdt in dat God ons
onze schuld niet toerekent. Christus is onze rechtvaardigheid voor God.
Die ligt eens en voorgoed vast. Maar heiligmaking is een voortgaand
proces. Die betekent dat Christus ons bevrijdt van de heerschappij van
de zonde en ons van dag tot dag vernieuwt en brengt tot
27
gehoorzaamheid. Er staat dan ook in 1 Kor. 1: 30 dat Christus onze
gerechtigheid is, maar niet dat Hij onze heiligheid is, maar onze
heiligmaking. In Hebr. 13: 12 wordt het kruis van Christus betrokken op
Zijn heiliging van ons:
Daarom heeft ook Jezus, om door Zijn eigen bloed het volk te heiligen,
buiten de poort geleden HSV.
Het is echt onschriftuurlijk om die beide, geloof en gehoorzaamheid,
tegenover elkaar te stellen, alsof geloof zonder de werken kan. Luthers
oordeel over de brief van Jakobus spreekt boekdelen en dus ook het
beroep op Kohlbrugge.
We schreven daarover eerder al op pag. 4 en 10
4.3. De kerk – het adres van de kerk
Als het ergens duidelijk wordt dat de leiders van de Vijverhoevegemeenschap
het spoor van de kerk van alle eeuwen zijn kwijtgeraakt
en dat hun ogen gesloten zijn voor het werk van Christus in de
vergadering en reformatie van Zijn kerk, dan wel in het belijden over de
kerk. Omdat zij vóór alles oog hebben voor de redding van zondaren
door vrije genade, zo hebben wij geregeld gezien in het voorgaande,
verdwijnt in het spoor van Luther en Kohlbrugge de oproep tot kerkelijke
gehoorzaamheid naar de achtergrond.
Ja, zij spreken wel van kerk en reformatie, maar dat is in hun opinie
vrijwel alleen een terugkeer naar het evangelie van vrije genade. De
breedte en diepte van de kerkreformatie ontgaat hun, omdat zij in de
praktische beleving van hun band aan de kerk de ware aard van het
kerkvergaderende werk van Christus niet meer zien.
Wij hebben er al meermalen op gewezen dat in de hele
kerkgeschiedenis, ook en met name in de jongste kerkgeschiedenis, het
nog altijd gaat om Woord en kerk.
De gemakzucht en eigenzinnigheid, het zichzelf tot een wet zijn, komt
vooral uit in het verwaarlozen van die kerkelijke roeping.
De Vijverhoeve-brochure veroordeelt scherp de toepassing van de
belijdenisartikelen over de kerk, vooral over het zich bij de ware kerk
voegen, over het belijden dat de ware en de valse kerk gemakkelijk van
elkaar te onderscheiden zijn en dat het niemand toekomt zich van de
ware kerk af te scheiden.
Terwijl toch volgens Gods Woord moet worden beleden dat alleen door
de kerkelijke gehoorzaamheid van het zich bij de kerk voegen, de
28
eenheid van de broeders wordt gediend. Artikel 28 NGB spreekt in dat
kader over “de hals buigen onder het juk van Christus”
Verder wil de brochure vooral niets weten van het aanwijzen van het
adres van de kerk. Wij mogen niet een vaandel heffen met een
kerknaam. Nee, maar blijkbaar wel het vaandel van het evangelie,
zeggen ze.
En ‘vroom’ klinkt het:
Laten wij ook niet onszelf beoordelen, maar laat het oordeel over aan
anderen en aan God (pag. 33).
Alsof het roemen in het werk van de HEERE met betrekking tot Zijn kerk
onbeschaamd zou zijn en in de plaats zou komen van Hem de eer te
geven die Hem toekomt.
Die zogenaamde ootmoedige erkenning dat het onjuist is om een
vaandel te heffen met een kerknaam, vinden we ook al eerder terug in
de kerkgeschiedenis. Prof. K. Schilder is hierop ingegaan in de
Reformatie onder de veelzeggende titel met vraagteken: Men mag geen
‘ware kerk’ aanwijzen?, zie hiervoor zijn gebundelde artikelen in De Kerk,
deel III, vanaf pag. 449.
Verder bekritiseren zij dat wij alles wat de Heilige Schrift - met name het
Oude Testament - over Jeruzalem zegt, zomaar toepassen op de kerk.
Wat is dit alles ver verwijderd van het belijden en beleven van de kerk en
haar leden! Waar denken de schrijvers aan als zij zingen: kom, ga met
ons en doe als wij? Jeruzalem dat ik bemin, nu treden wij uw poorten in.
Of Jeruzalem, de Godsstad hier beneden. Dan zingen we toch over de
kerk!
De Statenvertaling geeft boven de Psalmen steeds een korte
samenvatting van de inhoud en spreekt dan keer op keer heel
onbevangen en Schriftuurlijk over de kerk van het Nieuwe Testament.
Ons wordt tegengeworpen dat Jeruzalem boven is, ons aller Moeder. Is
dan alles wat daarover geschreven is voor niets geweest? We denken
aan de herdenking van de afscheiding in 1934 en wat daar door K.
Schilder gesproken is over Ons aller Moeder (zie K. Schilder
Verzamelde werken, De Kerk II, pag. 153-237).
Het Jeruzalem is toch bezig uit de hemel neer te dalen, hier en nu. De
HEERE heeft ons dat geopenbaard tot troost in ons verdriet om
scheuringen te moeten meemaken en te moeten zien hoe eenvoudige
zielen worden meegetrokken op die dwaalweg.
29
Wanneer mensen geroepen worden zich bij de kerk te voegen, dan moet
die kerk toch te vinden zijn, dan moet haar adres toch aangewezen
worden. Dan is het toch niet zo dat de mensen zelf maar moeten
uitzoeken of dat zelf maar mogen beslissen, naar bevind van zaken
handelen, wat hun het beste uitkomt, waar men zich het beste thuis
voelt. In feite betekent dat onverschillig blijven onder de oproep die van
de HEERE komt.
Zich voegen bij deze vergadering houdt toch in dat die vergadering een
concreet adres heeft waarvan men lid kan worden? En het is toch de
roeping van de leden van die vergadering, van die ware kerk, om ook
anderen op te roepen zich bij haar te voegen.
Bovenstaand gedeelte van art. 28 NGB heeft niet voor niets als
bewijsteksten:
Ps. 122: 1:
Ik ben verblijd, wanneer zij tegen mij zeggen: Wij zullen naar het huis van de
HEERE gaan HSV .
Jes. 2: 3:
Vele volken zullen gaan en zeggen: Kom, laten wij opgaan naar de berg van
de HEERE, naar het huis van de God van Jakob, dan zal Hij ons
onderwijzen aangaande Zijn wegen en zullen wij Zijn paden bewandelen.
Want uit Sion zal de wet uitgaan en het woord van de HEERE uit Jeruzalem
HSV .
Hebr. 10: 25:
Laten wij de onderlinge bijeenkomst niet nalaten, zoals het bij sommigen de
gewoonte is, maar elkaar aansporen, en dat zoveel te meer als u de grote
dag ziet naderen HSV .
Als dan de norm duidelijk is, dat men zich bij de ware kerk, deze heilige
vergadering, moet voegen, dan moet deze ware kerk ook te kennen zijn.
Met art. 29 van de NGB belijden we:
De kenmerken waaraan men de ware kerk kan kennen, zijn deze: dat de
kerk de zuivere prediking van het evangelie onderhoudt; dat zij de zuivere
bediening van de sacramenten onderhoudt, zoals Christus die heeft
ingesteld, dat de kerkelijke tucht geoefend wordt om de zonden te
bestraffen.
30
Tegen alle interkerkelijkheid in, tegen alle theorieën als zou overal wel
iets van de kerk te vinden zijn, tegen de uitvlucht als zou het wel mooi
zijn dat er zoveel verschillende vormen van kerken bestaan, heeft
Schilder steeds geijverd voor de nederige gehoorzaamheid aan de wil
van de HEERE. Ja, degenen die het in de ruimte zoeken, bijvoorbeeld bij
Luther en Kohlbrugge, die de inrichting van de kerk maar iets van de
tweede orde vinden, die willen uiteraard niets weten van het aanwijzen
van het kerkadres.
In de tijd van de vrijmaking in 1944 werd rustig de overtuiging
uitgedragen dat als de HEERE nu nog een brief aan Zijn gemeente in
deze of die plaats zou sturen, die brief bezorgd zou worden op één adres
en dan dat van de ware kerk.
De reformatie van de kerk betekent eenvoudig: terug naar Schrift en
belijdenis. En die belijdenis uitdragen en er uit leven. Het ja ja laten zijn.
Het ja van onze geloofsbelijdenis, ook het ja van ons antwoord op de
vragen bij de bevestiging als ambtsdrager.
En dan is het wel heel schrijnend wanneer er ambtsdragers in de kerk
van De Gereformeerde Kerk te Zwolle e.o. waren die hun overtuiging
niet verborgen, dat zij mensen niet de weg konden wijzen naar de kerk,
waar zij hun dienst vervulden en die dan nog verbaasd waren dat aan
hen dringend gevraagd werd hoe zij dan wel ambtsdrager in zo'n kerk
konden zijn.
Tenslotte: ons wordt verweten dat wij in de Vrijmaking van 2003 alleen
maar oog hadden voor kwesties en geen oog hadden voor het evangelie
van vrije genade.
Toch spreekt de oproep tot bekering in de brochure Laten wij ons
bekeren heel andere taal. Op pag. 4 wordt daar immers geschreven:
De diepe crisis in onze Gereformeerde Kerken beperkt zich niet tot een
(groot) aantal concrete kerkelijke of theologische kwesties. Het betreft veel
breder en dieper de gereformeerde leer (o.a. in Kampen) en het
gereformeerde leven.
Hieraan moet nog worden toegevoegd, en we blijven daarmee geheel in
de lijn van prof. Schilder, dat het aanwijzen van het adres van de ware
en de valse kerk natuurlijk niet inhoudt dat dit een vast gegeven is. Bij
elke nieuwe reformatie, elke nieuwe gehoorzaamheid, binnen welk
kerkverband ook, wordt elk bestaand instituut in de crisis gebracht. Het
mag immers nooit onze schuld zijn dat kinderen van God buiten ons
31
instituut blijven. Vandaar ook dat De Gereformeerde Kerken zich
geroepen wisten om contacten te leggen met hen die zich vrijmaakten
van de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt . En vandaar dat er door De
Gereformeerde Kerken een correspondentie met de Hersteld Hervormde
Kerk op gang gezet werd.
32
5 HET KERKVERBAND ALS GENADEGAVE VAN
CHRISTUS
5.1 Kritiek
In de Vijverhoeve-brochure wordt vervolgens over de meerdere
vergaderingen geschreven. Uitvoerig worden twee artikelen uit DE
BAZUIN van 2006 en 2007 geciteerd en scherp bekritiseerd, als in strijd
met wat in het verleden beleden is (niet maar: geschreven of
geoordeeld) over de positie van ambtsdragers en kerkelijke
vergaderingen.
Daartegenover worden artikelen uit de REFORMATIE van vroeger
geciteerd, die volgens hen duidelijk aangeven, waarin de artikelen in DE
BAZUIN zouden dwalen.
Nu moeten wij in antwoord op deze kritiek er eerst op wijzen dat de
schrijvers wel wat laat zijn met hun kritiek. Die artikelen dateren al uit
2006 en 2007. Als hun bezwaren zo zwaarwegend zijn, hadden zij die al
veel eerder aan de auteurs kunnen bekendmaken en verder, indien
nodig, bij de redactie of zelfs bij de curatoren van DE BAZUIN.
Wij zullen er alsnog op reageren.
De brochureschrijvers zien reformatie als terugkeer naar het evangelie
van vrije genade. Daarom zien zij de zegen en de noodzaak van het
kerkverband niet in. Zelfs spreken zij denigrerend over het gezag van de
meerdere vergaderingen. Ja, zelfs beweren zij dat de meerdere
vergaderingen geen enkel gezag hebben over kerkenraden en classes,
laat staan over een kerkenraad.
Daarom willen wij nu eerst de noodzaak en de zegen van het
kerkverband in het licht stellen.
5.2 Christus schenkt het kerkverband
De Heilige Schrift leert ons dat de Zoon van God Zijn gemeente
vergadert, de eeuwen door, in de eenheid van het ware geloof. Christus
heeft Zijn bloed gestort om de Zijnen tot Zijn eigendom te maken, de
goede Herder Die Zijn schapen heeft gekocht en zo tot één kudde
maakt. Heel concreet: Hij heeft Zijn bloed gestort ook voor het
kerkverband. Dat was de les van dr. K. Schilder aan het einde van zijn
leven, toen hij moest meemaken dat in de door de HEERE vrijgemaakte
33
kerken krachten openbaar werden die de band aan het kerkverband in
feite wilden losmaken. Die geest van eigenwilligheid is er nog steeds en
heeft er al toe geleid dat opnieuw het kerkverband verbroken werd.
Daarmee wordt de oorsprong en de zegen van het kerkverband niet
meer gezien overeenkomstig het Woord van God.
Reeds onder het Oude Testament was er een sterk kerkverband. Als dat
er niet geweest was zouden er nooit een tabernakel en een tempel
geweest zijn. Hoe zou het volk van de belofte, het zaad van Abraham,
dan de drie-enige God hebben kunnen dienen en eren? Zijn in het Israël
uit het Oude Testament niet de grondlijnen, de contouren zichtbaar van
de nieuwtestamentische kerk?
Liep onder het Oude Testament de bedding van het kerkvergaderende
werk van Christus alleen nog door Israël, door Zijn zoenoffer en Zijn
hemelvaart en de uitstorting van de Heilige Geest heeft Hij die stroom zo
verbreed, dat Hij Zijn kerk nu vergadert uit alle geslacht en taal en volk
en natie. Dat betekent dan ook dat overal plaatselijke kerken ontstaan
waar de HEERE wordt aangebeden in geest en in waarheid. De ene
kandelaar in de tempel werd vervangen door vele kandelaren, die hun
licht laten schijnen in de wereld.
En die kandelaren blijven niet op zichzelf staan. Johannes op Patmos
zag in zijn eerste visioen zeven gouden kandelaren en te midden van die
kandelaren is Christus, Die zeven sterren in Zijn rechterhand houdt. De
daar genoemde zeven gemeenten hadden dus hun eenheid in Christus.
Dat was het vervolg van het kerkverband van het Oude Testament, dat
die eenheid van de kerken in het kerkverband op allerlei wijze gestalte
kreeg.
Voor de noodlijdende kerk te Jeruzalem werd in andere gemeenten
financiële steun ingezameld, die door de gemeenten blijmoedig
geschonken werd.
De zegenrijke werking van het kerkverband is al meteen te zien doordat
ook geestelijke leiding gegeven werd. Handelingen 15 vertelt ons van de
vergadering van apostelen en ouderlingen, waar het besluit genomen
werd dat de heidenchristenen niet gedwongen mogen worden om zich te
laten besnijden, omdat wij mogen leven in het Nieuwe Verbond.
Dat besluit werd vervolgens aan Antiochië gestuurd en verder in het
kerkverband uitgedragen.
Stel dat dat besluit niet genomen zou zijn, dan zou er grote onenigheid in
de prille christelijke gemeenten zijn ontstaan, over het al dan niet
34
handhaven van de Joodse traditie van de besnijdenis, ook voor uit de
heidenen afkomstige christenen.
Maar ook later. Stel dat de synode van Nicea 325 niet onomstotelijk de
geloofsbelijdenis had vastgesteld, als geldend voor alle toenmalige
christelijke gemeenten, dan zou de belijdenis van de goddelijke drieeenheid
niet zo helder zijn omschreven.
De apostelen zonden hun brieven niet alleen naar enkele plaatselijke
gemeenten, maar ook wel aan alle gemeenten in een bepaalde streek, 1
Petr. 1: 1. Ook worden brieven tussen gemeenten geruild, Col. 4: 16 en
schrijft Paulus aan de geroepen geheiligden in Christus Jezus, niet
alleen te Korinthe, maar ook aan ‘allen die allerwegen de naam van onze
Heere Jezus Christus aanroepen’, 1 Kor. 1: 2. En ook de brief aan de
Efeziërs is zeer waarschijnlijk in het algemeen gericht aan de gelovigen
in Christus Jezus (prof. dr. S. Greijdanus, Korte Verklaring. De brief van
de apostel Paulus aan de Efeziërs, pag. 17).
Uit de uitwisseling van kerkleden over en weer en uit veel groeten, die de
apostelen overbrengen in hun brieven is te zien dat het kerkverband
levend was. Zo belijdt de kerk in art. 27 NGB dat de kerk verbreid en
verstrooid is over de wereld. Toch is zij met hart en wil samengevoegd
en verenigd in eenzelfde Geest, door de kracht van het geloof.
5.3 De noodzaak van het kerkverband
Het feit dat het kerkverband in de Schrift, als gave van Christus, ons
wordt geopenbaard, verplicht de kerken om elkaar te zoeken en zo
spoedig mogelijk een kerkverband te stichten. De geschiedenis van de
kerk in Nederland toont ons dat meteen na de reformatie van de kerk in
de 16de eeuw de kerken elkaar gezocht hebben om in één kerkverband
verder te gaan. Dat was in de tijd van de vervolgingen.
Meteen na het begin van de tachtigjarige oorlog en tijdens de
onderdrukking door Spanje, midden in die vervolgingen, hebben de pas
tot Gods Woord teruggekeerde kerken, kerkelijke samenkomsten belegd
om de kerkelijke zaken te regelen. Zij konden niet eens vergaderen in
ons eigen land en moesten vanwege het gevaar van de
geloofsvervolging uitwijken naar het buitenland.
Zij vergaderden in 1568 (het beginjaar van de tachtigjarige oorlog) in
Wezel – zó belangrijk vonden zij het om samen met elkaar te overleggen
over de inrichting van het kerkelijke leven. Wij kunnen uit dat vergaderen
op buitenlands gebied zien, dat het kerkverband voor de gereformeerden
35
van die tijd duidelijk toch wel een zaak van heel grote betekenis is
geweest: ze hebben het voorbereid en zijn het met elkaar aangegaan in
een tijd, waarvan wij misschien wel zouden zeggen: hadden zij dan geen
belangrijker zaken aan hun hoofd? Maar voor hen was déze zaak er
blijkbaar een van de hoogste prioriteit. Ze hebben er alles voor over
gehad, tot hun eigen veiligheid toe.
Van deze eerste vergadering, die men het Convent van Wezel noemt,
zijn de verslagen bewaard gebleven. Daaruit leren wij dat men stelling
nam tegen de willekeur. De kerken moesten bepaalde vaste classes
vormen en dan moest er ook dikwijls samen vergaderd en overlegd
worden. Er werd alle nadruk op gelegd dat er een eenparige
overeenstemming tussen de kerken moest zijn, allereerst in de leer, de
eenheid in ‘de waarachtige en volkomen leer der zaligheid’. Vervolgens
moest die eenparige overeenstemming er ook zijn ‘in de regeling van de
ceremoniën en van de tucht’. De kerken mochten immers niet
lichtvaardig afwijken van die algemene overeenstemming.
Na deze eerste samenkomst kwam in 1571 de synode van Emden
bijeen. Ook deze moest dus nog in het buitenland worden gehouden. Zij
nam bindende besluiten inzake de kerkorde.
Dat was nodig in de tijd van de vervolgingen, toen de duivel het werk van
Christus probeerde te verstoren en de kerken niet alleen door
vervolgingen, maar ook door verzoekingen en dwaalleer trachtte te
vernielen.
In de Acta van die allereerste synodes, in dat begin, lezen we het
verhaal van strijd, wederzijdse hulp, inrichting van het kerkelijke leven
door middel van synodebesluiten en een kerkorde en een belijdenis als
uitdrukking van de eenheid van het ware geloof.
Ook latere synodes zijn geregeld bezig geweest met de zaken van de
kerkorde. Het was met name de Generale Synode Dordrecht 1618-1619,
die de kerkorde haar definitieve vorm heeft gegeven, zodat deze nog
altijd bekend staat als de Dordtse Kerkorde.
Ook in de tijd van de emigratie, toen kerkleden zich in allerlei landen
vestigden, hebben zij in de verstrooiing elkaar gezocht en zich aan
elkaar verbonden in een kerkverband. Zo werd een kerkverband gesticht
in Australië (slechts drie kerken, jarenlang), in Zuid-Afrika en in Canada.
Er was dus heel wat meer aan de hand dan alleen de prediking van het
evangelie van vrije genade. Of beter gezegd: die prediking rustte in het
kerkverband.
36
Het is dan ook onbegrijpelijk dat men De Gereformeerde Kerken verwijt
dat zij veel te haastig zijn overgegaan tot de vorming van een
kerkverband en dat de kerkleden veel te veel over zich heen kregen in
de vorm van de organisatie van de classes en door allerlei
synodebesluiten.
Wat is er in een korte tijd niet veel opgebouwd aan een geordend
kerkelijk leven! De mogelijkheid van appel op een meerdere vergadering
voor wie van oordeel is dat hem door een uitspraak van de mindere
vergadering onrecht is aangedaan, de onderlinge hulp in classisverband:
adviezen en de kerkvisitatie.
Vooral is te noemen de nog steeds niet afgeronde uitbanning van
synodebesluiten uit het verleden van de kerken, die onschriftuurlijk zijn
en/of strijden met het kerkrecht. Dat is een zeer intensief en tijdrovend
karwei, te vergelijken met het wegdoen van het zuurdesem door de
Joden uit alle hoeken en gaten van het huis. Of met de tempelreiniging
door de Heere Jezus Christus – de kerk is immers de tempel van de
Heilige Geest en die moet rein zijn.
Het zogenaamde voorlopige kerkverband heeft besloten, dat men daar
voorlopig niet zal overgaan tot de inrichting van een kerkverband. We
zouden dat besluit kunnen begrijpen als men als argument aanvoerde
dat er al een hecht kerkverband bestaat van De Gereformeerde Kerken
en dat men daar niet los van is. Maar dat is niet aan de orde. Het enige
door hen genoemde argument is dat de tijd er nog niet rijp voor is…..
Maar het betekent wel dat er geen mogelijkheid is voor appel, geen
kerkelijke weg, geen rechtszekerheid, dat de eigenwilligheid niet wordt
bestreden en dat de deur wordt opengezet voor heerszucht.
Ook hier zien wij de doorwerking van het uitgangspunt van het van
minder belang achten van de inrichting van de kerken. Het betekent dat
men geen oog heeft voor het werk van Christus en Zijn zegenrijke gave
van de onderlinge eenheid van de kerken in het kerkverband.
Dit alles tekent toch de noodzaak van het kerkverband?
5.4 Het gezag van de meerdere vergaderingen
Vanwege ons kleine getal is het niet mogelijk Particuliere Synodes in te
richten. Er zijn slechts twee classes, die als regel viermaal per jaar
vergaderen. Elke kerk zendt twee afgevaardigden naar de classis, te
weten een predikant (als de kerk zo rijk is er één te hebben) en een
37
ouderling. De Generale Synode vergadert daarom nu eenmaal per twee
jaar.
Volgens art. 46 KO stuurt elke Particuliere Synode twee predikanten en
twee ouderlingen als afgevaardigden naar de synode. Daarvoor in de
plaats is nu geregeld dat elke classis zes afgevaardigden zendt naar de
Generale Synode. Overeenkomstig de regels van art. 46 evenveel
predikanten (indien aanwezig) als ouderlingen.
De enige predikant, die in de classis Zuid-West dient, wordt dus
vanwege die regel telkens naar de Generale Synode gezonden. En
hoewel dat voor hem een zware belasting is, is het toch zaak, juist als
het om personen gaat, zich strikt aan de afgesproken regeling te
houden.
Welk gezag hebben de meerdere vergaderingen? Daarover wordt heel
wat gediscussieerd en in de Vijverhoeve-brochure worden er
verscheidene bladzijden aan gewijd. We geven in het kort weer hoe er
door de vijf voormalige ambtsdragers over gedacht wordt en hoe die
gedachte scherpe kritiek bevat op de kerkrechtelijke praktijk in De
Gereformeerde Kerken:
Laten we het hier duidelijk mogen stellen: een meerdere vergadering heeft
geen ambtelijk gezag. Dat heeft alleen een kerkenraad. Een meerdere
vergadering heeft ook geen gezag over een mindere vergadering; laat staan
over een kerkenraad.
(Vijverhoeve brochure, editie 2.00, pag. 46; onderstrepingen in origineel).
Dit is inderdaad een duidelijke uitspraak, zodat iedereen weet hoe het
voortaan in de Vijverhoeve-gemeenschap toegaat en welk ‘recht’ daar
geldt.
Ons antwoord daarop is allereerst dat in die kritiek nog steeds doorwerkt
de opvatting als zou de inrichting van het kerkverband van de meerdere
vergaderingen een zaak van minder betekenis zijn en het eigenlijk alleen
zou aankomen op het ambtelijk gezag van de ouderlingen met het oog
op de prediking van het evangelie van vrije genade.
In de tijd van de Vrijmaking van 1944, toen men zich moest verzetten
tegen het heerschappijvoeren van de synodes, verscheen een brochure
van de hand van de hoogleraren K. Schilder en P. Deddens onder de
titel Eerste- en Tweedehands Gezag. Het gezag van de kerkenraad is
eerstehands gezag, dat van de meerdere vergaderingen tweedehands.
Maar: wel gezag!
38
Daarin werd duidelijk uiteengezet dat het hoogste gezag ligt bij de
kerkenraad. Zo schreef ook T.L. Bruinius in het door de brochure
geciteerde en bekritiseerde artikel in REFORMANDA.
De kerkenraden delegeren een deel van hun gezag naar de meerdere
vergaderingen.
Dat is blijkbaar een struikelblok voor degenen, die niets moeten hebben
van het gezag van de synode. Echter in de oude versie van de kerkorde
staat (sinds de synode van Middelburg 1581) in art. 35:
’t Zelfde zeggen heeft de classis over de kerkeraad, ’t welk de Particuliere
Synode heeft over de Classis en de Generale Synode over de Particuliere.
Dat woordje ‘zeggen’ betekent: zeggenschap, gezag. Omdat het
ouderwets is, heeft men dat hele artikel vervangen door het huidige art.
36 waarin de ‘bevoegdheid’ van de classis omschreven wordt ten
opzichte van de kerkenraad. En ook hier wordt de lijn doorgetrokken
naar de Particuliere Synode ten opzichte van de Classis en de Generale
Synode ten opzichte van de Particuliere Synode. Dus wordt hier duidelijk
gesproken over gezag.
Ouderlingen hebben gezag in de plaatselijke kerk. Wanneer de
kerkeraad broeders naar de classis afvaardigt geeft zij hen een
geloofsbrief mee. Daarin verklaart zij deze broeders last en volmacht te
hebben gegeven om namens de kerkeraad en als was deze zelf in zijn
geheel in de classis tegenwoordig … te helpen handelen en besluiten.
De kerkeraad verklaart voorts dat hij, overeenkomstig art. 31 KO, de
uitspraken die bij meerderheid van stemmen zijn gedaan als bindend zal
aanvaarden.
De afgevaardigden maken dus deel uit van de classis krachtens hun
opdracht, niet krachtens hun ambt.
Daarom spreken we van een gedelegeerd of afgeleid gezag of ook wel
‘tweedehands gezag’.
Dat gezag is wel beperkt. Zo is het gezag van prediking en
sacramentsbediening en tucht niet overdraagbaar aan een meerdere
vergadering. Dat blijft voorbehouden aan de ouderlingen die daartoe
door Christus aangesteld zijn over de plaatselijke gemeente.
Verder is het beperkt, doordat in de geloofsbrief de bepaling is
opgenomen dat de bevoegdheid van de afgevaardigden alleen van
kracht is wanneer er wordt besloten volgens het Woord van God en in
gebondenheid aan de Drie Formulieren van Eenheid van de
39
Gereformeerde Kerken in Nederland en in overeenstemming met de
geldende gereformeerde kerkorde.
Voetius, in zijn tijd als hoogleraar een autoriteit op het gebied het
kerkrecht, zei dan ook van dat gezag van de meerdere vergaderingen
dat dat voorwaardelijk is,
indien namelijk de naleving of het dulden ervan niet in strijd komt met het
Woord van God…evenals de geloovigen zich onderwerpen aan de
beslissingen van particuliere Kerk en Kerkeraad. Maar indien zij bevonden
worden ermee strijdig te zijn, moet hun verbetering of niet-uitvoering worden
geëischt.
Maar dit alles neemt niet weg dat de besluiten van de meerdere
vergaderingen, die aan al deze voorwaarden voldoen, rechtsgeldig zijn
en bindend voor alle kerkelijke vergaderingen.
De brochure van de vijf voormalige ambtsdragers oefent dan ook geheel
ten onrechte zware kritiek op het genoemde artikel in REFORMANDA,
namelijk dat wat daarin en ook hierboven geschreven staat over het
gezag van de meerdere vergaderingen, dat dit in strijd is met wat
vroeger beleden is, terwijl het toch het gewone gereformeerde begrip
van het gezag van de meerdere vergaderingen verwoordt.
Maar aan het eind van deze kritiek wordt die toch weer verzacht met de
uitspraak ‘dat wat daarin geschreven staat aanleiding kan geven tot
groot misverstand’. Meer niet.
Mogen wij daaruit afleiden dat men toch wel open staat voor het
gereformeerde standpunt inzake het gezag van de meerdere
vergaderingen, zoals dat verwoord is in de kerkorde?
Zou dat verder nog kunnen betekenen dat men gaat inzien dat men moet
terugkeren van de eigen uitspraken en vooral van de vergaande
consequenties die men daaruit heeft getrokken en waarin men nog
steeds volhardt – terugkeren tot het eenvoudige gereformeerde
kerkrecht en dat men de gewone gereformeerde kerkelijke orde weer
gaat betrachten?
40
6 ARTIKEL 31 KO - EIGEN MEESTER, NIEMANDS
KNECHT
6.1 De wortel van de scheuring
In heel het conflict in de kerkenraad van Zwolle, dat tenslotte uitliep op
scheuring, is de betekenis van en de trouw aan art. 31 KO van
beslissende betekenis. En dat niet alleen in Zwolle, maar ook in
Zwijndrecht en Bergentheim/Bruchterveld en daardoor in het voorlopig
kerkverband, dat immers deze groepen met hun verwrongen opvattingen
inzake het gezag van de meerdere vergaderingen heeft aangenomen.
Het kan heel kort worden samengevat in die ene uitspraak van de
Vijverhoeve-brochure:
Een meerdere vergadering heeft ook geen gezag over een mindere
vergadering; laat staan over een kerkenraad.
Dat is de worteldwaling van dat voorlopige kerkverband, die steeds
duidelijker aan het licht komt. Het is het kwaad van de eigenwilligheid,
die opkomt uit een revolutionaire geest van autonomie, die in de wereld
heerst: eigen meester, die niemands knecht is.
Dat komt in de geschiedenis van het conflict binnen de kerkenraad op
twee manieren tot uiting:
Ten eerste in de weigering om revisie te vragen van de synodebesluiten
waar men het niet mee eens is: ten tweede in de haast (slechts één dag)
waarmee de vijf geschorste ambtsdragers na de voorlopige schorsing
verklaren dat de kerkenraad en de gemeente te Zwolle niet meer bij de
kerk behoren (zoals in art. 28 NGB als enige wettige reden voor een
afscheiding wordt beleden) en daarom de gemeente oproepen zich te
onttrekken aan het opzicht van de wettige kerkenraad.
Een en ander zonder de weg te gaan die zij bij hun ambtsaanvaarding
beloofd hadden te zullen gaan: de kerkelijke weg die in art. 31 KO wordt
aangewezen.
6.2 Mogen en moeten
De kerkenraad heeft meermalen de bezwaarde broeders opgewekt om
zich te houden aan hun belofte, in plaats van steeds weer in de
vergaderingen van de kerkenraad hun kritiek op bepaalde besluiten van
41
meerdere vergaderingen aan de orde te stellen en daarmee de
onderlinge samenwerking binnen de kerkenraad op te breken en de
geregelde ambtelijke pastorale bearbeiding van de gemeente te
verhinderen.
Maar dat werd door de broeders steeds geweigerd. Zij waren van
oordeel dat volgens art. 31 het beroep op een meerdere vergadering
geen verplichting is, maar slechts een mogelijkheid. En verder hielden zij
steeds vol dat de kerkelijke weg opgebroken zou zijn en dat ze van
tevoren al wisten toch geen gelijk te krijgen.
Om goed zicht te krijgen op het begaan van de kerkelijke weg is het
nodig wat dieper op de zaak van art. 31 in te gaan.
Is het nu mogen of moeten?
Het is beide: in het ene geval ‘mogen’, in het andere geval ‘moeten’.
Want het gaat in art. 31 om verschillende zaken.
6.3 Persoonlijk onrecht
In art. 31 KO komen twee zaken aan de orde.
1. Wanneer in de kerk iemand persoonlijk onrecht aangedaan wordt;
2. wanneer het gaat om een andere dan een persoonlijke zaak, namelijk
om een kerkelijke zaak van plaatselijke of algemene betekenis.
In het eerste geval spreken we van een appel, in het tweede van het
vragen om revisie.
Dat eerste geval van een persoonlijk onrecht wordt genoemd in de
eerste zin van art. 31. Daar staat inderdaad duidelijk dat zo’n beroep op
een meerdere vergaderingen geen plicht is.
In de oude versie van art. 31 staat:
Zo iemand zich beklaagt door de uitspraak van een mindere vergadering
verongelijkt te zijn, dezelve zal zich op een meerdere kerkelijke vergadering
beroepen mogen.
De huidige tekst stelt:
Als iemand van oordeel is dat hem door een uitspraak van een mindere
vergadering onrecht is aangedaan, kan hij zich beroepen op de meerdere
vergadering.
Het gaat dus over een klacht van iemand die vindt dat hij door de
uitspraak van een mindere vergadering verongelijkt is; of zoals het nu
luidt: dat iemand van oordeel is dat hem onrecht is aangedaan. Let wel:
42
het is dus een persoonlijke zaak: iemand – dezelve – hij. Zo iemand
mag/kan zich op een meerdere vergadering beroepen.
Dat is geen plicht. Er is namelijk een andere mogelijkheid wanneer
iemand onrecht aangedaan is. De Schrift wijst daarop in 1 Kor. 6: 7:
Waarom lijdt u niet liever onrecht? HSV
Dat betekent: erin berusten, het aan de HEERE overgeven. Dat is een
mogelijke manier van omgaan met onrecht. Die is echter niet
voorgeschreven. Iemand kan een andere weg kiezen en hij kan zich op
een meerdere vergadering beroepen. En mag dat doen. Hij is niet
verplicht dat te doen. Maar als hij afziet van een beroep op de meerdere
vergadering kiest hij dus voor de weg van het berusten in wat hij ziet als
onrecht. Maar dan mag hij in de kerk niet steeds blijven klagen over het
onrecht, dat volgens hem geschied is. Hij mag er verder niet op
terugkomen. Hij heeft immers besloten het aan de HEERE over te
geven, dat is: het uit handen te geven!
Tot zover het mogen.
6.4 Algemene kerkelijke besluiten
In het tweede deel van art. 31 KO gaat het dan verder, heel algemeen,
over wat in een kerkelijke vergadering wordt goedgevonden, oftewel over
een uitspraak die die vergadering gedaan heeft bij meerderheid van
stemmen. Daarvan geldt dat deze als bindend moet worden aanvaard
(het bekende: voor vast en bondig gehouden worden).
Het gaat dus om het zich onderwerpen aan het gezag. Aan het
eerstehands gezag van een kerkenraad of het tweedehands,
gedelegeerde, gezag van een meerdere vergadering.
Over dat gezag en het zich onderwerpen aan dat gezag spreken we
verder onder 6.5.
Uiteraard is een uitspraak of besluit van een kerkelijke vergadering niet
het laatste woord.
Het moet als bindend worden aanvaard, tenzij bewezen wordt dat zo'n
uitspraak in strijd is met het Woord van God of met de kerkorde.
Het is duidelijk dat dit betekent dat een kerklid of een kerkenraad zelf tot
de overtuiging komt: dit besluit is in strijd met het Woord van God of met
de kerkorde. Met andere woorden: dat is voor hem zelf bewezen.
Het is een ingrijpende uitspraak: dit besluit is niet overeenkomstig Gods
Woord. Of: het gaat in tegen de Schriftuurlijke orde in de kerk. Als dit
43
besluit niet wordt herroepen gaan de kerken verder op een weg die niet
is overeenkomstig de waarheid van het evangelie van vrije genade (Gal.
2: 14) en die afvoert van de gehoorzaamheid aan Gods Woord. De vrede
voor Jeruzalem wordt verstoord. Dat zijn grote woorden!
Maar dat betekent dan ook dat daar grote daden op moeten volgen. Als
we het zo stellen is het uiteraard geen vraag meer of een kerklid, in het
ambt der gelovigen, of een kerkenraad, geroepen en verplicht is op tijd te
waarschuwen.
Het gaat er om de kerk, die de bruid van de Heere Jezus Christus is, op
te roepen zich te bekeren. Dat hebben wij dan ook vóór onze Vrijmaking
in 2003 op grote schaal gedaan. Velen onder ons hebben persoonlijk de
deformatie van de kerk, die in allerlei verbanden tot uitdrukking kwam, bij
hun kerkenraad aan de orde gesteld.
We denken onder meer aan de bezwaren tegen een preek van een
plaatselijke predikant, waarin verkondigd werd dat het gebod om op de
zondag te rusten, onder het Nieuwe Verbond en dus ook in onze situatie,
niet meer van kracht zou zijn. Het bezwaarschrift tegen de weigering van
de kerkenraad om die dwaalleer af te wijzen en te verhinderen is via de
kerkelijke weg tenslotte op de de Generale Synode gekomen. En de
behandeling daarvan leidde tot de onschriftuurlijke besluiten inzake het
vierde gebod. Dat indienen van bezwaren was een werken aan de
reformatie van de kerk, zoals dat door de HEERE geboden is. Dat is dus
in de kerk een heilig moeten.
Wij kunnen veel voorbeelden uit de kerkgeschiedenis aanvoeren, maar
volstaan er nu mee aan te halen wat Voetius, DE autoriteit op het gebied
van het kerkrecht, schreef over de beslissingen van kerkelijke
vergaderingen, waaraan men zich heeft te onderwerpen:
Evenals de geloovigen zich onderwerpen aan de beslissingen van
particuliere Kerk en Kerkeraad. Maar indien zij bevonden worden ermee
strijdig te zijn, moet hun verbetering of niet- uitvoeren worden geëischt.
Dat is duidelijke taal: het moet geëist worden. Het is wel terdege plicht.
Heilige plicht.
Voetius voegt er aan toe:
Indien het niet mogelijk is dat die (verbetering of niet-uitvoering) verkregen
worden, moet voor de orde worden plaatsgemaakt door dit kwaad te dragen.
(Ik bedoel een zuivere en bloote verdraagzaamheid, waarbij men niet wordt
gebonden iets te doen of te beloven dat men voor zijn geweten bij God niet
kan doen of beloven).
44
Maar indien de ernst van de zaak en de noodzakelijkheid het aldus
meebrengt, moet tegen die opgelegde of ingevoerde orde publiek
geprotesteerd worden. Het geval zou zich zelfs kunnen voordoen dat men
de leden der Kerk van de partij der kwaadwilligen afzonderen en daaraan
onttrekken moet (Pol.Eccl. IV, 178).
Op pag. 53 van de brochure wordt gesuggereerd dat in de besluiten van
synoden van De Gereformeerde Kerken de opvatting in praktijk wordt
gebracht dat het voor de vergadering, die het besluit nam, moet komen
vast te staan dat het besluit in strijd is met Schrift en kerkorde en dat dàn
pas de bezwaarde het recht zou hebben het betwiste besluit niet als
bindend te aanvaarden.
Als ‘bewijs’ voor die stelling wordt dan aangevoerd dat in besluiten van
de synode van Zwolle het refrein is dat “appellanten niet hebben
aangetoond dat dit besluit ingaat tegen Schrift, belijdenis en/of KO”.
Maar dit zogenaamde bewijs heeft uiteraard niets met het al of niet
handhaven van het ‘tenzij’ van art. 31 KO te maken. In de gewraakte
besluiten van de synode van Zwolle was de synode niet overtuigd dat
bepaalde besluiten in strijd zijn met Gods Woord of de kerkorde. Tot dat
besluit kwam de synode na afweging en beoordeling van de ingebrachte
bezwaren.
Dat is volkomen legaal. Als dat verkeerd zou zijn en niet meer zou
mogen, heeft het zich beroepen op een meerdere vergadering elke zin
verloren en beslist ieder voor zich of een besluit wel of niet binnen de
kerken zal worden uitgevoerd. Dan is de eenheid binnen de kerken
volkomen verdwenen en doet ieder wat goed is in eigen oog.
Ook de toevoeging van de brochureschrijvers dat appellanten hun
bezwaren uitvoerig hebben toegelicht, juist vanuit het gereformeerd
kerkrecht, snijdt in dit verband geen hout. Zij kunnen dit immers wel
schrijven, maar dat zegt nog niets over de houdbaarheid van die
toelichting. Het kan immers zijn dat de bezwaarden de Heilige Schrift of
het gereformeerde kerkrecht niet goed voor ogen stonden en dat mede
daarom de synode zich niet liet overtuigen door de aangevoerde
argumenten.
Bovendien: als het voor de meerdere vergadering komt vast te staan dat
een besluit, overeenkomstig het revisieverzoek inderdaad strijdt met
Gods Woord en de kerkorde, wordt dat besluit herroepen en is er geen
sprake meer van dat iemand het als bindend zou moeten aanvaarden.
45
Zo wordt geheel onterecht de suggestie gewekt dat De Gereformeerde
Kerken een ongereformeerd kerkrecht hebben ingevoerd, door het
‘tenzij’ van art. 31 KO naar zijn inhoudelijke bedoeling aan de kant te
zetten.
6.5 De kerkelijke weg
Binnen de kerkenraad van Zwolle bleven de bezwaarde broeders ageren
tegen besluiten van de meerdere vergaderingen, echter zonder de
kerkelijke weg te gaan door het aanvragen van revisie. Weliswaar werd
dat wel in het vooruitzicht gesteld, maar ondanks herhaalde
aansporingen om daarmee een begin te maken, kwam er niets van. Op
den duur werd door de broeders zelfs ronduit geweigerd om in de
kerkelijke weg revisie te vragen. Maar wel bleven zij, zoals boven
gememoreerd, zich tegen bepaalde synodebesluiten verzetten.
Voor die weigering gebruikten zij het argument dat de kerkelijke weg zou
zijn opgebroken. Dat argument wordt nu nog in het voorlopig
kerkverband gebruikt om deze weigering van de geschorste
ambtsdragers goed te praten.
‘Het zijn altijd dezelfde personen die recht moeten spreken’ – aldus hun
bezwaar tegen het aanvragen van revisie. Dat zou betekenen dat er
geen recht meer zou worden gedaan in De Gereformeerde Kerken.
Inderdaad is er een kleine kring van broeders die naar de meerdere
vergaderingen kunnen worden afgevaardigd.
Door de synodevergaderingen op zaterdagen te houden is er al voor de
classes een ruimere keus voor de afvaardiging naar de Generale
Synode.
Verder heeft tot nu toe elke synode alles in het werk gesteld om zoveel
mogelijk partijdigheid te voorkomen. Maar vooral moeten we bedenken
dat de Heere de mogelijkheid van de kerkelijke weg van appel- en
bezwaarschriften in het huidige kerkverband in Zijn goedheid nog aan de
kerken heeft geschonken.
De aangewezen vergaderingen zullen daar in de naam van de Heere
gebruik van moeten maken, gebonden aan Zijn Woord en ziende op
Hem. Zo mogen de kerken de betrokken broeders aanvaarden, die
geroepen zijn voor hun taak van rechtspreken,
Een ander argument voor de weigering om revisie te vragen is dat de
broeders zeiden dat het bij voorbaat al vaststaat dat de kerkelijke
vergaderingen hun bezwaren zouden afwijzen.
46
Hieruit blijkt wel dat elk vertrouwen in een zo eerlijk mogelijke rechtsgang
binnen De Gereformeerde Kerken onmogelijk werd en wordt geacht,
omdat hier kwade trouw wordt verondersteld bij de kerkelijke
vergaderingen.
Nog belangrijker is het volgende: het vragen van revisie van een besluit,
waarvan men overtuigd is dat het de kerken afvoert van de waarheid van
Gods Woord is altijd geboden, ongeacht of het wordt ingewilligd of niet.
Als men die arbeid biddend verricht vervult men zijn roeping en mag de
uitkomst aan de HEERE worden overgelaten.
In elk geval worden op deze wijze de kerkenraden en kerkleden
opgeroepen om mee te strijden voor de reformatie van de kerk.
Tot het laatste toe zijn er in het verleden revisieverzoeken bij de synodes
van de Gereformeerde kerken vrijgemaakt ingediend, terwijl de praktijk
van verschillende synodes uitwees dat er over die synodes verharding
was gekomen. Toch bleef men revisieverzoeken indienen.
Opgebroken was de kerkelijke weg pas toen die uitliep op het ravijn van
de voortgezette en bevestigde deformatie. Dat werd werkelijkheid toen
twee, soms wel drie, achtereenvolgende synodes niet alleen de
revisieverzoeken afwezen, maar zelfs op de weg van de deformatie
voortgingen. Toen was inderdaad de tijd gekomen om op te roepen de
weg te gaan die art. 28 NGB aanwijst, overeenkomstig de Schrift, de
weg van de Vrijmaking. Toen - eerder niet.
En in de huidige situatie binnen De Gereformeerde Kerken, nu men tot
een zogenaamde vrijmaking overgaat zònder revisieverzoeken te
hebben ingediend, is er van reformatie geen sprake, maar van het
aanrichten van scheuringen (Tit. 3: 10).
6.6 Gezag
We moeten nog terugkomen op het slot van 5.4. Daarbij sluiten we aan
bij het begin van deze paragraaf, namelijk de boude en ontdekkende
uitspraak:
Een meerdere vergadering heeft ook geen gezag over een mindere
vergadering; laat staan over een kerkenraad.
De kerkorde stelt overeenkomstig de Schrift als de roeping met
betrekking tot synodebesluiten: die moeten als bindend worden
aanvaard. Immers, niet alleen een kerkenraad heeft gezag, ook
47
meerdere vergaderingen hebben gezag. Weliswaar afgeleid,
tweedehands, gedelegeerd gezag. Maar wel terdege gezag.
Er worden wel redeneringen opgezet met behulp van woordenboeken,
alsof er verschil zou zijn tussen bevoegdheid en gezag. De uitdrukking
voor het gezag van de classis in de oude versie van art. 36 ('t Zelfde
zeggen, dat is ’gezag’) wordt in de nieuwe versie uitgedrukt door het
woord ‘bevoegdheid’ van de meerdere vergaderingen:
De classis heeft de bevoegdheid rechtsgeldige uitspraken te doen ten
opzichte van de kerkenraad. Dit geldt eveneens voor de particuliere
synode ten opzichte van de classis en voor de generale synode ten
opzichte van de particuliere synode.
Daaruit blijkt dat het woord ‘bevoegdheid’ hetzelfde uitdrukt als ‘zeggen,
gezag, zeggenschap’. Het woordenboek verklaart bevoegdheid als
machtsoverdracht, in de rechtsorde, om beslissingen te nemen. Het is
het oude ‘zeggen’, dat is zeggenschap: het recht om over iets te
beslissen, om rechtsgeldige uitspraken te doen, dat is om wettige
uitspraken te doen die van kracht zijn.
Toen Nederland in 1940 door de Duitsers bezet werd en zij hier de
dienst uitmaakten heeft prof. K. Schilder in de eerste nummers van DE
REFORMATIE na de inval geschreven over macht en gezag. De Duitsers
hadden met de brute, niets ontziende kracht van hun legers de macht
gegrepen, maar het wettige gezag bleef nog steeds berusten bij Hare
Majesteit Koningin Wilhelmina.
In Hand. 15 lezen wij dat in de vergadering van apostelen en ouderlingen
in Jeruzalem aan alle gemeenten werd voorgeschreven wat ze al of niet
mochten doen in hun leven. Dat besluit ging over het evangelie van vrije
genade, zonder enige eigen verdienste uit de wetswerken. Dat beginsel
werd uitgewerkt in praktische regelingen. Alle kerken binnen het
kerkverband (Antiochië, in Syrië en Cilicië) moesten dat besluit als
bindend aanvaarden.
Wij wijzen verder op Rom. 13:
1 Ieder mens moet zich onderwerpen aan de gezagsdragers die over hem
gesteld zijn, want er is geen gezag dan van God, en de gezagsdragers die
er zijn, zijn door God ingesteld,
2 zodat hij die zich verzet tegen het gezag, tegen de instelling van God
ingaat, en wie daartegen ingaan, zullen over zichzelf een oordeel halen.
7 Geef dus aan allen wat u verschuldigd bent: belasting aan wie belasting,
tol aan wie tol, ontzag aan wie ontzag, eer aan wie eer toekomt. HSV
48
Voor het woord ‘gesteld’ in vers 1 (SV verordend) staat in het Grieks van
het Nieuwe Testament een woord, dat letterlijk betekent: ieder op zijn
plaats gezet in de slagorde, namelijk van Gods legers (vgl. 1 Kor. 15: 23
– de opwekking van de doden, ieder in zijn eigen orde, op zijn eigen
plaats in de slagorde). Dus ook de synode en de classis en de
kerkenraad en het kerklid.
Het woord voor ‘onderwerpen’ betekent in het Grieks dan ook letterlijk: je
onderwerpen aan de toewijzing van je plaats. Dat betekent: je eigen
plaats in Gods orde aanvaarden.
Vandaar de vermaning in vers 7 om ontzag te betonen aan wie ontzag
toekomt, dat is eerbied, zich niet verzetten, maar aanvaarden.
Datzelfde woord wordt gebruikt over de houding van de vrouw ten
opzichte van de man, 1 Tim. 2: 11; voor de houding van kinderen tot hun
vader; aan de wet van God, 1 Tim. 8: 7; aan de wil van God, Rom. 10: 3.
Het is dan ook een totale vertekening van de werkelijkheid wanneer
binnen de Vijverhoeve-gemeenschap beweerd wordt dat wij de
waarschuwing tegen heerszucht in art. 83 KO alleen maar geldig zouden
achten voor de ene kerk over de andere kerk en de ene ambtsdrager
over de andere ambtsdrager, maar niet voor meerdere vergaderingen.
Alsof wij zouden beweren dat de meerdere vergaderingen wel mogen
heersen, dat is heerschappij voeren.
Heerschappij voeren is: de baas spelen, alleen maar met dwang
regeren.
Maar rechtsgeldige uitspraken doen en bevoegdheid en gezag
uitoefenen zijn beslist niet op één lijn te plaatsen met heerschappij
voeren.
Ook van het gezag van de meerdere vergaderingen geldt dat het wordt
uitgeoefend om te dienen. Maar dat betekent beslist niet dat het
vrijblijvende uitspraken zijn, die men wel naast zich neer mag leggen,
zonder revisie aan te vragen, zonder bewijs aan te voeren inzake de
strijdigheid met Gods Woord en de kerkorde, alleen met een beroep op
het geweten. Het zijn wettige en rechtsgeldige uitspraken die als bindend
moeten worden aanvaard.
Het is wel duidelijk dat hier aan de orde is de gehoorzaamheid aan het
vijfde gebod.
Het is heel opmerkelijk dat in de Vijverhoeve-brochure getwijfeld wordt
aan de strekking van het vijfde gebod met betrekking tot het gezag van
de ambtsdragers.
49
Op pag. 33 wordt beweerd dat binnen De Gereformeerde Kerken de
indruk wordt gewekt dat de kerkenraad beslist en de gemeenteleden dan
maar gehoorzaam moeten volgen. Daarvoor worden enkele citaten uit
DE BAZUIN aangehaald over je ‘onderwerpen aan het gezag van de
kerkenraad’.
Dat leidt dan tot de belangrijke vraag van de vijf voormalige
ambtsdragers (pag. 34):
Het is daarom de vraag of het vijfde gebod van toepassing is op de
ambtsdienst.
Nu geloven wij dat Zondag 39 in zijn uitleg over het vijfde gebod volstrekt
helder is over deze zaak. Daar belijden we namelijk dat ik
aan allen die gezag over mij ontvangen hebben, alle eer, liefde en trouw
bewijs, mij aan hun goede onderwijzing en tucht met gepaste
gehoorzaamheid onderwerp en ook met hun zwakheid en gebreken geduld
heb, omdat God ons door hun hand wil regeren.
“Aan allen die gezag over mij ontvangen hebben”, daar horen toch ook
de ambtsdragers in de kerk toe? Deze twijfel aan de betekenis van het
vijfde gebod voor de verhouding ambtsdragers – gemeente is tekenend
en ontdekkend voor de geest van eigenwilligheid die binnen de kring van
de Vijverhoeve heerst.
Als inderdaad het vijfde gebod niet van toepassing zou zijn op de
ambtsdienst, zouden er heel wat gereformeerde preken over Zondag 39
herschreven moeten worden (zoals B. Holwerda, De dingen die ons
van God geschonken zijn, Zondag 39, vanaf pag. 589)
En ook Het Schatboek der verklaringen van de Heidelbergse
Catechismus van Zacharias Ursinus zou dan misleidend zijn. Want
daarin staat bij de uitleg over het vijfde gebod:
Zij die in het opzichtersambt gesteld zijn, worden begrepen onder de naam
“vader” en “moeder”, en het zijn dezen:
1 De ouders, die ons gewonnen hebben, Spreuken 23: 22 en 25.
2 De voogden van de wezen, Esth. 2: 7, 10 en 20.
3 De meesters, leraars en dienaars der gemeente, 2 Kon. 2: 12 en 6: 21, en
1 Kor. 4: 15, Gal. 4: 19.”
Verder verwijzen we naar J. Calvijn, Institutie, III, 8, 35 en J. Douma, De
Tien Geboden deel II, serie Ethische Bezinning, vanaf pag. 97.
50
6.7 Eigenwilligheid met betrekking tot Zwijndrecht en
Bergentheim/Bruchterveld
In de ontwikkelingen naar de uiteindelijke scheuring heeft onder alles
een grote rol gespeeld de opvattingen van de vijf broeders inzake de
kerkelijke behandeling van wat we kort aanduiden als Zwijndrecht en
Bergentheim/Bruchterveld.
Zij hebben in toenemende mate kritiek gehad op de besluiten van de
Generale Synode te Zwolle 2007 inzake een revisieverzoek uit
Bergentheim/Bruchterveld met betrekking tot Zwijndrecht en op de
uitspraken van de classis Noord-Oost inzake de schorsing en afzetting
van ambtsdragers uit die gemeente.
Langzamerhand zijn zij er openlijk voor uitgekomen dat zij de scheurkerk
van Bergentheim/Bruchterveld als zusterkerk aanvaardden, waarmee zij
de band met de wettige kerk van Bergentheim/Bruchterveld verbraken.
En daarmee werd dan ook de gemeente te Zwijndrecht als zusterkerk
aanvaard.
Wat bewoog deze ambtsdragers van Zwolle tot die radicale stap? We
kunnen slechts gissen naar de banden die zij via de Vijfhoekconferenties
hadden met de voormalige ambtsdragers van
Bergentheim/Bruchterveld.
Hierin speelde wellicht ook mee hun afkeer van de koers van DE BAZUIN,
die zij zien als een voortzetting van de koers van REFORMANDA.
Maar uiteindelijk kwam het toch voort, zoals we eerder schreven, uit hun
onkerkelijke gedachten en opvattingen over de vrijheid van het
evangelie, dat zij zien als een tegenhanger van de opwekking tot
gehoorzaamheid aan Gods geboden. Die opvattingen brachten hen
ertoe het kerkverband en de meerdere vergaderingen uit te hollen, alsof
die geen gezag zouden hebben. Ja zelfs zo dat zij nu beweren, dat die
meerdere vergaderingen geen enkel gezag hebben en eigenlijk alleen
maar organen zijn die slechts vrijblijvende adviezen mogen geven.
Het is uiting van wat zij zichzelf waarschijnlijk niet bewust zijn, een geest
van eigenwilligheid.
Toch liggen de zaken van Bergentheim/Bruchterveld en Zwijndrecht heel
eenvoudig, voor wie in zijn denken en kerkelijk handelen gewoon
gereformeerd is en blijft, en de Schriftuurlijke beginselen van het
kerkrecht en de inhoud en omvang van het vijfde gebod als zijn
richtsnoer heeft.
De kerkorde is heel duidelijk over een situatie als deze. Artikel 38 stelt:
51
Slechts met instemming van de classis kunnen in een plaats voor het eerst
of opnieuw de ambten worden ingesteld.
En in art. 39 lezen we:
Plaatsen waar nog geen kerkenraad kan zijn, zal de classis onder de zorg
van een naburige kerkenraad stellen.
De classis Zuid - West was met betrekking tot de gemeente te
Zwijndrecht van oordeel dat het instellen van de ambten op dat ogenblijk
nog niet mogelijk was vanwege ernstige verdeeldheid in de gemeente.
Het was niet zo dat er maar wat verschil van mening was over allerlei
zaken, maar ten tijde dat haar instemming gevraagd werd met de
instelling van de ambten in Zwijndrecht was deze gemeente al
daadwerkelijk verscheurd.
Als er binnen het ressort van een classis een gemeente zonder
ambtsdragers ernstig verscheurd is, is het de Schriftuurlijke roeping van
zo’n classis om eerst alles in het werk te stellen om die scheur te helen.
Dit tot welzijn van die gemeente en het welzijn van de broeders en
zusters.
Daarom wilde de classis aan het helen van die verschrikkelijke situatie
binnen een gemeente van Christus eerst werken. Zij besloot dan ook
overeenkomstig art. 39 KO Zwijndrecht onder de zorg van de zusterkerk
te Berkel en Rodenrijs / Bergschenhoek te plaatsen.
De meerderheid van het bestuur in Zwijndrecht besloot echter zich aan
deze uitleg van de artikelen 38 en 39 van de kerkorde om ’s Heeren wil
niet te mogen conformeren, omdat deze uitleg in zou gaan tegen de
kerkorde en zou betekenen dat de classis in strijd met art. 83 KO heerste
over de groep in Zwijndrecht.
Daarom ging men in beroep bij de Generale Synode met het verzoek uit
te spreken dat de classis een verkeerde uitleg gaf aan deze artikelen van
de kerkorde.
Men wilde in Zwijndrecht die onder zorg stelling zelf invullen in deze zin
dat dit niet méér betekende dan dat zij aan de kerkenraad van die
zusterkerk zo nodig advies en hulp konden vragen.
Alsof daarvoor een besluit van de classis nodig zou zijn!
Echter, die zorg is ambtelijke zorg, zoals die in een wijkgemeente
gegeven wordt door middel van huisbezoeken, hulp bij preeklezen,
deelname in de kerkenraadsvergaderingen enz.
52
Zich onder opzicht en tucht stellen van de naburige kerkenraad
verwierpen zij dan ook omdat zij zich immers als volwaardige kerk
zagen.
Toen de Generale Synode Mariënberg 2005 hun bezwaren afwees,
legde Zwijndrecht dat synodebesluit naast zich neer en wilde geen plaats
innemen binnen het kerkverband.
De kerkenraad van Bergentheim/Bruchterveld kwam bij de Generale
Synode Zwolle 2007 met een revisieverzoek inzake het besluit van de
Generale Synode van Mariënberg om de bezwaren van Zwijndrecht
tegen het beleid van de classis Zuid - West af te wijzen.
In dat revisieverzoek betoogde die kerkenraad dat de classis ten
onrechte haar instemming onthouden had aan de instelling van de
ambten in Zwijndrecht.
Maar de synode was van oordeel dat dit een plaatselijke zaak betrof en
dat de argumenten van de classis voor haar besluit niet beoordeeld
konden worden, omdat die berustten op vertrouwelijke zaken.
De meerderheid van de kerkenraad bemoeide zich dan ook met zaken
die hem niet aangingen.
Toch was dat door de HEERE verboden. In 1 Petr. 4: 15 worden wij
gewaarschuwd om dat niet te doen:
Maar laat niemand van u lijden als een moordenaar of dief, of kwaaddoener,
of als iemand die zich met de zaken van iemand anders bemoeit. HSV
Volgens de kanttekeningen van de Statenvertaling betekent dit: iemand
die zich met eens anders doen bemoeit. Zij noemen hem een lastige
indringer, zelfs een oproermaker.
Andere uitleggers noemen het een zich bemoeien met dingen van een
ander, waarmee je niets te maken hebt, die je moet overlaten aan een
ander. Zich als opzichter of voogd over een ander opwerpen en daarmee
in het ambt van een ander ingrijpen in plaats van zelfkennis te hebben.
De broeders rekenden niet met de waarschuwing van de Generale
Synode Heemse 1984, namelijk dat in deze zaken terughoudendheid in
acht genomen moet worden. Deze ‘beschermt de kerken tegen
overschrijding van de grenzen van wat haar toekomt. De
terughoudendheid is bovendien vereist in verband met de bescherming
van de eer en goede naam van appellanten en andere betrokkenen
overeenkomstig het 9e gebod, waaraan ook kerkelijke vergaderingen
gebonden zijn’.
53
Die onschriftuurlijke bemoeizucht werkte door in de gemeente. Er kwam
verdeeldheid in de gemeente, waardoor de een tegenover de ander
kwam te staan.
Dat was de schuld van de kerkenraad. Schuld? Ja, met alle goede
bedoelingen ging de kerkenraad toch in tegen Gods Woord door zich te
bemoeien met zaken die hem niet aangingen en waarover hij niet kon
oordelen.
Toch is het enige wat een kerkenraad met zo’n besluit over een
plaatselijke kwestie kan doen, beoordelen of de rechtsgang
overeenkomstig de regels van de kerkorde is geweest.
Nu, wat die rechtsgang betreft is er niets tegen het classisbesluit in te
brengen, daar deze volgens art. 39 KO het recht heeft om al dan niet in
te stemmen met het instellen van de ambten. Uiteraard is de classis dan
niet gerechtigd de reden voor haar besluit openbaar te maken, wanneer
dat een vertrouwelijke zaak is. En dat was met betrekking tot Zwijndrecht
zeker het geval.
De synode was dan ook van oordeel, omdat het besluit van de classis
een plaatselijke zaak betrof en omdat de kerken in het kerkverband niet
tot uitvoering geroepen zijn en dus ook niet behoeven te ratificeren, dat
het geraden was om de waarschuwing van de HEERE in Zijn Woord ter
harte te nemen, zoals die in 1 Petr. 4: 15 is verwoord.
De meerderheid van de kerkenraad besloot toen de credenties voorlopig
op te schorten voor de tijd van een maand. Daarmee gaf men te kennen
zich niet meer vertegenwoordigd te achten in de Generale Synode.
Dat is hetzelfde als wat er gebeurde in de zestiger jaren, toen enkele
kerkenraden in Noord-Holland eveneens uitspraken zich niet meer
vertegenwoordigd te achten in de toen zittende Generale Synode en
daarom zich niet gebonden te achten aan de besluiten van deze synode.
Dat was het begin van de scheuring die leidde tot de vorming van de
kerken-buiten-verband.
In Bergentheim/Bruchterveld betekende het dat deze broeders hun eigen
opvatting over de zaak Zwijndrecht wilden doorzetten, ondanks het feit
dat de synode besloot hun bezwaarschrift niet te behandelen. De synode
had geen besluit genomen om hun bezwaren af te wijzen, maar had die
eenvoudigweg niet behandeld.
De broeders hoefden verder niets te doen dan erin te berusten. Maar zij
gingen zover toen de band met het kerkverband te verbreken.
Dat moest leiden tot hun schorsing.
54
Het is een fabeltje, dat ondanks de meermalen getoonde bewijzen voor
het tegendeel nog altijd verkondigd wordt, dat toen twee ouderlingen vier
medeouderlingen hebben geschorst. De werkelijkheid is dat in een wettig
bijeengeroepen gecombineerde vergadering – waarbij de vier broeders
weigerden aanwezig te zijn, omdat zij hun eigen vergadering hielden –
waar dus vijf ouderlingen aanwezig waren, de vier ouderlingen geschorst
zijn.
Maar deze weigerden zich op de classis te beroepen. Zij hadden
besloten voor een maand buiten het kerkverband te gaan staan, maar
dat werd na die ene maand stilzwijgend verlengd totdat zij zich gingen
aansluiten bij het zogenaamd voorlopige kerkverband. Dat is de situatie
tot op heden.
Ook hier weer de eigenwilligheid met betrekking tot het gezag van de
meerdere vergaderingen. Het spreekt dan ook vanzelf dat het voorlopig
kerkverband, waar deze dwaling in het kerkelijk denken gevolgd wordt
en ernaar gehandeld wordt, zich achter deze scheuringen stelt.
55
7 DE AMBTEN - DE WEG VAN DE ROEPING
7.1 Rechtstreeks regeren?
De Vijverhoeve-brochure geeft vervolgens als onderdeel van de
deformatie, waarvan De Gereformeerde Kerken worden beschuldigd,
haar eigen opvattingen over het ambt.
Hierover worden twee paragrafen geschreven:
C. Over ambt en kerkelijke vergaderingen, pag. 33-42 en
D. Grenzen aan de erkenning van het ambt, pag. 42-43.
Van de tien pagina’s zijn er niet minder dan zeven gevuld met allerlei
citaten van anderen, waarvan bijna twee pagina's gewijd zijn aan een
omschrijving in een artikel in DE BAZUIN, die al lang middels een
publieke rectificatie teruggenomen is.
Wij zijn van mening dat dit al met al een schamele basis is om als
argument te dienen voor de zware aanklacht van deformatie. Het is
onthutsend om in een officiële verantwoording van deze gemeenschap
daarvoor zulke minieme pogingen tot bewijs te lezen.
Als eerste is te noemen dat op de pagina’s 31 en 33 wordt gesteld dat
Christus zijn gemeente rechtstreeks regeert door zijn Geest en Woord. Hij
maakt daarbij gebruik van kerk en ambt om door middel van de
genademiddelen (prediking en sacrament) zijn volk te vergaderen, te
beschermen en te onderhouden.
Merkwaardig is dat de brochure enerzijds met nadruk stelt dat Christus
Zijn gemeente rechtstreeks regeert door Zijn Geest en Woord en
anderzijds dat Hij daarbij gebruik maakt van kerk en ambt. Met dat
tweede neemt men terug dat Christus Zijn gemeente rechtstreeks
regeert. Want rechtstreeks is nu eenmaal rechtstreeks, dus zonder
tussenkomst/bemiddeling van anderen.
In de brochure wordt het rechtstreeks nog tweemaal benadrukt door
onderstreping, op de pagina’s 39 en 62. In het eerste geval betreft het
een citaat van prof. P. Deddens, in het tweede geval een citaat van prof.
H. Bouwman.
In beide citaten gaat het echter om de rechtstreekse band die de
gelovigen aan Christus hebben en dus niet met een hiërarchie als
noodzakelijke tussenschakel. Dat is uiteraard wat anders dan dat
Christus zijn kerk rechtstreeks regeert.
56
Dat is ook duidelijk te maken met dit citaat van ook Bouwman uit zijn
Gereformeerd Kerkrecht deel 2 waar hij schrijft op pag. 202 over de
generale synode en haar leden:
Leden der synode zijn de vertegenwoordigers van de kerk, die afgevaardigd
zijn om de zaken der kerk te behartigen. Christus is de Koning der kerk, die
zelf zijne gemeente regeert door zijn Woord en Geest. Hij zou zijne kerk ook
wel rechtstreeks hebben kunnen regeeren, zonder eenig hulpmiddel, maar
Hij wilde zich neerbuigen tot ons, ons door zijn Woord onderwijzen, en zich
van menschen bedienen, opdat deze in zijn Naam en naar zijn Woord de
gemeente zouden leeren en leiden, opdat zij toebereid zouden worden tot
de lof des Heeren.
We zien hier de nauwe aansluiting bij Calvijn en zijn spreken over de
regering van de kerk, waartoe Christus de dienst van mensen aanwendt,
zie De Institutie Boek 4, hoofdstuk 3, paragraaf 1.
Waar komt die verwarring uit voort? Ook hier zien we weer dat zich
wreekt de fout van het uitgangspunt, als zou de reformatie van de kerk
vooreerst en voornamelijk moeten zijn de terugkeer tot het evangelie van
vrije genade, als zou dat het enige ijkpunt zijn voor het al of niet kerk zijn.
Maar de brochure verwart hier de rechtstreekse band die de gelovigen
met Christus hebben en de weg die Christus gebruikt om Zijn genade en
heil mee te delen.
In de Roomse kerk wordt de kerkleden (de ‘leken’) geleerd dat het de
‘geestelijken’ (de ‘clerus’) in de kerk zijn die de genade uitdelen door
middel van de sacramenten, met name door de doop, de mis, de
absolutie na de biecht, het sacrament van de stervenden.
Daartegenover belijdt de kerk dat er geen mens staat tussen de
gelovigen en Christus.
De band die zij van Christus hebben, werkt rechtstreeks en mag niet door
het bijzondere ambt worden gehinderd’,
een citaat van Bouwman door de brochure zelf gegeven, pag. 62.
Maar dat is iets totaal anders dan te zeggen dat Christus Zijn gemeente
rechtstreeks regeert.
Hij is het Die de ambtsdragers aan Zijn gemeente geeft als geschenken
bij Zijn hemelvaart, Ef. 4: 8-11. Hij is het Die door middel van die
ambtsdragers, door de prediking en de bediening van de sacramenten
en de kerkelijke tucht, Zijn beloften vastmaakt en verzegelt en daardoor
ons Zijn genade meedeelt. Zelfs door de vermaningen wordt de genade
meegedeeld, belijdt de kerk in de Dordtse Leerregels.
57
Daarom belijdt de kerk de vergeving van zonden als het werk van de
Heilige Geest in de kerk, want de HEERE wijst ons voor het ontvangen
van Zijn heil naar de kerk. Het zijn niet alleen mijn zonden, die vergeven
worden. Zelfs thuis bidden we in de gemeenschap met de broeders en
zusters: vergeef ons onze zonden! Niet alleen anderen, maar ook mij
wordt vergeving van zonden geschonken, Zondag 7 Heidelbergse
Catechismus – in die volgorde.
De Heilige Geest belooft dat Hij ons levende leden wil maken. En van
ieder van ons is eens gebeden of de HEERE ons eens in het eeuwige
leven volkomen rein in de gemeente van de uitverkorenen een plaats wil
geven.
7.2 Door middel van de ouderlingen
Uit dat alles blijkt duidelijk dat Christus Zijn kerk regeert door middel van
de ambtsdragers. De ambtsdragers moeten de gemeenten regeren
zonder heerschappij te oefenen. Christus noemt Zichzelf de overste
Leidsman en de Opziener (Bisschop), Hebr. 2: 10, 12: 2.
En de ambtsdragers krijgen van Hem ook daarvan afgeleide namen:
opzieners en oudsten.
We noemen enkele Schriftplaatsen.
1 Tim. 5: 17:
De oudsten, die goede leiding geven (Statenvertaling: die wel regeren), komt
dubbel eerbewijs toe, vooral hun, die zich belasten met prediking en
onderricht.
1 Thess. 5: 12:
Wij verzoeken u, broeders, hen, die onder u zich moeite getroosten, die u
leiden in de Here en u terechtwijzen, te erkennen.
De Kanttekeningen verklaren dat ‘leiden’ als volgt: in de regering van de
gemeente en in de uitoefening van de tucht. De Nieuwe Bijbelvertaling vertaalt
dat ‘in de Here’ met: ‘op gezag van de Here’. Het woord voor ‘leiding geven’
betekent letterlijk: leiden, aan het hoofd staan. Rom.12: 8:
wie leiding geeft in ijver.
Voor dat woord leidinggeven gebruikt de Schrift een woord, dat betekent:
als hoofd van een bestuur optreden, aan het hoofd staan. De
Kanttekeningen gebruiken in hun verklaring ook hier weer het woord
regeren:
58
opzicht om de gemeente te regeren en in christelijke vrede en eendracht te
houden.
Opziener is de naam voor Christus. Hij wordt de grote Opziener
genoemd, de Bisschop. Die naam krijgen de ouderlingen ook: opzieners.
We staan onder opzicht en tucht van de kerkenraad.
Dat leiding geven mag niet ontaarden in heerschappij. Daarvoor worden
de ouderlingen bij hun bevestiging gewaarschuwd uit de Schrift, 1 Petr.
5: 3. Een vader in zijn gezin wordt ten voorbeeld gesteld, 1 Tim. 3: 5.
Zoals die zijn gezin moet regeren, zo moet de ouderling dat doen met de
gemeente. Dat betekent dat het niet best is wanneer een vader tegen
een kind, dat om uitleg vraagt over een gebod of verbod van vader,
alleen maar zegt: omdat ik het zeg! Hij zal proberen zijn kind te leren
vragen wat de HEERE wil. Maar tenslotte zal hij toch moeten zeggen: zo
moet het gebeuren.
Zo zullen ook ouderlingen alleen met het Woord van de HEERE regeren.
Maar dan ook uiteindelijk met gezag optreden en indien nodig vermanen.
In het formulier voor de bevestiging van ouderlingen en diakenen leest u
dan ook dat de naam oudste aanduidt 'een aanzienlijk ambt van regering
over anderen’. Het nieuwe formulier luidt: ‘Reeds in het Oude Testament
werd met het woord oudste een persoon aangeduid die een regeerambt
bekleedde.
Uit deze Schriftplaatsen is het heel duidelijk: Christus de Herder, de
Bisschop, regeert Zijn gemeente door middel van de onderherders, de
onderopzieners, de ouderlingen.
7.3 De roeping tot het ambt
De weg tot het ambt doorloopt verschillende stadia.
Eerst het verzoek aan de gemeente om namen in te dienen van
broeders die men geschikt acht voor het ambt van ouderling of diaken.
Daarop volgt de talstelling door de kerkenraad. Daarmee beperkt de
kerkenraad de keus van de gemeente en dat nog meer wanneer de
kerkenraad van oordeel is slechts één kandidaat beschikbaar te hebben
voor de vervulling van een vacature.
Daarna komt de verkiezing door de gemeente.
Vervolgens de benoeming van de kerkenraad.
Dat is geen formaliteit - de kerkenraad kan zelf alsnog redenen hebben
de verkozenen niet te benoemen of kan tot dit besluit komen op grond
59
van door de gemeente ingebrachte en door de kerkenraad als geldig
beoordeelde bezwaren. Ook kan de kerkenraad een benoemde broeder
op zijn verzoek ontheffing verlenen na de vaststelling dat zijn bezwaren
gegrond zijn om zijn verzoek in te willigen.
Tenslotte komt dan de bevestiging in het ambt.
In deze gang van zaken komen wij in aanraking met het gezag van de
kerkenraad. Dat is overeenkomstig wat de Schrift ons daarover leert.
Ambtsdragers worden aangesteld door Christus, Die daarvoor bepaalde
gezagsdragers gebruikt.
In de gemeente te Jeruzalem worden de diakenen wel verkozen door de
gemeente, maar ze worden aangesteld door de apostelen, Hand. 6: 3.
Diezelfde uitdrukking aanstellen vindt u ook in Hand.14: 23. De
apostelen zijn dus de gezagsdragers die de ouderlingen en diakenen
aanstellen met medewerking van de gemeente. Zo wordt Titus door de
apostel gemachtigd om ouderlingen aan te stellen.
Op grond van deze gegevens is de kerkelijke praktijk geworden dat de
gemeente ambtsdragers verkiest en dat zij daarna worden benoemd
door de kerkenraad. Ook nu nog handelt het om gezagsdragers, die de
ambtsdragers aanstellen.
Van de te bevestigen ambtsdrager wordt gevraagd of hij gelooft door
God Zelf door middel van de gemeente geroepen te zijn. Vroeger
gebruikte men daarvoor het woordje mitsdien: door de gemeente en
mitsdien door God Zelf.
Men moet niet de gemeente uitspelen tegen de kerkenraad. Het in Matt.
28: 16 voorgeschreven: “zeg het aan de gemeente” wordt door de kerk
zo uitgelegd: zeg het aan de kerkenraad.
De roeping hangt dus af van deze Schriftuurlijke orde.
Het is evenzeer volgens de Schriftuurlijke orde dat de kerkenraad een
einde kan maken aan de roeping door God. Dat gebeurt wanneer de
kerkenraad tot de overtuiging komt dat de betrokken ambtsdrager moet
worden geschorst. Ook dat besluit moet worden aanvaard als een besluit
van God Zelf. Hij is het Die iemand in het ambt stelt, Hij is het ook Die
iemand van zijn ambtelijke roeping ontheft.
Het is dus beslist niet zo dat deze hele organisatie van de inrichting van
de kerk gegrond zou zijn op “het geloof van de gemeente”.
Zo wordt in de Vijverhoeve-brochure wel beweerd, pag. 31:
Het geloof van de gemeente vertaalt zich in een kerkelijke organisatie, wat
inhoudt dat de gemeente ambtdragers verkiest die leiding geven aan de
60
gemeente door de prediking van het Evangelie, de bediening van de
sacramenten en door de onderlinge en ambtelijke tucht.
Volgens de brochure zijn er dus ambtsdragers in de kerk als gevolg van
het geloof van de gemeente. Want dat geloof van de gemeente vertaalt
zich volgens de brochure in een kerkelijke organisatie.
Daartegenover zegt onze belijdenis in art. 30 NGB:
Wij geloven dat deze ware kerk geestelijk geregeerd moet worden op de
wijze die onze Here ons in zijn Woord geleerd heeft.
Let wel dat hier dus ook in de belijdenis het woord ‘regeren’ wordt
gebruikt voor het ambtswerk van de ouderlingen.
Dit houdt in dat de ambten in de kerk niet een gevolg zijn van het geloof
van de gemeente, wat zich vertaalt in een kerkelijke organisatie, maar
dat de ambten er moeten zijn omdat de HEERE ons dat in Zijn Woord
leert. En gehoorzaam aan die geopenbaarde norm voor de regering van
de kerk zullen wij hebben te handelen.
Ook hier zien we in de Vijverhoeve-brochure weer de doorwerking van
de lutherse idee over de reformatie van de kerk als alleen maar
bestaande uit de terugkeer tot de prediking van het evangelie van vrije
genade, maar dat met verwaarlozing van de Schriftuurlijke inrichting van
de kerk.
Wat de bevestiging betreft: het is opmerkelijk dat de handoplegging, die
onder ons alleen in gebruik is bij de bevestiging van een kandidaat als
predikant, vroeger ook gebruikt werd bij de bevestiging van ouderlingen.
Op die handoplegging wijst het Griekse woord voor aanstellen in Tit. 1:
5. En vooral in Tim. 4: 14. Daar is sprake van de handoplegging door de
gezamenlijke oudsten, anders gezegd: de raad van de ouderlingen.
7.4 Onderwerping
In de toespraak tot de gemeente na de bevestiging wordt zij vermaand:
Gehoorzaamt uw voorgangers en onderwerpt u aan hen, want zij zijn het die
waken over uw zielen, daar zij rekenschap zullen moeten afleggen, Hebr.
13: 17
Dat is dus duidelijk een zaak van het vijfde gebod, waar de HEERE
gehoorzaamheid aan de ouders eist en daarmee ‘aan allen die gezag
over mij hebben ontvangen’.
In de vereisten voor ouderlingen wordt gesteld dat hij zijn eigen
huisgezin goed moet regeren.
61
Want als iemand zijn eigen huis niet weet te regeren, hoe zal hij dan voor de
gemeente Gods kunnen zorgen? 1 Tim. 3: 4-5.
Daarmee wordt het gezag van de ouderlingen vergeleken met en
afgemeten aan de uitoefening van het ouderlijk gezag, zoals onder 4.2 is
uiteengezet.
Dat zich onderwerpen aan de voorgangers is een ernstige zaak. Het
gaat om het waken over de zielen van de gelovigen en daarbij wordt dan
speciaal genoemd de ernst van het ook daarin eenmaal rekenschap
moeten afleggen van de ambtsdragers.
Dit alles moet ook in rekening gebracht worden met betrekking tot de
zaak van de regeling van de kerkgrenzen.
Wij geloven overeenkomstig de Schriften dat de Heere Jezus Christus
als het Hoofd van Zijn Christelijke kerk de Zijnen ieder afzonderlijk en
gezamenlijk hun plaats toewijst.
Hij wordt onze overste Leidsman genoemd, een militaire titel die
betekent: aanvoerder in de strijd. De Schrift geeft ook veel beelden van
die strijd. In die strijd heeft ieder zijn eigen orde, zijn eigen plaats in de
gelederen. Wij zullen alleen dan voorspoedig kunnen zijn in de strijd als
wij ons onze plaats laten wijzen door Hem.
Op welke wijze is het dat de HEERE ons onze plaats wijst?
Dat is niet een zaak van eigen keus of willekeur. Hij gebruikt daar
mensen voor, kerkelijke organen, meerdere vergaderingen. De kerkorde
spreekt daar heel uitvoerig over in verschillende artikelen. Daarin wordt
steeds weer het gezag van de kerkelijke vergaderingen aangewezen.
In het verleden van de kerken kwamen praktisch op elke synode wel een
of meer appels inzake de kerkgrenzen voor en dat was dan bijna altijd
het eindpunt van een verschil van mening over grensgevallen. Dat waren
dan ook echt grenskwesties, het vaststellen van de juiste grenzen. Maar
vrijwel nooit ging het om duidelijke onwilligheid om de eenmaal
vastgestelde grenzen te eerbiedigen. En zeker niet om uit eenzelfde
woonplaats toch lid te willen zijn van een verschillende plaatselijke kerk.
Dat laatste heeft met grenskwesties niets meer te maken, maar is een
zaak van wat is gaan heten: perforatie van de kerkgrenzen. Perforatie
betekent: ergens gaatjes in knippen, openingen in een afsluiting, in een
grens maken. Kerkleden kregen toestemming om in een andere plaats
kerklid te worden.
62
Dat gaat niet slechts om ‘regeltjes’ door mensen vastgesteld. Vóór onze
Vrijmaking in de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt werd die perforatie
van de gemeentegrenzen steeds meer toegelaten in navolging van de
praktijk van de Christelijke Gereformeerde Kerken.
Dat was een onkerkelijke, onschriftuurlijke praktijk, waartegen wij ons
altijd verzet hebben, omdat wij geloven dat het niet mensen zijn die de
kerk vergaderen, maar dat dat het werk is van de Heere Jezus Christus.
De kerk mag niet verworden tot een club van gelijkgezinde mensen, die
een kerk uitzoeken naar hun eigen smaak of ligging. Maar
overeenkomstig art. 27 NGB geloven wij dat de kerk de vergadering en
samenkomst is van de ware gelovigen, die in de eenheid van het ware
geloof vergaderd worden door de Zoon van God. Hij wijst ons de plaats
waar wij ons moeten “voegen tot deze vergadering, hetzij op wat plaats
God ze gesteld heeft”, art. 28 NGB.
We kunnen daarbij denken aan de bekende regel uit een lied, dat dit
gegeven aldus verwoordt:
Gij hebt, o albestierend Koning,
de plaats bestemd voor ieders woning,
de kring waarin hij werken moet.
Dat is dan in elk geval ook: de plaats waarin hij kerken moet! En verder
in couplet 2:
Laat ons aan U geen wetten stellen.
Laten we daarin toch vooral niet onze eigen zin doorzetten en onszelf tot
een wet zijn. Dat wordt dan steeds meer een eigenwillig dienen van de
HEERE.
De vraag wordt vaak gesteld of niet eerder de liefde moet regeren in
plaats van het recht. Kan de kerk daarin dan niet soepel zijn, om
kerkleden te behouden? Het is toch niet zo als een oud spreekwoord
zegt: gerechtigheid moet geschieden, al zou de wereld erbij ondergaan
(fiat justitia, pereat mundus)?
Prof. K. Schilder leerde ons dat het juist andersom is: het recht moet zijn
loop hebben, anders vergaat de wereld. Juist het handhaven van
Schriftuurlijke regels is het behoud van de wereld. Die gerechtigheid is
niet in strijd met de liefde.
De kerkorde stelt de regels juist om de kerk, het Jeruzalem dat uit de
hemel neerdaalt, te bewaren bij de vrede van die godsstad. Het recht
moet gehandhaafd worden, anders gaat de kerk ten onder!
63
7.5 Hoe men zich moet gedragen in het huis van God
– 1 Tim. 3: 15
In verband met de handelwijze van de minderheid van de kerkenraad
schrijven we nu over wat de HEERE daarin vraagt van de ambtsdragers.
Stel dat je als ambtsdrager artikelen van je predikant leest in DE BAZUIN,
waarbij je grote vraagtekens hebt. Ja zelfs zo groot dat het idee bij je
postvat dat je hiermee te maken hebt met een dwaalleer inzake de kerk.
Is het dan je opdracht, functionerend binnen hetzelfde college van de
kerkenraad, om je predikant daarover te bevragen, desnoods tijdens een
kerkenraadsvergadering, of moet je dan, één front vormend met medeambtsdragers,
de kerkenraad direct oproepen tot bekering van een
kerkistische dwaling en hoogmoedige kerkvisie?
Het antwoord op die vraag lijkt ons toch niet zo moeilijk. Wat ons betreft
geldt hier: Wie een oproep tot bekering aan zijn kerkenraad laat uitgaan
in verband met een vermeende dwaling van de eigen predikant en een
emeritus predikant, zonder eerst het gesprek te zoeken op een goede,
christelijke manier, die snijdt welbewust de band der broederliefde door.
Of roept de Schrift ons niet op, zie o.a. Gal 6: 1, om tot het uiterste te
gaan als we een medebroeder op de verkeerde weg zien gaan?
Dit klemt des temeer als we zien tot welke lichtvaardige conclusies de
Verklaring en oproep d.d. 24 nov. en 12 dec. 2009, het geschrift dat de
ambtsdragers hebben verspreid ten tijde van de scheuring, komt. Daarin
worden de beide predikanten, ds. P. van Gurp en ds. S. de Marie,
immers beschuldigd van een oudtestamentisch, rooms kerkbegrip. Op
pag. 8 van dit geschrift lezen we :
Erger nog: door de manier waarop onder ons geclaimd wordt de 'enige ware
kerk' te zijn binden we de kerk aan personen en plaatsen op een manier die
vreemd is aan het Schriftuurlijk onderwijs in onze belijdenissen. Daardoor
wordt het kerkvergaderend werk van Christus opgesloten binnen het in 2003
ontstane instituut van De Gereformeerde Kerken (hersteld). Er is maar één
ware kerk en dat zijn wij.
Dit is wat volgens de Verklaring en oproep door de beide predikanten
wordt gedaan: het kerkvergaderend werk van Christus opsluiten binnen
het in 2003 ontstane instituut.
Stel nu eens dat je echt denkt dat dit de leer is van deze beide
predikanten op basis van een paar artikelen. Zou het dan niet eerlijk en
broederlijk zijn om ook eens na te gaan wat zij op andere plaatsen
hierover geschreven hebben?
64
In dit verband willen we aanhalen wat ds. S. de Marie heeft geschreven
met betrekking tot het kerkvergaderend werk van Christus op 1 april
2009 in DE BAZUIN in reactie op student L. Heres
De in dit verband van belang zijnde zinnen hebben we vet gedrukt.
Het loskoppelen van plaatselijke kerk en kerkverband werd ook na de
vrijmaking van 1944 verdedigd. We lezen daarover in het bovengenoemde
boek De Kerk III, waarin opgenomen is een antwoord van prof. K. Schilder
op het schrijven ds. B.A. Bos, pag. 231-238.
Ds. Bos bepleitte in 1948 om te spreken van een overgangstijd. Er zouden
volgens hem ook na de vrijmaking van 1944 ware plaatselijke kerken
kunnen bestaan in een vals kerkverband.
Maar daar tegenin brengt prof Schilder in stelling de afspraak van art. 31
K.O. Door voor vast en bondig te houden wat tegen Gods Woord indruist,
heeft een plaatselijke kerk in een onwettig kerkverband, de kenmerken van
de ware kerk niet bewaard. Dat wil niet zeggen dat daar geen gelovigen zijn.
En dat wij niet hartelijk moeten bidden of de Here hen met ons wil verenigen.
We zullen ook niet mogen zeggen dat de Here niet met hen bezig is om
hen bij Zijn ene kudde te brengen. Christus’ vergaderwerk is nooit
statisch: Hij is niet gebonden aan één bepaald kerkinstituut. Niet aan
de Gereformeerde Kerken van vóór 1944, niet aan de Gereformeerde
Kerken (vrijgemaakt), maar ook niet aan De Gereformeerde Kerken
(hersteld).
Dat moet ons blijven aansporen om nu steeds goed te blijven luisteren naar
Zijn stem, en Hem metterdaad te volgen waar Hij ook gaat. Dat heeft de
recente vrijmaking ons weer geleerd. Onze bede moet zijn of zij die van de
kerk zijn, maar nog achtergebleven zijn, dit ook mogen aanvaarden.
Hieruit blijkt overtuigend dat ds. De Marie Christus’ kerkvergaderend
werk niet opgesloten ziet binnen De Gereformeerde Kerken. Ook dát
heeft hij geschreven. Is het dan niet eerlijk en christelijk bovenal, om heel
het schrijfwerk in rekening te brengen van onze predikanten alvorens
zulke harde en onterechte oordelen te vellen zoals in de Verklaring en
oproep gebeurt?
Daar komt nog bij dat ds. P. van Gurp, lid van de gemeente te Zwolle,
emeritus predikant van de gemeente te Emmen is, en aan die kerk dus
ambtelijk verbonden. Bij dwaalleer en daarmee gepaard gaande
tuchtoefening moeten dan de twee kerken onder wiens toezicht hij staat,
de kerken te Emmen en te Zwolle dus, zich met elkaar in verbinding
stellen om te trachten gezamenlijk tot een eenparige beslissing te
komen, (zie Generale Synode Amsterdam 1936, art. 213).
65
Maar niets van dit alles voor de vijf broeders. In hun Verklaring en
oproep worden de beide predikanten, zonder voorafgaand gesprek over
hun vermeende dwaalleer, aan de schandpaal genageld en de
kerkenraad van Zwolle voor het blok geplaatst.
66
8 EIGENWILLIGHEID CONTRA
GELOOFSGEHOORZAAMHEID
Over deel 3 van de Vijverhoeve-brochure : Kerkscheuring in Zwolle
8.1 Niet op de straten van Gath en Askelon – 2 Sam. 1: 20
De kerkenraad heeft zich uitvoerig bezonnen op de vraag op welke wijze
gereageerd moet worden op de Vijverhoeve-brochure. Moet de
kerkenraad het voorbeeld volgen van de vijf voormalige ambtsdragers
die dit geschrift hebben uitgegeven? Zij citeren daarin namelijk uitvoerig
uit vertrouwelijke notulen van de kerkenraad, ondanks herhaald gedane
beloften om vertrouwelijke zaken niet openbaar te maken.
De kerkenraad is van oordeel dat deze wijze van verdediging, zowel van
de kant van de uitgetreden vijf voormalige ambtsdragers als van de kant
van de kerkenraad volstrekt verwerpelijk is. En dat niet alleen vanwege
de eerder gedane beloften en verklaringen van geheimhouding, waaraan
behalve de vijf genoemde alle toenmalige kerkenraadsleden zich hebben
gebonden en de kerkenraad in zijn huidige samenstelling zich ook nog
gebonden weet. Het is niet minder dan woordbreuk om dat toch te doen.
Maar vooral om de waarschuwing van de HEERE dat wij ervoor moeten
waken dat niet door onze schuld de naam van de HEERE gelasterd
wordt.
Het is een wereldse trend in onze tijd om allerlei vertrouwelijke informatie
meteen maar aan de grote klok te hangen. Dat is in de wereld al een
omstreden zaak – we denken bijvoorbeeld aan Wiki-Leaks. Hoeveel te
meer is dat dan in de kerk verwerpelijk, waar alles er zo op aankomt!
Toen Saul en Jonathan waren gevallen in de strijd tegen de aartsvijand,
de Filistijnen, heeft David, de door de HEERE gezalfde, een klaaglied
gezongen. Dat hij klaagde over de dood van Jonathan, zijn
boezenvriend, was te begrijpen. Maar dat Saul geen uitweg meer zag en
hij zichzelf van het leven beroofde – ook dat was voor hem reden tot
diepe rouw. Ook al was hij nu verlost van de achtervolgingen en
doodsdreigingen van de kant van Saul, hij zong zijn klaaglied: hoe zijn
de helden gevallen! Een klaaglied dat de Judeeërs moesten leren en
nooit mochten vergeten. En dan roept hij uit:
Maak het niet bekend in Gath, breng de boodschap niet op de straten van
Askelon, 2 Sam. 1: 20 HSV
67
Immers, dan wordt de heilige Naam van de HEERE gelasterd als
mensen gaan spotten over de zonde in de kerk!
De kerkenraad wil zich daaraan niet schuldig maken en zal dan ook in
deze WEERLEGGING geen citaten geven uit de vertrouwelijke notulen.
Dat betekent wel dat de kerkenraad zich niet kan verdedigen tegen
allerlei valse beschuldigingen, zodat de waarheid niet aan het licht komt.
Daarom zal de kerkenraad volstaan met hier en daar een korte
samenvatting te geven van het verhandelde.
8.2 De aanvankelijk verborgen drijfveer van de geschorste en
afgezette ambtsdragers
We wezen al eerder op twee opmerkelijke afwijkende opvattingen, die in
allerlei discussies binnen de kerkenraad niet zo duidelijk uitgesproken
werden, maar pas later vorm kregen en uiteindelijk duidelijk uitgedrukt
werden in de Vijverhoeve-brochure.
Mogelijk hebben de broeders een onbewuste afkeer gehad van het
gewone Schriftuurlijke belijden inzake de uitwerking van Gods vrije
genade, namelijk in niet alleen in de rechtvaardiging maar ook in de
heiligmaking. Blijkbaar heeft later iemand buiten hun eigen kring daar
deze naam aan gegeven en hebben zij zich daarin herkend en zich daar
achteraf bij aangesloten.
De eerste opmerkelijke opvatting was de uitspraak dat bij nader inzien
de basis van de Vrijmaking in 2003 toch inderdaad te smal was geweest.
In plaats van allerlei kwesties als reden voor die Vrijmaking aan te
voeren, zo wordt nu achteraf met grote stelligheid beweerd (tot zelfs in
de titel van de Vijverhoeve-brochure): men had er oog voor moeten
hebben dat het ging om het evangelie van vrije genade!
De tweede was de openhartige uitspraak:
Een meerdere vergadering heeft ook geen gezag over een mindere
vergadering; laat staan over een kerkenraad.
Die eerste uitspraak lag ten grondslag aan allerlei kritiek op de prediking
en de koers van de kerkenraad. De broeders beweerden telkens weer:
de liefde ontbreekt, het is alleen maar wet, de stem van de Goede
Herder wordt niet meer gehoord.
Ook de tweede uitspraak ging uit van die eenzijdige en daarom
onterechte nadruk op het karakter van het evangelie van vrije genade.
68
Daaruit meenden de broeders te moeten opmaken dat in plaats van
allerlei kerkrechtelijke regels, die zij in hun eigen opvattingen steeds
meer alleen maar als menselijke bedenksels waren gaan zien, het als
hoofdzaak alleen maar aankomt op de beleving van de evangelische
vrijheid.
De oude dwaling uit de tijd kort na de Afscheiding van 1834 dook weer
op: we hebben geen kerkrechtelijke regels nodig en zeker geen gezag
van meerdere vergaderingen – we staan immers in de vrijheid van het
evangelie en de Bijbel geeft genoeg voor het regelen van het
samenleven in de gemeente.
Die onschriftuurlijke opvatting heeft steeds meer het spreken en
handelen van de geschorste en afgezette ambtsdragers bepaald, met
name in hun verzet tegen synodebesluiten, zonder revisie aan te willen
vragen. Dat was de aanvankelijk verborgen drijfveer die hen bewoog.
In de loop van de gang naar de treurige ontknoping werd dat steeds
duidelijker en ging het alle spreken en handelen beheersen tot aan de
scheuring toe. Totdat deze tenslotte vorm kreeg en in de brochure
voorop gesteld werd als de diagnose van alle moeiten!
Toch moet die opvatting onschriftuurlijk genoemd worden. En de
geschiedenis van de verdeeldheid in de pas afgescheiden kerken in de
eerste jaren na de Afscheiding moet ons waarschuwen en ervoor
bewaren telkens weer in diezelfde zonde te vallen.
Ook nog in de gang naar het ontstaan van de Nederlands
Gereformeerde Kerken is die opvatting richting bepalend geweest.
Maar het is niet minder dan een zonde, waartegen de HEERE
waarschuwt door middel van Zijn apostel Paulus in Galaten 5: 13
Want u bent tot vrijheid geroepen, broeders, alleen niet tot die vrijheid die
aanleiding geeft aan het vlees, maar dien elkaar door de liefde HSV
Tegenover de dwaalleraars die een ander evangelie uitdroegen, dat er
op neerkwam dat de mens door de onderhouding van de wet zijn
gerechtigheid zelf zou kunnen verdienen, handhaaft de apostel daar de
vrijheid van de genade van God waardoor wij vrij mogen zijn.
Maar de HEERE waarschuwt ons dan meteen dat die vrijheid niet
betekent dat we dus zelf kunnen beslissen wat we wel of niet mogen
denken en spreken en doen! Dat noemt Hij ‘aanleiding geven aan het
vlees’, dat is aan de zondige begeerten van onze oude mens.
69
De vrijheid die de broeders claimen houdt in dat we er niet mee hoeven
te rekenen dat we nog altijd een oude mens hebben (het vlees) die ons
eigenwillig doet zijn in de dienst van de HEERE. Hun opvatting van de
vrijheid zet dan ook de deur wijd open voor de eigenwilligheid, zoals die
steeds meer hun denken en spreken en handelen ging beheersen.
Maar de vrijheid van het evangelie neemt niet weg de noodzaak van de
prediking van de wet. Die moet zelfs, zo belijden we in zondag 44 van de
Heidelbergse Catechismus, scherp gepreekt worden. Want zij is een
tuchtmeester tot Christus en regel van onze dankbaarheid.
Die waarschuwing hebben de heengegane broeders niet ter harte
genomen. Vandaar de bovenvermelde kritiek op de prediking en het
handelen van de kerkenraad en ook de eigenwilligheid, die steeds
duidelijker aan het licht kwam.
Zelf hebben zij dat vermoedelijk niet zo direct beseft, maar het was
kennelijk wel hun verborgen drijfveer , die steeds meer hun denken ging
beheersen die hen steeds verder dreef naar het uiteengaan, zelfs tot
scheurmaking toe.
70
9 OVERZICHT VAN DE GANG VAN ZAKEN
9.1 Het begin
We starten dit overzicht met de hulpvraag van de kerkenraad van Zwolle
in november 2008.
Vanaf die periode brengen we in kaart wat er zoal gedaan is om de
moeiten binnen de kerkenraad tot een verantwoorde oplossing te
brengen. Duidelijk zal dan ook worden dat de brochure bij het
‘chronologisch overzicht’, pag. 67/68, zwijgt over een aantal essentiële
zaken. Tevens wordt duidelijk dat bij het punt ‘meningsverschillen’, pag.
71 van de brochure, een wel heel belangrijke zaak wordt weggelaten,
namelijk de kritiek op de prediking en het functioneren van de predikant
en de uitkomst van de bespreking daarvan.
Alvorens dit overzicht uit te werken nog het volgende over de
samenstelling van de kerkenraad. In de brochure wordt met regelmaat
gesproken over de meerderheid en de minderheid van de kerkenraad.
Daardoor ontstaat het beeld dat gedurende heel de periode van moeiten
binnen de kerkenraad deze meerderheid en minderheid van dezelfde
samenstelling was.
Het lijkt ons goed om wat duidelijker te zijn over wat nu precies
daaronder verstaan moet worden. Daardoor wordt ook zichtbaar dat er
verschillende ambtsdragers waren die pas vanaf mei 2009 met de
problemen te maken kregen. Zij wisten daar voor die tijd niets of
nauwelijks iets van af en werden behoorlijk overvallen door de
tegenstellingen binnen de kerkenraad op allerlei terrein. Het beste
kunnen we dat illustreren aan de hand van de kritiek die op de prediking
van de eigen predikant werd uitgebracht.
Zij hadden dezelfde preken gehoord als de zogenaamde minderheid in
de kerkenraad. Zij hadden de stem van de Goede Herder daarin gehoord
en hadden daarop geen kritiek. Maar tijdens kerkenraadsvergaderingen
werden ze plotseling geconfronteerd met ongewoon heftige kritiek op de
preken. Daarin zou te weinig sprake zijn van ‘liefde en genade’. Die
kritiek wekte dan ook verwondering bij hen. Er bleek namelijk geen
Schriftuurlijke fundering voor de geuite bezwaren te zijn.
De kerkenraad (zonder diakenen) bestond vóór de komst van de nieuwe
ambtsdragers tijdens de periode november 2008 t/m eind april 2009, uit
zeven ouderlingen en de predikant. In die tijd ontstond regelmatig het
71
probleem dat de stemmen staakten: vier tegen vier. Dat veranderde door
de komst van de nieuw aangetreden ouderlingen.
De zogenaamde meerderheid van de kerkenraad bestond vanaf mei
2009 uit zes broeders en de zogenaamde minderheid uit drie broeders.
9.2 Verzoek om hulp
In december 2008 werd aan de classis hulp gevraagd, omdat er binnen
de raad een vertrouwenscrisis was ontstaan die zonder hulp niet
herstelbaar was gebleken.
1. Er was gebleken dat de kerkenraad vanwege de onderlinge
verschillen en gestoorde verhoudingen niet meer op vruchtbare wijze
kon vergaderen, aangezien regelmatig de stemmen staakten. De crisis
hield vooral verband met de moeite die een deel van de kerkenraad had
met het spreken over en het zich houden aan kerkelijke besluiten van de
kerkenraad en meerdere vergaderingen die op wettige wijze genomen
waren.
Deze besluiten betroffen de classis- en kerkenraadsbesluiten betreffende
kerkgrenzen en de besluiten van de classis Noord-Oost en de generale
synoden betreffende de kwestie Zwijndrecht en Bergentheim/Matrix.
Men wilde met zijn onvrede daarover echter niet de kerkelijke weg gaan,
maar ging wel door met het stelselmatig ageren tegen de bewuste
besluiten. Dit werkte ordeverstorend en bleef steeds meer het onderlinge
vertrouwen schaden.
2. Daarnaast had één van de broeders de predikant ernstig beschuldigd
op basis van het omgaan van kritiek op een gehouden preek.
3. Tenslotte was een aantal van de broeders, die gewezen waren op hun
onordelijke gedrag, van mening dat tegen hen te zware woorden waren
gebruikt.
Op de classisvergadering van 3 december 2008 is het verzoek om hulp
besproken. Over de mogelijke uitvoering hiervan lezen we in de notulen:
Er wordt besproken de vraag op welke wijze er in deze noodsituatie hulp
verleend kan gaan worden. De mogelijkheden zijn dat hiervoor worden
gevraagd de deputaten visitatoren, de genabuurde kerk (Berkel&Rodenrijs/ -
Bergschenhoek) of de generale synodale deputaten ad. art. 49 KO of een
aantal wijze broeders vanuit de classis.
We vermelden dit hier om daarmee te weerleggen de beschuldigingen
die op pag. 96 van de brochure worden geuit richting De Gereformeerde
Kerken, alsof binnen de kerken voornamelijk geprobeerd wordt om
72
onenigheden op te lossen in de weg van besluiten door kerkelijke
vergaderingen, waarna men vervolgens oproept tot gehoorzaamheid
overeenkomstig art. 31 KO.
Het hierboven aangehaalde uit de notulen van de classisvergadering van
3 december 2008 laat in ieder geval zien dat de classis Zuid-West,
inclusief de kerkenraad van Berkel, het mogelijk acht om bij een conflict
een aantal wijze broeders uit de classis te vragen om hulp te verlenen.
Dit gedeelte van de Vijverhoeve-brochure wordt dan besloten met de
volgende uitspraak:
In de visie van DGK zijn er alleen oplossingen mogelijk in de kerkelijke weg.
Wie zich daarbuiten begeeft, zit op een weg waarvan hij zich moet bekeren.
We realiseren ons dat dit soort negatief geschrijf koren op de molen is
van hen die De Gereformeerde Kerken radicalisme verwijten op grond
van wat men zoal van anderen heeft gehoord. Het is duidelijk dat hier
niet waarheidsgetrouw wordt geschreven over De Gereformeerde
Kerken.
We vervolgen nu de beschrijving van de gang van zaken op de classis
met betrekking tot de hulpaanvraag van de kerkenraad van Zwolle. We
citeren weer uit de notulen:
Overwogen wordt om, gelet op de bepaalde moeiten die met name de
kerkgrenskwestie met Hasselt betreffen, een zo groot mogelijk draagvlak te
verkrijgen en zo veel mogelijk broeders van buitenaf erbij te betrekken.
Besloten wordt daarom om twee visitatoren met de Deputaten ad art. 49, die
ten dienste staan van de classes, de opdracht te geven om deze dringende
hulp te verlenen.
In een brief d.d. 4 december 2008 aan de kerkenraad van Zwolle schreef
de classis:
De classis heeft besloten om dit dringend verzoek om hulp in te willigen en
heeft twee visitatoren van de classis opdracht gegeven om namens haar
alles in het werk te stellen om u de helpende hand te bieden. Dit houdt in dat
deze visitatoren gemachtigd zijn om namens de classis u in alles met raad
en daad te dienen om zo, onder de zegen van de HERE, een einde te
maken aan de ontstane noodsituatie.
Tevens heeft de classis besloten om, naar artikel 49 KO, de hulp van
generale synodale deputaten ad artikel 49 KO in te roepen. De classis heeft
daarbij concreet voor ogen dat zij met raad en daad en in eendrachtige
samenwerking met de visitatoren u in alles zullen dienen.
73
Aangezien deze gevraagde en toegezegde hulp gepaard zal gaan met het
houden van vergadering(en) van visitatoren en deputaten met u als
kerkenraad heeft de classis zich ook bezig gehouden met de vraag wie in dit
soort vergadering(en) de leiding zou moeten hebben en wat de bevoegdheid
is van visitatoren en deputaten.
Op grond van wat kerkrechtdeskundigen uit het verleden hierover schrijven
komt de classis tot de conclusie dat de leiding van deze vergadering(en) in
handen hoort te zijn van de visitatoren. De bevoegdheid van visitatoren en
deputaten is om u met alle mogelijke middelen ten dienste te staan zonder
dat zij u iets bindends kunnen voorschrijven of opleggen.
De drie deputaten ad art. 49 KO uit de classis Noord-Oost zegden direct
hun medewerking toe.
9.3 Hulpverlening door visitatoren en deputaten ad artikel 49 KO
Op 19 maart 2009 hebben de visitatoren aan de classis Zuid-West
verslag uitgebracht van de werkzaamheden ten behoeve van de
kerkenraad van Zwolle.
De hulp van de classis bestond uit het verlenen van een externe
voorzitter die voorlopig de vergaderingen van de kerkenraad van De
Gereformeerde Kerk Zwolle zou leiden, het inroepen van een advies van
deputaten ad art. 49 tezamen met beide visitatoren over de belangrijkste
kwesties. Dit laatste resulteerde in concrete afspraken waar elke
ouderling van Zwolle zich aan heeft verbonden. Daartoe behoorde:
- het uitspreken van de intentie van onderling vertrouwen;
- het in acht nemen van het negende gebod in de onderlinge omgang;
- het zich houden aan de gemaakte afspraken;
- het gebonden zijn aan de KO m.b.t. kerkelijke besluiten en
- het gaan van de kerkelijke weg bij bezwaren ertegen.
Voorts werd afgesproken:
- hoe men diende om te gaan met kritiek op de prediking;
- hoe de reguliere preekbespreking diende plaats te vinden;
- en werden stappen voorgesteld om de kerkgrenskwestie op te lossen
samen met de kerkenraad van De Gereformeerde Kerk te Hasselt e.o.
Het beloop was dat de externe voorzitter zijn diensten zou afronden., die
er vooral op gericht waren dat men zich zou houden aan de gemaakte
afspraken
74
Na deze rapportage heeft één der visitatoren nog enkele vergaderingen
van de kerkenraad voorgezeten. Na de wisseling van ambtsdragers
begin mei 2009 werd dit door de kerkenraad van Zwolle vooreerst niet
meer nodig geacht.
9.4 Beleid rond kerkgrenzen
Op pag. 67 van de brochure is te lezen:
Tegen het einde van het jaar 2009 wordt het beleid rondom de kerkgrenzen
afgezwakt.
Deze opmerking doet echter geen recht aan de feiten. Want tijdens een
vergadering van visitatoren met de kerkenraad op 7 maart 2009 was het
advies van visitatoren en deputaten ad art. 49 KO inzake het beleid
rondom de kerkgrenzen al overgenomen.
In verband hiermee is er met de kerkenraad van Hasselt overleg gevoerd
over de uitvoering van dit advies. Als gevolg daarvan werd er op de
vergadering van de classis Zuid-West op 11 juni 2009 een brief
behandeld van de kerkenraad van De Gereformeerde Kerk te Zwolle,
d.d. 25 mei 2009, betreffende zijn verzoek om stopzetting van de
uitvoering van het kerkgrenzen besluit. Dit verzoek was in overleg met
de kerkenraad van Hasselt tot stand gekomen. De classis stemde met dit
verzoek tot stopzetting van de uitvoering van het kerkgrenzen besluit in.
9.5 Kerkvisitatie en vervolg
Na de zomervakantie werd op 7 september 2009 de kerkenraad van
Zwolle gevisiteerd.
Tijdens deze visitatie bleek dat er opnieuw tal van zaken waren die
verdeeldheid binnen de kerkenraad veroorzaakten. Omdat het hier weer
ging om zaken die speelden binnen de kerkenraad werd besloten om
tijdens een nieuwe vergadering op 29 september 2009, die zou staan
onder leiding van de visitatoren, een begin te maken met de bespreking
van al deze zaken. Door de visitatoren werd een conceptagenda
opgesteld, aan de hand van de visitatievragen die niet beantwoord
konden worden tijdens de visitatie op 7 september 2009, met daarin
vermeld alle zaken die moeiten opleverden binnen de kerkenraad,
dertien in totaal!
Op pag. 67 van de brochure wordt gesteld:
75
De kerkvisitatie van 2009 leidt tot een reeks van vergaderingen van
visitatoren met kerkenraad.
Om een juist beeld te krijgen van wat die reeks van vergaderingen
inhoudt, lijkt het ons goed om die reeks van vergaderingen eens bij langs
te lopen.
Het betreft hier de vergaderingen van 29 september, 14 oktober en 3
november 2009.
In de brochure op pag. 72, onder het kopje de kerkenraad loopt vast
wordt geschreven hoe volgens deze broeders een kerkenraad dient om
te gaan met ingewikkelde zaken en verschil van mening binnen de raad.
De brochure stelt dan:
Door discussie en door een goede leiding op de vergadering kan in veel
gevallen een moeilijke zaak helder worden en kan er ook in een zaak waar
de meningen uiteenlopen toch een weg gevonden worden, waar iedereen op
mee kan gaan.
En verderop stellen zij:
Een kerkenraad, die steeds door middel van stemmingen beslist over allerlei
zaken, zoekt geen consensus en zal vatbaar zijn voor partijschappen. Hieruit
blijkt hoe belangrijk de kerkenraadsvergadering als middel tot gesprek en
overleg is. Als een kerkenraad op een goede, christelijke manier over allerlei
moeilijke zaken overleg voert, zal de consensus er over het algemeen wel
komen. Het gaat niet alleen over de vraag wat de enige juiste weg is, maar
ook om de vraag: hoe ver kunnen wij nu gaan.
Wij sluiten ons van harte aan bij het ‘op een goede, christelijke manier
over allerlei moeilijke zaken overleg voeren’. En vooral de aanwijzing dat
de kerkenraadsvergadering een belangrijk middel tot gesprek en overleg
is, onderschrijven wij volledig. We nemen daarbij gemakshalve aan dat
hieronder ook de vergaderingen van kerkenraad met de visitatoren
vallen. Want tijdens die vergaderingen zou met name gesproken worden
over allerlei interne kwesties binnen de kerkenraad. Daarvoor was ook
een agenda opgesteld.
We zullen in dit verband dan ook gaan bezien of de minderheid van de
kerkenraad inderdaad bereid was om op een goede, christelijke manier
over allerlei moeilijke zaken overleg te voeren of dat die minderheid dat
overleg over allerlei moeilijke zaken afbrak met de keuze waar zij de
kerkenraad op 25 november 2009 als een donderslag bij heldere hemel
voor plaatste.
76
9.6 Pogingen tot oplossing van de conflicten
Bij het begin van het nieuwe vergaderseizoen bleek al heel spoedig dat
de wil tot broederlijke samenwerking verdwenen was. De onvrede bij de
drie ouderlingen kwam naar boven toen - tegen de uitdrukkelijke
afspraak in - door één van hen de rechtmatigheid van het adviseren van
de visitatoren aangevochten werd. Slechts na lang overleg kon na
stemming de adviserende rol van de visitatoren worden voortgezet.
Belangrijker echter was het dat er door één van de broeders scherpe
kritiek kwam op de predikant door middel van een uitvoerig epistel dat hij
naar de kerkenraad had verzonden waarin hij – zonder de predikant
eerst te hebben aangesproken - het functioneren van de predikant
dermate negatief bestempelde, dat door de visitatoren gesproken werd
van smaad werpen.
De meerderheid van de vergadering drong er vervolgens op aan dat
deze broeder de brief met leedwezen zou terugnemen. Tijdens de
vergadering wilde de betreffende broeder de brief weliswaar van tafel
nemen, maar met behoud van gevoelen en met behoud van inhoudelijk
bezwaar.
Op de volgende vergadering bleek de broeder, die het belasterende
epistel had opgesteld, na vele uren gesprek met de visitatoren, op de
vergadering van de kerkenraad bereid om zijn spijt over de brief uit te
spreken in zoverre deze aanleiding heeft gegeven tot het ervaren van
laster. Dit werd aanvaard.
Maar verder werd de kritiek op de predikant voortgezet. Ditmaal over de
prediking.
Een door ds. S. de Marie gehouden preek over 1 Kor. 1: 10 & 11: 19,
kwam na meerdere besprekingen opnieuw op de agenda, omdat deze
door de broeders blijvend werd bekritiseerd, waarbij zelfs de term dopers
is gebruikt. In de preek was namelijk gezegd dat de HEERE scheuringen
kan gebruiken om “Zijn kerk te zuiveren”.
De meeste moeite hadden deze broeders echter met het tijdstip van de
preek; huns inziens had de preek niet gehouden mogen worden, omdat
er juist op dat moment in de gemeente van Zwolle sprake was van
onrust (over kerkverband), kritiek (op de predikant in verband met
prediking), onvrede (over besluiten van de kerkenraad) en zichtbare
verdeeldheid (inzake kerkgrensproblemen).
Zij hielden er kennelijk geen rekening mee dat een predikant als herder
van de gemeente zijn eigen verantwoordelijkheid tegenover zijn Zender
heeft met betrekking tot de tekstkeuze met het oog op het troosten en
77
vermanen van de gemeente in concrete situaties. Ook de visitatoren
gaven hun oordeel over de preek. Hun eindconclusie was dat de preek
inhoudelijk Schriftuurlijk is geweest.
Vervolgens werd er in een volgende vergadering van de raad opnieuw
uitvoerig gesproken over een preek van ds. De Marie, ditmaal die over
Genesis 22.
Deze preek was indertijd (november 2008) aanleiding tot forse kritiek van
de kant van één van de broeders (beschuldigingen met name van
“exemplarisme”).
Er waren al diverse besprekingen aan gewijd geweest, maar nog had
deze broeder (nieuwe) bezwaren. De bespreking bleef onbevredigend
om reden dat de betreffende broeder zich niet bij het afwijzen van zijn
bezwaar wilde neerleggen. De visitatoren wilden dit daarom opnieuw in
hun aanwezigheid aan de orde brengen met alle stukken erbij.
De visitatoren wilden verder graag alle –steeds verder in aantal
toenemende – zaken die bij de broeders problemen opleverden en
binnen de kerkenraad tot voortdurende verdeeldheid aanleiding gaven,
oplossen. In ieder geval betrof dat de benadering van de
kerkgrenskwestie en de houding tegenover de Matrixgemeenschap.
Zij bleven de hoop uitspreken dat zij de kerkenraad zouden kunnen
helpen om in ieder geval toe te komen aan hun noodzakelijke pastorale
arbeid.
De raad ging ermee akkoord dat de visitatoren alle problemen, die
moeite opleverden met betrekking tot besluitvorming, te inventariseren
om die onder hun leiding te behandelen.
Verder werd besloten dat de gemeente zou worden ingelicht over het
stopzetten van de uitvoering van het kerkgrenzenbesluit.
9.7 De zaak van het handelen overeenkomstig de kerkorde
Er kwam, zoals al gezegd, wel steeds nieuwe conflictstof bij. Zo bleek
naar aanleiding van de recente ratificatie van synodebesluiten
(september-oktober 2009) steeds duidelijker dat enkele broeders de
besluiten van de synode, die betrekking hadden op Zwijndrecht en
Bergentheim/Bruchterveld, niet als bindend konden aanvaarden. Ook
was er bezwaar tegen het afwijzen van een bezwaarschrift dat door één
van de broeders zelf op de synode van Zwolle was ingediend.
78
De vraag werd daarom de broeders voorgehouden of ze nu ook de
kerkelijke weg zouden gaan met hun aanhoudende bezwaren. De
kerkenraad was namelijk van oordeel dat het niet aanvaarden van
synodebesluiten in strijd is met art. 31 KO, als men bleef weigeren
daartoe de open liggende kerkelijke weg van datzelfde art. 31 KO te
bewandelen.
Twee broeders ouderlingen werden opgewekt om hiertoe te besluiten.
Over de te betrachten terughoudendheid van de bezwaarde broeders in
hun spreken binnen de gemeente zou nog worden doorgesproken.
Deze broeders zegden toe in ieder geval tijdens de volgende
vergadering uitsluitsel te geven over de vraag of zij met een
revisieverzoek naar de komende generale synode zouden gaan.
Met algemene stemmen werd nogmaals afgesproken dat voor de
komende tijd zaken die moeilijkheden opleverden binnen de kerkenraad,
zouden worden besproken tijdens vergaderingen onder leiding van de
visitatoren.
Het is van belang erop te letten, dat hieruit duidelijk blijkt dat de gehele
kerkenraad van mening was dat er nog een traject met elkaar zou
worden afgelegd. Een traject waarbij getracht zou worden om door
discussie op een goede, christelijke manier tot consensus te komen met
betrekking tot zaken waarover moeite binnen de kerkenraad was
ontstaan.
Dat gold vooral de zaak van het niet-kunnen-ratificeren van
synodebesluiten. Daarbij werd gezamenlijk gezocht naar een oplossing
om hier op een verantwoorde manier verder mee te komen. Daartoe
werden de genoemde bezwaarde broeders voorzien van literatuur om de
juiste weg te bewandelen, om zo samen, bij het licht van eerdere
besluiten van generale synoden en wat daar nog meer over geschreven
werd, tot een consensus te komen.
Helaas heeft het overleg op de kerkenraadsvergaderingen niets
opgeleverd, want de broeders die bepaalde besluiten - huns inziens op
grond van de Schrift -, niet konden ratificeren, hadden blijkbaar hun keus
al gemaakt en dit vastgelegd in de Verklaring en oproep, die zij kort
daarna op de tafel van de kerkenraad zouden neerleggen.
Duidelijk komt hierin uit dat de broeders handelden vanuit een tot dan
toe verborgen drijfveer, die nu achteraf duidelijk wordt uit wat de
Vijverhoeve-brochure schrijft over de zaak van het al of niet vragen van
revisie van besluiten, die men meent niet te kunnen aanvaarden.
79
Immers, nu schrijft de Vijverhoeve-brochure, mede op naam van
genoemde broeders die weigerden revisie aan te vragen, dat zij van
oordeel zijn:
Een meerdere vergadering heeft ook geen gezag over een mindere
vergadering; laat staan over een kerkenraad.
Dat is blijkbaar hun toepassing van de vrijheid waarin het evangelie van
vrije genade de gelovigen heeft gesteld. Het is niet minder dan toch weer
de oude dwaling van het misbruiken van die vrijheid als een aanleiding
om het ‘vlees’, het zondige eigenwillige denken, te rechtvaardigen.
Want het weigeren om besluiten van meerdere vergaderingen te
aanvaarden en die zonder meer naast zich neer te leggen is wel heel
duidelijk het kwaad van de eigenwilligheid.
Maar hun achtergrond hebben zij in de besprekingen tijdens de
kerkenraadsvergaderingen nooit zo duidelijk gesteld. De Vijverhoevebrochure
meent zich achteraf te kunnen beroepen op
kerkrechtdeskundigen uit het verleden om deze kromme, eigenwillige
praktijk goed te praten. De bezwaarde broeders hadden er beter aan
gedaan om de les van de geschiedenis van de afgescheiden kerken ter
harte te nemen, die uiteenvielen in twee kerkverbanden juist op dat punt
van de trouw aan art. 31 kerkorde.
De brochure legt de schuld van de uitbarsting van het conflict bij de
kerkenraad.
Daar wordt namelijk op pag. 74 en 75 gesteld:
Als twee broeders moeite hebben met de ratificatie van synodebesluiten en
geen mogelijkheden zien voor appel, is dat jammer, maar dat hoeft verder
geen probleem te zijn. … De kerkenraad heeft van deze moeite met de
ratificatie een (groot) probleem gemaakt. De samenwerking binnen de
kerkenraad werd opgebroken, zo is gezegd. De ambtsdienst van deze twee
broeders werd vervolgens ter discussie gesteld. Als ambtsdrager moet je
immers besluiten van synode voor vast en bondig houden en als je het
ergens niet mee eens bent, moet je in appel gaan. De moeiten die de
betrokken ambtsdragers met de ‘kerkelijke weg’ hadden, werden afgewezen.
Hiertegenover moet worden gesteld dat het maar niet ging om moeite die
zij hadden met de ratificatie van bepaalde synodebesluiten maar dat
door deze twee broeders voluit gesteld werd dat die bepaalde
synodebesluiten in strijd waren met Gods Woord. En dat zij ze daarom
niet als bindend konden aanvaarden. En dan toch niet de kerkelijke weg
gaan? Terwijl de Heilige Schrift in geding zou zijn?
80
Daar komt bij dat zij voortdurend bepaalde synodebesluiten bleven
bestrijden, met name die ten aanzien van Zwijndrecht en
Bergentheim/Bruchterveld.
Dat de brochure dan schrijft dat het niet ratificeren van synodebesluiten
verder geen probleem hoeft te zijn is in het licht van wat de brochure
daar nog meer over schrijft niet verwonderlijk maar wel ontdekkend.
Ontdekkend in die zin dat het bloot legt wat voor gedachten hier achter
zitten. De brochure komt op pag. 79 en 86 met het loze verhaal dat
revisie vragen een recht is, maar geen plicht.
Ieder heeft het recht om gemotiveerd tegen een synodebesluit te zijn en bij
de ratificatie tegen te stemmen. Men is niet verplicht om in appel of revisie te
gaan. Appel is een recht en geen plicht.
Onder 6.2 op pag. 26 hebben we onder de titel Moeten of mogen al
uiteengezet hoe het zit met dat moeten of mogen en daarom met de
plicht of alleen maar het recht om revisie aan te vragen.
Het is een kwestie van het recht om in appel te gaan, maar dat geldt
uitsluitend wanneer iemand meent dat hem onrecht is aangedaan – hij
mag dan proberen zijn recht te verkrijgen bij een meerdere vergadering,
maar hij hoeft dat niet te doen, hij kan ook besluiten het onrecht te
dragen.
Maar wanneer men van oordeel is dat een synodebesluit strijdt met het
Woord van God of de kerkorde mag men niet zomaar dat besluit naast
zich neerleggen en verder niets doen. Dan is men verplicht revisie aan te
vragen. Voetius sprak heel duidelijk over een moeten.
Dat is niet maar alleen een kwestie van het bewaren van de eenheid en
de vrede in de kerk, maar is ook volgens de Schrift vereist om de
broederschap te waarschuwen om terug te keren van het ‘ingaan tegen
Gods Woord’, zoals de broeders bepaalde synodebesluiten betitelden!
We noemden hierboven de poging van de visitatoren de bezwaarde
broeders te helpen een beter inzicht te krijgen in de plicht tot het vragen
van revisie. Zij stuurden hen stukken toe over de vraag hoe verder te
gaan als men bepaalde besluiten niet voor bindend kon aanvaarden op
grond van Gods Woord. Maar achteraf blijkt nu dat dat vergeefse moeite
was, want de broeders waren toen al tot de overtuiging gekomen dat
men niet in appel of revisie hoefde te gaan.
De Vijverhoeve-brochure meent die opvatting te kunnen rechtvaardigen
met een citaat van prof. P. Deddens. Bij wat we eerder in deze
WEERLEGGING hierover schreven, voegen we in Bijlage 1 een
81
uitvoeriger bespreking toe over deze zaak (appelrecht of appelplicht, zie
pag. 109 van deze brochure).
9.8 Revisieverzoeken zinloos?
Het is dwaas om het indienen van revisieverzoeken zinloos te noemen,
zoals op pag. 86 van de Vijverhoeve-brochure wordt beweerd. Als iets
zinloos is wil dat zeggen dat het zonder betekenis is, dat het nergens toe
leidt, dat het geen enkel resultaat heeft. Je kunt er beter maar niet aan
beginnen, want er verandert toch niets. In de aanloop naar de Vrijmaking
van 1944 zijn er bij verschillende opeenvolgende synodes wel duizenden
revisieverzoeken ingediend, telkens weer. Die werden alle afgewezen.
Betekent dat nu dat die allemaal zinloos waren?
Wat een vreemde redenering. Allereerst: als we ons van zondige
synodebesluiten hadden vrijgemaakt zonder dat we hadden aangewezen
waarin zij ingingen tegen Gods Woord, dan zou er terecht tegen ons
kunnen worden ingebracht dat we ons te vroeg hadden vrijgemaakt.
Maar het indienen van een revisieverzoek heeft toch tot doel om op te
komen voor de waarheid en voor de eer van de Heere Jezus Christus,
het Hoofd van Zijn kerk?!
Bovendien: waar Gods Woord in geding is binnen de gemeenschap van
de kerk zullen we toch alles in het werk stellen om elkaar vast te houden!
En dat doen we dan als het goed is biddend. De HEERE vragend of Hij
de ogen wil openen. Wie stelt dat men bij voorbaat al wist dat het zinloos
was, die heeft het bidden hoogstwaarschijnlijk achterwege gelaten en
daarmee het revisieverzoek van zijn geestelijke kracht beroofd, zie Jak.
1: 6-8.
Maar, zo wordt dan vervolgens beweerd, het zijn steeds dezelfde
personen die beslissen over dezelfde zaken en gedegen kerkrechtelijke
kennis ontbreekt meestal (pag. 84).
De zinsnede ‘gedegen kerkrechtelijke kennis ontbreekt meestal’ laten we
nu maar rusten. Het is tenslotte slechts een subjectieve (negatieve)
beoordeling van de brochureschrijvers over de kerkrechtelijke kennis bij
afgevaardigden. Wie dat kan beoordelen moet dan wel over nog
gedegener kennis beschikken, wil zijn oordeel enige kracht hebben.
Van meer belang is of het inderdaad vaak dezelfde mensen zijn die over
dezelfde zaken oordelen en beslissen. We weten dat dit wordt gezegd
82
en ook vaak wordt nagepraat, maar van meer belang is hoe de feiten
daaromtrent zijn. We hebben dit op een rijtje gezet.
Tijdens de Generale Synode Mariënberg 2005 hebben de
afgevaardigden van de classis Noord-Oost de besluiten genomen met
betrekking tot het appel van de gemeente te Zwijndrecht tegen de classis
Zuid-West. Net zoals de afgevaardigden van de classis Zuid-West de
besluiten namen in een bezwaarschrift van een broeder uit de classis
Noord-Oost tegen handelingen van deze classis.
Tijdens de Generale Synode Zwolle 2007 mocht geen van de
afgevaardigden die ook afgevaardigd waren geweest naar de Generale
Synode Mariënberg 2005 meebeslissen over revisieverzoeken t.a.v.
besluiten van Mariënberg. De vijf primus afgevaardigden, drie uit de
classis Zuid-West en twee uit de classis Noord-Oost, werden vervangen
door vijf secundi die niet betrokken waren geweest bij de betreffende
besluiten van de Generale Synode Mariënberg 2005.
Hieruit blijkt dat gepoogd is om ondanks het kleine kerkverband toch zo
zorgvuldig mogelijk te handelen. Het zonder meer stellen dat het vaak
dezelfde mensen zijn die over dezelfde zaken oordelen en beslissen is
daarom misleidend te noemen en doet geen recht aan de feitelijke gang
van zaken.
Ook wordt gesteld dat synodeleden, van de Generale Synode Zwolle
2007, die voor anderen plaats maakten zichzelf eerst benoemden tot
adviseur (pag. 85). We willen er op wijzen dat de Acta van de Generale
Synode Zwolle 2007 in art. 28 vermelden dat het besluit, dat bij
revisieverzoeken de vervangen primi-afgevaardigden als adviseurs aan
de bespreking kunnen deelnemen, genomen werd met 7 stemmen voor,
2 tegen en 3 onthoudingen. Die drie onthoudingen waren van de primiafgevaardigden
uit de classis Zuid-West, die door dit besluit als
adviseurs mee konden doen aan de bespreking van de revisieverzoeken.
Deze hebben dus niet zichzelf benoemd tot adviseurs maar het besluit
daarover overgelaten aan de andere afgevaardigden. Uit de bespreking
bleek ook dat het wel belangrijk werd geacht dat deze adviseurs hun
plaats kenden en daarom slechts een bescheiden rol speelden in de
bespreking. Zij gaven alleen dan informatie aan de afgevaardigden
indien daarom gevraagd werd.
83
9.9 Het conflict geforceerd
Op 25 november 2009 werd opnieuw door de kerkenraad met de
visitatoren vergaderd. Tijdens deze vergadering zouden de twee
bezwaarde broeders uitsluitsel geven over de vraag of zij met een
revisieverzoek naar de komende generale synode zouden gaan. En
indien niet, hoe zij dan verder wilden gaan. Immers de eenheid van de
kerkenraad en de gemeente stond daarbij op het spel.
Als antwoord op die vragen legden zij, tot verbijstering van de meeste
aanwezigen, een 33 pagina’s tellend document op tafel onder de titel
Verklaring en oproep aan de Zwolse kerkenraad,,met daaronder de
handtekeningen van drie ouderlingen en twee diakenen.
Daarin verweten de broeders de kerkenraad een heilloze weg te
bewandelen van een kerkistische kerkleer.
Dat zou met name gebaseerd zijn op enkele recente artikelen van de
predikant van de gemeente in DE BAZUIN .
Artikelen die nooit door hen met de predikant zelf waren doorgesproken,
ook niet met de redactie, ook nooit met de deputaten- curatoren, die toch
namens de kerken moeten waken over het Schriftuurlijke gehalte van De
Bazuin. Maar tot dan toe ook nooit binnen de kerkenraad.
Volgens hen getuigden deze artikelen van een onschriftuurlijke kerkleer.
Omdat ze betrokken waren op ds. E. Hoogendoorn en ds. R. van der
Wolf, zou daarmee ook de deputaten binnenlandse betrekkingen voor de
voeten zijn gelopen.
Zonder ook de bewuste deputaten binnenlandse betrekkingen daarop
bevraagd te hebben, werd de raad dus op 25 november 2009 door deze
vijf broeders hard veroordeeld en door hen voor de oproep gesteld: u
moet zich bekeren! Ook de prediking deugde niet. Predikant en
ouderlingen werden vergeleken met wolven.
Deze vijf broeders verklaarden dat zij door middel van deze Verklaring
en oproep een uitgebreider antwoord moesten geven dan alleen op de
gestelde vraag met betrekking tot de kerkelijke weg. Zij waren van
mening dat hun moeiten met betrekking tot de leer over de kerk en de
kerkregering onlosmakelijk verbonden waren met het niet begaanbaar
zijn van de kerkelijke weg.
Omdat de twee diakenen dezelfde moeiten zouden ervaren als de drie
ouderlingen die het stuk opgesteld hadden, hebben ook zij dit stuk mede
ondertekend. Volgens de broeders was de kerkelijke weg niet langer
begaanbaar, omdat deze niet betrouwbaar was.
84
Zo werd op deze kerkenraadsvergadering, die onder leiding stond van
de visitatoren, die juist de zaken als Matrix, kerkgrenzen etc. op de
agenda hadden geplaatst, met het doel om door gesprekken de eenheid
binnen de kerkenraad zo mogelijk te herstellen, een bom geplaatst. Vlak
voor de viering van het Heilig Avondmaal, die slechts vier dagen later
gepland stond!
De meerderheid van de raad was van mening dat deze viering nu niet
door kon gaan. Mocht de raad hierover aan de gemeente inhoudelijke
informatie geven? Visitatoren en raad meenden van niet. Er was immers
toen nog geen definitief oordeel gegeven over de inhoud van het stuk
van 33 pagina's.
Bovendien moest de goede naam van de vijf broeders worden
beschermd. Wanneer zij door verdere bespreking zouden terugkeren
van deze schadelijke weg moest hun daad, die een forcering van het
conflict betekende, niet algemeen bekend worden.
De kerkenraad heeft toen daarom volstaan met het meedelen aan de
gemeente dat het Heilig Avondmaal was uitgesteld naar aanleiding van
de problematiek omtrent de ratificatie van de synodebesluiten. En dat de
gemeente later in december op een gemeenteavond geïnformeerd zou
worden.
Aan de opstellers van het stuk werd door de preses gevraagd te beloven
dat ze niets van de inhoud in de gemeente zouden verspreiden. Dit werd
door hen toegezegd!
Nog werd zo daarin de eenheid gezocht.
Op een volgende vergadering verklaarden de broeders dat hun
Verklaring en oproep gezien moest worden als een discussiestuk en dat
zij open stonden voor argumenten uit Schrift en kerkorde.
Maar een oproep tot bekering met het aanwijzen van een heilloze weg bij
de kerkenraad kon eigenlijk geen ‘discussiestuk’ meer zijn. Evenmin als
Laten wij ons bekeren; een oproep tot reformatie uit 2003 dat was
geweest.
Bovendien blijkt nu achteraf uit de Vijverhoeve-brochure dat het beslist
meer inhield. Op pag. 71 staat namelijk te lezen:
Het feit van de ‘Verklaring en oproep’ wees er al op dat afwijzing ernstige
gevolgen moest hebben.
85
Let wel: het enkele feit al van de indiening van deze ´Oproep´ zou bij
niet-aanvaarding ernstige gevolgen hebben.
Zo was de pretentie van ‘discussie’ onwaarachtig en als zodanig ook
door de andere broeders op 25 november 2009 ingeschat.
Er lag met de Verklaring en oproep als zodanig een bom onder de
kerkenraad en de gemeente. Waarbij door de opstellers al advies was
gevraagd aan iemand van buiten de kerkenraad. Want het was geen
discussiestuk meer, maar een oproep tot bekering, waar alleen met ‘ja’
of ‘nee’ op geantwoord zou mogen worden en, zo verklaart ons nu de
brochure, afwijzing moest ernstige gevolgen hebben….
86
10 BESPREKING VAN DOOR DE BROCHURE
GENOEMDE FEITEN
Vanaf pag. 68 gaat de brochure een aantal feiten chronologisch op een
rijtje zetten. Tenminste, wat de brochure feiten noemt. We zullen er een
aantal bij langs lopen.
10.1 Veroordeling en schorsing
Op pag. 68 onder 2. Veroordeling en schorsing lezen we:
In een 'Verklaring en oproep' hadden de vijf ambtsdragers hun moeiten met
de gang van zaken op de kerkenraad en in de kerken (DGK) verwoord. De
meerderheid van de kerkenraad van Het Anker schreef over deze 'Verklaring
en oproep’:
“Van al de beschuldigingen in het document moest door de raad worden
vastgesteld, dat ze ongegrond zijn. Daarom moest de 'Verklaring en oproep
aan de Zwolse kerkenraad’ in al haar delen worden afgewezen”. Aan de
kerkenraad van Berkel schreef de kerkenraad van Het Anker: ”De brief heeft
de gemeente willen keren tegen de kerkenraad, die de visie en leer van de
vijf broeders zeer beslist en in alle onderdelen als onschriftuurlijk had
afgewezen. Conclusie: wie het geheel of gedeeltelijk eens is met wat in de
‘Verklaring en oproep, staat, is onschriftuurlijk bezig. Hij is censurabel. Voor
hem is geen plaats in de DGK te Zwolle e.o. zo hij zich niet bekeert. De
kerkenraad heeft – zoals hierboven is vermeld – zijn oordeel over deze
‘Verklaring en oproep’ eerst door een (voorlopige) schorsing en later door
afzetting van de vijf ambtsdragers bekrachtigd.
In de laatste zin wordt gesteld, zoals ook op andere plaatsen in de
brochure, dat de kerkenraad zijn oordeel over de Verklaring en oproep
eerst door een (voorlopige) schorsing en later door afzetting van de vijf
ambtsdragers heeft bekrachtigd.
Wij maken tegen deze voorstelling van zaken ernstig bezwaar, omdat zij
helemaal niet in overeenstemming is met de waarheid inzake de
werkelijke gang van zaken. We moeten dit zelfs karakteriseren als een
poging om zichzelf te rechtvaardigen door de daden van de kerkenraad
zo in te kleuren.
Dit is de waarheid: de voorlopige schorsing, de later gevolgde schorsing
en de uiteindelijke afzetting zijn geschied op grond van scheurmakerij en
woordbreuk, die tot uiting kwam in de brief van 7 december 2009 van de
87
vijf ambtsdragers, die zij aan alle gemeenteleden te Zwolle hebben
rondgezonden. Dat zijn de feiten die iedereen kan controleren.
De vijf voormalige ambtsdragers moeten hun schorsingsbrief maar aan
iedereen laten lezen. Want dan komt de waarheid duidelijk aan het licht
wat de werkelijke reden van hun schorsing is, namelijk hun openbare
zonde van scheurmakerij en woordbreuk.
In die schorsingsbrief staat dat duidelijk met argumentatie te lezen en
daarin staan dan ook Schriftverwijzingen die betrekking hebben op
scheurmakerij en woordbreuk.
Daarnaast wordt er een bedrieglijke karikatuur geschetst als eerst op
pag. 68 geschreven wordt:
wie het geheel of gedeeltelijk eens is met wat in de ‘Verklaring en oproep’
staat, is onschriftuurlijk bezig. Hij is censurabel, Voor hem is geen plaats in
de DGK Zwolle e.o. zo hij zich niet bekeert
en daarna geschreven wordt:
de kerkenraad heeft zijn oordeel over deze ‘Verklaring en oproep’ eerst door
een (voorlopige) schorsing en later door afzetting van de vijf ambtsdragers
bekrachtigd.
De indruk die de brochure hiermee namelijk wekt is dat de kerkenraad
inderdaad vanwege de Verklaring en oproep op rigoureuze wijze heeft
afgerekend met de ondertekenaars daarvan en een ieder die, al is het op
één onderdeel, zijn instemming ermee betuigt, censurabel verklaart.
Laten we om deze onjuiste voorstelling van zaken te ontkrachten nog
even de feiten op een rij zetten:
- de kerkenraad wordt geholpen in de moeiten die hij ervaart;
- daarvoor wordt een traject uitgezet om die moeiten te bespreken en
tot een oplossing te brengen;
- plotseling wordt dit traject doorkruist door een ‘oproep tot bekering’
van vijf ambtsdragers (Verklaring en oproep aan de Zwolse
kerkenraad);
- in deze Verklaring en oproep wordt de kerkenraad opgeroepen om
zich af te keren van een heilloze weg, om de weg van het heil weer
te vinden.
- deze ‘oproep tot bekering´ wijst aan van welke dingen de kerkenraad
zich zou moeten bekeren om weer de weg van het heil te vinden;
- in de brief van 7 december 2009 aan de gemeente schrijven de vijf
ambtsdragers dat het om de kenmerken van de kerk gaat;
- in deze zelfde brief roepen zij de gemeente op om te bidden voor
o.a. de kerkenraad vanwege de heilloze weg die gegaan wordt.
88
Het eerste dat hier opvalt is dat de vijf ambtsdragers begonnen zijn om
zware beschuldigingen aan het papier toe te vertrouwen. De kerkenraad
moet zich afkeren van een heilloze weg om de weg van het heil weer te
vinden. Bij het niet opvolgen van deze ‘oproep tot bekering’ zou de
kerkenraad huns inziens een heilloze weg verder vervolgen en de
gemeente op dat dwaalspoor leiden.
Conclusie hieruit voor de vijf ambtsdragers: als de kerkenraad zich niet
bekeert van de door hen aangewezen zonden dan is hij onschriftuurlijk
bezig. De raad is dan censurabel. Voor hem is geen plaats in een
gereformeerd kerkverband, zo hij zich niet bekeert.
Na het vernemen van deze zware beschuldigingen aan zijn adres heeft
de raad in samenspraak met de visitatoren het volgende gedaan:
- de kerkenraad bespreekt de oproep tot bekering op 1 en 3 december
2009 en komt tot de conclusie dat alle beschuldigingen moeten
worden afgewezen;
- de kerkenraad ziet zich in de oproep tot bekering ook geconfronteerd
met een visie en leer van de vijf ambtsdragers die ze afwijst als
zijnde onschriftuurlijk;
- de kerkenraad beperkt zich alleen tot de afwijzing van de
beschuldigingen en onderneemt op dat moment geen stappen tegen
de vijf broeders;
- de kerkenraad besluit vervolgens om tijdens de volgende
vergadering van 11 december 2009 met de vijf ambtsdragers door te
spreken over hoe zij hun ambtsdienst zien, temeer omdat zij niet
meer openlijk kunnen verklaren lid van de ware kerk van Jezus
Christus te zijn (zie verder hierover onder 10.2).
Dan komt de volgende vergadering van 11 december.
- Tijdens deze vergadering wordt een tweede Verklaring en oproep
van de vijf ambtsdragers besproken, die eveneens moet worden
afgewezen.
- Hoe het nu verder moet met de vijf ambtsdragers met betrekking tot
hun visie en leer, zoals die in hun Verklaring en oproep wordt
verwoord, wordt op dat moment nog niet verder besproken.
Intussen hebben de vijf ambtsdragers, tegen alle beloften in, aan alle
gemeenteleden te Zwolle een brief gestuurd, waarin zij oproepen om
voor de kerkenraad te bidden vanwege de heilloze weg die hij gaat.
89
De kerkenraad oordeelt dat dat niet minder is dan openbare
scheurmakerij en trouwbreuk en besluit deze broeders voorlopig te
schorsen.
Zoals hierboven geschetst was dat de werkelijke situatie. Een situatie
waarin de meerderheid van de kerkenraad door de vijf ambtsdragers
voor een voldongen feit was geplaatst. Zij hebben zo bewust
aangestuurd op een forcering van de breuk.
Betekende dus het afwijzen van de Verklaring en oproep dat de broeders
direct daarom geschorst werden vanwege hun verkeerde visie en leer,
zoals de Vijverhoeve-brochure het voorspiegelt?
Het antwoord daarop is, zoals uit de gememoreerde feiten blijkt, een
duidelijk: ‘Nee’.
Door de brochure wordt een vertekening van de feiten gegeven en
verdraaiing van de waarheid neergezet. Immers, de kerkenraad heeft
zich strikt gehouden aan zijn taak bij het vaststellen van een verkeerde
visie en leer bij één of meerdere van zijn ambtsdragers.
Daarvoor wijst het Ondertekeningsformulier voor ouderlingen en
diakenen ons de weg waar staat:
Voor het geval de kerkenraad om gegronde redenen, ter wille van de
bewaring van de eenheid en de zuiverheid in de leer, ooit een nadere
verklaring zou eisen van ons gevoelen omtrent enig deel van deze leer,
beloven wij dat wij daartoe bereid zullen zijn.
De kerkenraad van Zwolle constateerde bij de vijf ambtsdragers een
verkeerde visie en leer en zou daarom, als er geen reden was geweest
voor de voorlopige schorsing, dus allereerst een nadere verklaring van
gevoelen hebben kunnen eisen omdat hij gegronde redenen daarvoor
had. Dit hield in dat er voor de kerkenraad dus nog werk te doen was
geweest.
Maar de vijf broeder hebben dat de kerkenraad onmogelijk gemaakt,
doordat zij de gemeente hebben weggeroepen achter de kerkenraad
vandaan.
Tot slot over dit punt nog het volgende: De kerkenraad van Zwolle heeft
in een uitvoerig document aan haar eigen gemeenteleden op 26 januari
2010 nadere verantwoording afgelegd naar Schrift, belijdenis en
kerkorde, van zijn afwijzing van de verkeerde visie en leer van de vijf
ambtsdragers, zoals die was verwoord in hun Verklaring en oproep.
Opvallend genoeg wordt hier in de brochure met geen woord over
gerept.
90
10.2 Vroeg de kerkenraad om het ambt neer te leggen?
We vervolgen de weerlegging van de redeneringen van de Vijverhoevebrochure.
Onder 3. Het rondschrijven van 7 december 2009 lezen we op pag. 68 :
Tijdens de vergadering van 3 december is door een Zwolse ambtsdrager en
een visitator aan de vijf ambtsdragers gevraagd hun ambt neer te leggen.
De meerderheid van de kerkenraad betuigde hiermee stilzwijgend zijn
instemming.
Ook van dit verhaal moeten we vaststellen dat het niet naar waarheid is.
Dit is de werkelijke gang van zaken:
Op de vergadering van de kerkenraad van 3 december 2009 heeft de
kerkenraad de door de vijf broeders ondertekende Verklaring en oproep
van 24 november 2009 in al haar delen afgewezen. Op die vergadering
is ook gebleken dat dezelfde vijf ambtsdragers niet meer volmondig ja
konden zeggen, op de vraag dat de kerk waarvan zij ambtsdrager waren,
de kerk van Jezus Christus is.
Er is toen verwezen naar een uitspraak van prof. dr. C. Trimp aan het
adres van enkele ondertekenaars van de ‘Open Brief’ in 1966,
gepubliceerd in De Vrijmaking in het vuur, Ermelo, Woord en Wereld,
1990, pag. 64 namelijk:
Want zodra gij voor uzelf weet en ’t al of niet publiek uitspreekt, dat gij niet
meer tót de vrijgemaakte kerken roepen kunt naar de in art. 28 N.G.B.
beleden ordinantie des Heren, zijt gij als vergaderaars, als knechten van
Christus verlamd en zult gij toch uw beroepsbrief retourneren aan de scriba
van uw kerkenraad? Gij zijt toch mannen van eer?
Naar voren wordt gebracht dat de drie broeders nu zelf conclusies
moesten trekken. Hun oproep tot bekering was afgewezen en zij
moesten bij zichzelf te rade gaan wat hen nu te doen stond. Daar
zouden ze schriftelijk uitsluitsel aan de raad van moeten geven.
Dit wordt ook bevestigd door de brieven die door de raad aan de beide
diakenen zijn gestuurd omdat zij bij dit agendapunt al vertrokken waren.
Hoewel er één ambtsdrager ter vergadering een oproep aan de
bezwaarden had gedaan hun ambt dan maar neer te leggen, heeft noch
de raad noch één van de visitatoren dit overgenomen, laat staan hen
daartoe gedwongen.
91
10.3 Besluit tot schorsing?
We gaan weer terug naar het relaas van de Vijverhoeve-brochure,
gepresenteerd onder de titel Een aantal feiten (pag. 68).
Ook nu moet er weer heel wat rechtgezet worden. We verbazen ons
erover dat in zo’n belangrijk stuk, ter verdediging van de scheurmaking
als zou het gaan om de reformatie van de kerk, ja zelfs om verdediging
van “het evangelie van vrije genade”, zoveel vertekening van de
waarheid plaats vindt.
Dan ging het in 2003 heel wat anders toe. We konden onze Vrijmaking
legitimeren door officiële synodebesluiten aan te halen en uit Schrift en
belijdenis en kerkorde te bewijzen dat al die besluiten de kerk afvoerden
van het spoor der waarheid. We hoefden ons niet uit te putten in lange
verhalen over wat er wel of niet gezegd zou zijn op bepaalde
vergaderingen en wat ons in ons ambt of als gemeenteleden is
overkomen.
Heel anders is dit geschrift, waarin de vijf voormalige ambtsdragers
proberen hun eigenwillige weg te rechtvaardigen.
Dat blijkt ook bij 3. Het rondschrijven van 7 december 2009, Vijverhoevebrochure
pag. 68:
Op vrijdag 11 december 2009 zou er verder gesproken worden over de
ambtsdienst van de vijf ambtsdragers. Deze vijf ambtsdragers waren ervan
overtuigd dat op deze vergadering tot hun schorsing zou worden besloten.
Zij zagen dat bevestigd in de hen toegezonden agenda.
Vervolgens wordt geschreven: “Het was duidelijk dat we in de vergadering
van 11 december geschorst zouden worden. Dat is ook bevestigd uit de op 7
december opgestelde agenda voor die vergadering, die we tevoren
ontvingen. Midden in die agenda was een pauze, die werd voorafgegaan
door gebed. Dat betekende dat er broeders vertrekken. In die noodsituatie
hebben we u als gemeente op 7 december een brief geschreven, waarin we
de moeiten uiteen zetten. We zouden geschorst worden en de gemeente
wist nergens van”.
We lezen hier dat de vijf ambtsdragers ervan overtuigd waren dat zij
tijdens de vergadering op 11 december 2009 geschorst zouden worden.
Zij zagen dat bevestigd in de op 7 december 2009 opgestelde agenda
voor die vergadering. En zij trachten hun brief van 7 december 2009 aan
de gemeente te rechtvaardigen met de in hun ogen ontstane
noodsituatie. In heel dit deel van de brochure wordt overigens continu
beweerd dat het de bedoeling van de kerkenraad was om hen op 11
december 2009 te schorsen.
92
Vanwege de impact van deze actie van de vijf ambtsdragers door hun
brief van 7 december 2009 aan de gemeente en hun nu publiek
gemaakte zinspeling over de bedoeling van de kerkenraad, zullen wij
hier uitgebreid op ingaan. Daarbij nemen we gelijk ook een heel aantal
zaken mee die verderop in de brochure genoemd worden. We hopen zo
duidelijk te maken dat heel de actie van de vijf ambtsdragers met hun
brief van 7 december 2009 aan de gemeente en het gestelde in de
brochure getuigt van een verdraaiing van de waarheid .
We zullen dit onderverdelen in een tweetal punten waarbij we eerst
aangeven waarom het in het betreffende punt gaat.
1. Eerst de opmerkingen met betrekking tot de concept agenda voor de
vergadering van 11 december, die voor de vijf voormalige ambtsdragers
achteraf aangevoerd worden als rechtvaardiging van hun forceren van
de breuk.
Die concept agenda bevatte weliswaar een begingedeelte met alleen
ouderlingen, een pauze, met na de pauze een vervolg van de broeders
ouderlingen met diakenen, die zich geroepen weten ambtsdrager te zijn
in de kerk van Christus te Zwolle.
Deze indeling in de conceptagenda had geen betrekking op een
eventuele schorsing van ambtsdragers , maar op de mogelijkheid dat de
ambtsdragers, die zich niet langer ambtsdrager zouden beschouwen van
de kerk van Christus, hun ambt zouden kunnen neerleggen of daarvoor
ontheffing zouden kunnen vragen.
Het gedeelte ná de pauze was bedoeld om de diakenen nader te
informeren over deze ingrijpende en treurige ontwikkelingen binnen de
kerkenraad.
Eén en ander met betrekking tot de inhoud van deze conceptagenda is
later de ouderlingen die een voorlopige schorsing kregen, uitvoerig onder
de aandacht gebracht, ten einde een verkeerde gedachte daarover weg
te nemen. Toch wordt, zoveel maanden na die uitleg en de correctie van
de verkeerde interpretatie van de conceptagenda weer zomaar herhaald,
als zijnde de waarheid, dat de broeders vooraf constateren moesten dat
zij geschorst zouden worden op die vergadering.
Overigens is het opmerkelijk dat de broeders het rondzenden van hun
brief aan de gemeente van 7 december verdedigen met het verhaal over
de conceptagenda, die – let wel – pas op 8 december (om 19:06 u) via
de mail verzonden is!
93
Dat betekent dus dat op 7 december 2009, toen de brief aan de
gemeente geschreven werd, deze conceptagenda nog niet in hun bezit
was!
Daaruit kunnen we in ieder geval opmaken dat in het chronologisch
overzicht de opmerking dat de vijf ambtsdragers uit de agenda konden
concluderen dat zij geschorst zouden worden en dat zij daarom wel aan
de gemeente moesten schrijven, gezien de datering van een en ander,
totaal uit de lucht gegrepen is en alleen maar achteraf door hen moet zijn
verzonnen.
2. Vervolgens: in verband met het voorgaande bespreken we nu allerlei
verdere beweringen in de Vijverhoeve-brochure. We zullen daarbij
aanwijzen dat de grond wegvalt over de volgende uitspraken:
- verwachte schorsingsgronden, pag. 69;
- afwachten zou betekenen dat er geschorst zou worden, pag. 75;
- zij waren niet van plan in hun schorsing te berusten, pag. 75;
- stond het voor hun vast dat zij op 11 december 2009 geschorst
zouden worden, pag. 79;
- er waren meningsverschillen binnen de kerkenraad en die zijn
‘opgelost’ door een veroordeling van de ene partij door de andere en
met een schorsing en afzetting bevestigd, pag. 80;
- een bepaalde daad wordt aangegrepen om een schorsing die
kennelijk al vaststond te motiveren, pag. 81;
- maar helaas werd het aangegrepen om een schorsing, waar
kennelijk al over beslist was (buiten en boven de gehele kerkenraad
om) met nog meer motivatie door te zetten. pag. 82.
Al deze beweringen moeten dienen om de brief van 7 december 2009
aan de gemeenteleden te Zwolle te rechtvaardigen en de scheurmaking
voor te stellen als een reformatie van de kerk, ja zelfs als een terugkeer
tot het ‘evangelie van vrije genade’!
10.4 Een nieuw kerkrecht
Op 11 december 2009 werd dus een vergadering van de kerkenraad
gehouden, nadat de vijf voormalige ambtsdragers aan de gemeente hun
brief gezonden hadden, waarin zij hun meningen hebben vertolkt en zich
alzo hebben willen verdedigen door, tegen hun belofte in, allerlei
informatie van vertrouwelijke aard in de openbaarheid te brengen.
94
In die brief werd echter door hen in het geheel niet aangevoerd, dat zij
wel wisten op die avond geschorst te zullen worden, zodat zij zich
genoodzaakt zagen zich tot de gemeente te wenden.
Veel later hebben zij dat aangevoerd als rechtvaardiging voor het
zenden van die brief.
Ook op de bewuste vergadering van de kerkenraad hebben zij alleen als
argument gebruikt dat zij het ambt der gelovigen wilden inschakelen. Iets
dergelijks is ook te lezen op pag. 80 van de brochure.
Op die vergadering zag de kerkenraad zich genoodzaakt om de vijf
broeders op non-actief te stellen, anders gezegd: voorlopig te schorsen.
De kerkenraad heeft daarvan op de volgende dag, zaterdag 12
december, aan de gemeente mededeling gedaan in een vertrouwelijk
schrijven.
Op dezelfde dag riepen de vijf broeders de gemeente op om de
volgende dag, zondag, zich los te scheuren van de wettige kerkenraad
en hen te volgen in hun scheurmaking, die bestond in het beleggen van
een eigen samenkomst.
Dit is blijkbaar het nieuwe kerkrecht: niet de kerkelijke weg gaan, maar
meteen al de gemeenschap verbreken en gemeenteleden verleiden hen
te volgen op de weg van de scheurmaking.
Toch lag de kerkelijke weg nog helemaal open voor de vijf ambtsdragers
die voorlopig geschorst waren. Tegen hen werd gezegd dat er een
gezamenlijke vergadering, naar art. 79 kerkorde gepland zou worden
met de kerkenraad van de naburige gemeente, zodat tijdens die
gezamenlijke vergadering beide kerkenraden zich zouden kunnen
uitspreken over de schorsingswaardigheid van de vijf ambtsdragers.
Maar voordat die vergadering gehouden werd, werd de gemeente door
de vijf ambtsdragers al achter de kerkenraad vandaan geroepen, omdat
zij hun voorlopige schorsing niet wilden erkennen. Daarmee verdiepten
en verbreedden zij welbewust de ontstane scheur door hun brief van 7
december 2009. De reden hiervoor was dat zij hun voorlopige schorsing
niet erkenden en er ook niet in wilden berusten.
Zij proberen dat nu goed te praten, pag. 77 en 78 van de brochure, door
citaten van prof. C. Veenhof en van de redactie van DE REFORMATIE
tegen br. G. Goossens, om aan te geven dat er situaties zijn, waarbij de
ambtsdienst gewoon doorgaat, ook al is dat op een andere plaats.
95
Daarmee presenteren zij dit ‘nieuwe kerkrecht’ als zou dit een oude en
aanvaarde vorm van omgaan met kerkelijke tucht over ambtsdragers
zijn.
De bedoeling van het door hen aangevoerde is duidelijk: de kerkenraad
van Zwolle had een voorlopige schorsing uitgesproken, die vonden de
vijf ambtsdragers onterecht en daarom hadden zij, in navolging van wat
anderen daar over geschreven hebben, de gemeente weggeroepen en
de ambtsdienst voortgezet. Wij vinden het werkelijk verbijsterend dat
ambtsdragers op een dergelijke wijze kunnen redeneren en daarmee
ook nog menen dat zij in het voetspoor gaan van overleden voorgangers.
Wij geven in bijlage 2 (pag. 115) een uitgebreide weerlegging van de
door hen aangevoerde redenering, waarbij wij gebruik maken van
materiaal uit exact dezelfde jaargang van DE REFORMATIE die de
brochureschrijvers hebben gebruikt.
Deze bijlage bevat uitermate nuttige lessen met betrekking tot de zaak
Goossens voor het heden en voor de toekomst
Wat leren ze ons ten aanzien van de situatie in Zwolle in december
2009? Ons inziens niets anders dan dat de vijf ambtsdragers vanuit een
koppige en radicalistische houding hebben geageerd tegen het besluit
van de kerkenraad om hen een voorlopige schorsing op te leggen
vanwege scheurmakerij en woordbreuk.
Zonder ook maar af te wachten wat het oordeel van de kerkenraad van
de naburige gemeente zou zijn ten aanzien van hun
schorsingswaardigheid, riepen zij de gemeenteleden te Zwolle achter de
kerkenraad vandaan en belegden zij de eerstvolgende zondag 13
december 2009 eigen kerkdiensten.
Daarmee, zoals br. Goossens ook voorstond, direct hun daden in
overeenstemming brengend met het terstond verwerpen van wat door de
kerkenraad ten aanzien van hen was besloten.
Maar daarbij stellen we dezelfde vraag als de redactie van DE
REFORMATIE toen ook stelde:
Was dat dienstig om eendrachtigheid en enigheid te voeden en te bewaren,
of gaat het daar rechtstreeks tegen in?
Het antwoord daarop lijkt ons gemakkelijk. De conclusie ook. En wel
deze: wie op deze manier direct de gemeenschap verbreekt, de
gemeente daadwerkelijk scheurt, zoekt niet de broederschap maar
zichzelf, ondanks alle mooie en vrome woorden, waarmee zo’n
gemeenschapsverbreking wordt goed gepraat.
96
10.5 Trouwbreuk
We lezen verder in de Vijverhoeve-brochure op pag. 71 onder 8.
Geheimhouding nog een poging om de trouwbreuk goed te praten, als
volgt:
De meerderheid zag deze afspraken (en vooral de belofte van
geheimhouding) als absoluut en volledig. De vijf ambtsdragers zagen deze
afspraken als geldig, zolang de zaken in bespreking waren.
Soms vraag je je bij het lezen van dit soort dingen af of de broeders dit
zelf nu geloven. Je maakt met elkaar afspraken en je doet beloften en
dan blijkt achteraf dat de ene partij een belofte onder voorbehoud heeft
gemaakt, zonder dat hij iets over dat voorbehoud heeft meegedeeld! Kan
het nog onwaarachtiger? Of geldt voor de vijf broeders niet:
Laat het ja, dat gij zegt, ja zijn, en het neen, neen; wat daar bovenuit gaat, is
uit den boze, Matt. 5: 37.
Daar komt nog bij dat op 3 december 2009 afgesproken was dat op de
gemeentevergadering van 22 december 2009 opening van zaken
gegeven zou worden.
Op pag. 81 lezen we hierover nog:
Dat betekent dat de ambtsdragers niet geschorst zijn om inhoudelijke zaken.
En vervolgens wordt de zonde van scheurmakerij en woordbreuk
gebagatelliseerd tot een ‘ordekwestie’ waarbij de reden waarom prof. K.
Schilder indertijd werd geschorst moet dienen als bewijs. We kennen die
redenering, die vaak wordt opgezet om uit te komen onder de tucht van
een Schriftuurlijke kerkorde. Maar wie de Dordtse Kerkorde
onderhouden wil, zal toch moeten erkennen dat scheurmakerij en
woordbreuk volgens art. 80 KO toch echt moeten worden geduid als
openbare grove zonden.
97
11 OVERGEBLEVEN ZAKEN UIT DE BROCHURE
11.1 Afgelasten viering van het Heilig Avondmaal
Bij 11. Afgelasten viering van het Heilig Avondmaal (pag. 72) lezen we:
De viering van het Heilig Avondmaal op zondag 29 november 2009 werd
door de kerkenraad afgelast, vanwege moeiten binnen de kerkenraad. Op
dat moment werd de gemeente betrokken bij de moeiten binnen de
kerkenraad en had de kerkenraad direct opening van zaken moeten geven.
We willen er in dit verband op wijzen dat de vijf ambtsdragers vier dagen
voor de viering van het Heilig Avondmaal hun Verklaring en oproep tot
bekering op de kerkenraadstafel legden (9.9 van deze WEERLEGGING).
Daarin werd de kerkenraad opgeroepen om zich af te keren van een
heilloze weg. Omdat het stuk pas tijdens de vergadering ter tafel kwam
was er niet voldoende gelegenheid geweest om te reageren. Dat zou in
een later stadium gebeuren. Dus waarover had de kerkenraad op dat
moment de gemeente moeten informeren? Hij had zich toch zelf nog
geen compleet oordeel kunnen vormen over de Verklaring en oproep?
11.2 Eén in belijden?
Op pag. 82 wordt een voorslag gedaan hoe de kerkenraad de brief van
de vijf ambtsdragers aan de gemeente had kunnen ‘neutraliseren’.
Volgens de brochureschrijvers had de kerkenraad o.a. kunnen schrijven:
Waar we één zijn in ons belijden en allemaal een kerkverband willen naar de
regels van de gereformeerde kerkorde, vertrouwen we erop dat we er
samen uit zullen komen.
Nu stond in de brief d.d. 7 december 2009 van de vijf ambtsdragers aan
de gemeente o.a. te lezen:
We hebben opgeroepen tot bekering van de verkeerde leer over de kerk die
onder ons geleerd wordt.
En ook stond te lezen:
ons wordt een leer verkondigd die wij niet kunnen verantwoorden voor de
Here omdat die leer naar onze overtuiging strijdt met Gods Woord en de
belijdenis van de kerk.
Volgens de brochureschrijvers had de kerkenraad dus kunnen schrijven
dat er eenheid was in het belijden, terwijl de brief van de vijf
98
ambtsdragers juist stelde dat er géén eenheid was in het belijden. De
Vijverhoeve-brochure bevestigt met zoveel woorden de beschuldiging
van de vijf broeders dat er in De Gereformeerde Kerk van Zwolle een
dwaalleer wordt verkondigd, welke in strijd is met Gods Woord. Anders
gezegd: dat De Gereformeerde Kerk niet meer zou staan op het
fundament van profeten en apostelen.
Daarmee vervalt dan toch ook elke poging om tot eenheid te komen?
Het is toch zo dat de eenheid alleen gevonden wordt in de waarheid!
Dan spreekt men wel van een ‘uitgestoken hand’, maar die is blijkbaar
alleen uitgestoken om te tuchtigen?!
Opmerkelijk dat men dan wel de mond vol heeft over het zoeken naar
eenheid, maar tegelijk De Gereformeerde Kerken beschuldigt van
dwaalleer, van een strijden met Gods Woord.
11.3 De voorlopige schorsing en schorsing nader bezien
Met name wordt in de brochure veel geschreven over de voorlopige
schorsing en de schorsing.
Op pag. 82 lezen we over Eerst censuur, dan schorsing.
De tendens van dit verhaal is duidelijk. Volgens de brochure is het niet
mogelijk dat een ambtsdrager direct voorlopig geschorst wordt. Nee, zo’n
ambtsdrager moet eerst vermaand worden en dan, als hij zich niet
bekeert, dan zal censuur op hem worden toegepast.
Ter toelichting hier een citaat van prof. F.L. Rutgers, waarbij de van
belang zijnde passages voor de duidelijkheid vet zijn geschreven:
Intusschen zijn er zonder twijfel ook gevallen, waarin het noodig kan zijn
terstond te handelen, in den zin, dat men er geen dag over heen laat
gaan: gevallen, waarin het noodig kan zijn eenen dienaar des Woords
aanstonds te schorsen, ook nog voordat het onderzoek formeel geheel
kan zijn afgeloopen: gevallen, waarin het noodig kan zijn eenen
ouderling of diaken nog wel niet af te zetten, maar in de functie van zijn
ambt te schorsen; gevallen dus, waarin het noodig kan zijn
kerkedienaren voorloopig te schorsen.
De uitdrukking "voorlopige schorsing" komt wel in de kerkenordening
niet voor maar de zaak is toch feitelijk menigmaal in practijk gebracht: en het
ligt in den aard der zaak, dat voorloopige schorsing mogelijk en bestaanbaar
is, en soms noodzakelijk. Bijv. wanneer een dienaar des Woords op den
dag, voordat het Avondmaal plaats heeft, aan een feest deelneemt, en in het
openbaar zich dronken vertoont, dan moet de dienaar des Woords voorloopt
99
geschorst worden, en mag men hem niet laten optreden. Daarmede wordt
dan natuurlijk niet uitspraak in optima forma gedaan. Of ook, wanneer van
eenen dienaar des Woords iets zeer ergerlijks bekend wordt, kan
voorloopige schorsing noodig zijn, als aanvankelíjk het noodig blijkt omtrent
de waarheid der beschuldiging.
Ditzelfde kan voorkomen bij ouderlingen en diakenen. Bijv. wanneer een
ouderling een ergerlijk leven leidt, of een diaken zich schuldig maakt aan
diefstal van armengelden. Het is wel mogelijk, dat dan later blijkt, dat de
zaak zoo erg niet is. De geschorste moet dan gerehabiliteerd worden. Maar
dat komt niet veel voor. In den regel zal het wel niet zoo zijn.
We mogen aannemen dat de vijf ambtsdragers wel de artikelen 79 en 80
van de kerkorde kennen. En dat ze ook weten wat een “voorlopige
schorsing” is die als ordemaatregel te onderscheiden is van een
censuurmaatregel als “schorsing”.
De lezer verwijzen we daartoe graag in aanvulling op het citaat van
Rutgers, en wat prof. H. Bouwman en J. Jansen hierover hebben
geschreven, naar prof. J. Kamphuis Verkenningen III, pag. 132 en 133.
Dezelfde informatie is destijds ook aan de broeders verstrekt.
Het is daarom laakbaar dat in de brochure de feitelijke gang van zaken in
de hele kwestie haast continu verkeerd wordt voorgesteld.
Zo wordt regelmatig geschreven over ‘de schorsing’ waar ‘de voorlopige
schorsing’ geschreven moet worden. De argeloze lezer wordt daardoor
voortdurend op het verkeerde been gezet. Zo lezen we op pag. 78:
toen de meerderheid van de kerkenraad tot schorsing besloot………
En verderop:
De schorsing werd uitgesproken zonder eerst de genabuurde kerk te
raadplegen.
Op pag. 81 lezen we:
De kerkenraad van Berkel had alleen de voorlopige schorsing van 11
december 2009 moeten beoordelen en geen dingen die daarna gebeurd
zijn.
De schrijvers gaan er hier aan voorbij dat de kerkenraad van Zwolle de
kerkenraad van Berkel juist gevraagd had om ook de verdergaande
scheurmaking, het wegroepen achter de kerkenraad vandaan en het
beleggen van eigen kerkdiensten, te beoordelen in verband met de
schorsingswaardigheid.
100
Op pag. 81 lezen we ook:
Hoewel de oorzaken van de moeiten binnen de kerkenraad lagen en de ene
partij de andere heeft geschorst, heeft de kerkenraad van Berkel toch met
de gehele kerkenraad vergaderd. In dit geval had de kerkenraad van Berkel
met beide partijen afzonderlijk moeten vergaderen om zelf tot een goed
oordeel te komen. Hier is door de ambtsdragers nadrukkelijk om gevraagd
(per brief van 15 december 2009), maar dat werd afgewezen (per brief van
16 december 2009). Wij vragen ons in dat verband ook af in hoeverre één
van de visitatoren mee heeft gedaan aan de beraadslagingen van de
kerkenraad van Berkel.
Nu heeft de kerkenraad van Berkel de broeders duidelijk gemaakt
waarom hij vond dat er niet met beide partijen afzonderlijk vergaderd
moest worden, maar dat wordt in de brochure niet vermeld. Ook in de
brief van 17 december 2009 van de kerkenraad van Berkel aan de vijf
voorlopig geschorste ambtsdragers is dit nogmaals onder de aandacht
gebracht. We laten de betreffende passage hier volgen:
Wij voegen hieraan toe dat gezien de uitleg van kerkrechtdeskundigen op
art. 79 KO het een vereiste is dat er een gezamenlijke vergadering
plaatsvindt van beide kerkenraden die geroepen zijn om een oordeel te
geven over de schorsingswaardigheid van één of meerdere ambtsdragers.
Ook voor de kerkenraad van Zwolle e.o., die nog moet komen tot definitieve
oordeelsvorming m.b.t. uw schorsingswaardigheid, is het daarom van het
grootste belang dat u zich tijdens die vergadering verantwoordt over uw
handelen.
In die brief was ook een passage opgenomen van prof. J. Kamphuis
inzake de situatiefiguur van de voorlopige schorsing:
Komt nu in zulk geval de kerkenraad van voorlopige naar definitieve
schorsing, dan zal ook zijn voorlopig oordeel in de weg van confrontatie en
het nader beraad met de kerkeraad van de buurkerk tot een definitief
worden. Maar niemand mag dan beschuldigen van partijdige
bevooroordeeldheid. Het voorlopig oordeel behoeft geen vooroordeel te
betekenen. (de vetgedrukte woorden zijn cursiveringen van prof. J.
Kamphuis).
Maar waar goed onderzoek naar de ingebrachte beschuldiging hoor- en
wederhoor vereist, zal juist vergaderd worden in aanwezigheid van alle
‘partijen’. Merkwaardig dat deze normale zorgvuldigheid en openheid in
de rechtsgang, door de schrijvers ter discussie wordt gesteld.
101
11.4 Nieuw begin?
Op pag. 105/106 wordt aangegeven hoe er een nieuw begin gemaakt
zou kunnen worden. Volgens de brochureschrijvers ligt er namelijk aan
beide kanten de opdracht er alles aan te doen om samen een nieuw
begin te maken. Tenminste, zo voegen zij eraan toe, als er aan beide
kanten de overtuiging is op basis (van) Schrift en belijdenis een kerkelijk
leven te willen naar de regels van de gereformeerde kerkorde. Een
brede eenheid is volgens hen mogelijk als alle kerken en groepen die uit
de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt gekomen zijn, verklaren dat zij
van harte instemmen met de gereformeerde leer en een kerkverband
voorstaan naar de regels van het gereformeerde kerkrecht en een nieuw
begin met elkaar willen maken.
Daarop moeten wij op drie manieren antwoorden.
Allereerst: de Vijverhoeve-brochure is een product van de vijf voormalige
ambtsdragers, die verklaard hebben dat de kerkenraad van De
Gereformeerde Kerk Zwolle een leer verkondigt die ingaat tegen Gods
Woord. In de brief van 7 december 2009 aan de gemeente te Zwolle
schreven deze vijf broeders:
Het gaat over leer en regering van de kerk; zodoende menen wij dat haar
kenmerken in geding zijn.
Verder schreven ze in deze brief:
De werkelijkheid is andersom: ons wordt een leer verkondigd die wij niet
kunnen verantwoorden voor de Here omdat die leer naar onze overtuiging
strijdt met Gods Woord en de belijdenis van de kerk, zoals we hierboven al
aangegeven hebben.
Dit alles is geheel in lijn met hun Verklaring en oproep aan Zwolse
kerkenraad. Daarin werd geëist bekering van een, volgens de vijf
broeders, ingeslagen heilloze weg. Dat zijn zeer ernstige
beschuldigingen, die door de Vijverhoeve-brochure nog versterkt wordt
doordat men het ´evangelie van vrije´genade in geding brengt, alsof de
kerkenraad daarvan zou zijn afgeweken. Dat was voor de vijf broeders
de grond om zich af te scheiden van de kerk.
Zou het dan nu opeens voldoende zijn dat de kerkenraad van harte
verklaart in te stemmen met de gereformeerde leer? En zou dat dan
voldoende zijn om die verklaring te aanvaarden als basis voor kerkelijke
eenheid?
102
De werkelijkheid is dat van de kant van de vijf voormalige ambtsdragers
niets teruggenomen is van de beschuldiging als zou de leer van de eigen
predikant en de emeritus predikant binnen De Gereformeerde Kerk in
strijd zijn met Gods Woord en de belijdenis van de kerk. En ook dat die
valse leer ook door de kerkenraad wordt uitgedragen. En van de kant
van de kerkenraad is er in prediking en leer niets teruggenomen van wat
de tegenstanders menen aan te kunnen wijzen als valse leer.
Het was waarachtiger geweest als de brochureschrijvers gewoon
geschreven hadden dat eenheid niet mogelijk is zolang de kerkenraad
van Zwolle zich niet bekeert van de door de vijf broeders aangewezen
heilloze weg voor het aangezicht van de HEERE, onze God, die wil dat
Schriftuurlijk ja ook echt ja zal zijn en blijven. Het spreken op dit hoge
niveau in de kerk heeft de kracht van een eed.
En deze late oproep tot eenheid, na eerst een scheuring tot stand
gebracht te hebben, is nog erger dan de eerder genoemde
beschuldigingen.
Zij is ook totaal in tegenspraak met de inzet van de Vijverhoeve-brochure
als zou De Gereformeerde Kerk van Zwolle onder leiding van haar
kerkeraad het evangelie van vrije genade verloochenen.
Die beschuldiging betekent toch niet minder dan dat de kerk
opgehouden heeft een pijler en fundament van de waarheid te zijn –
waar moet de rechtvaardige dan blijven?
Het tweede dat we moeten opmerken is dat in de Vijverhoeve-brochure
niets te lezen is van enige terugkeer tot het gereformeerde kerkrecht. We
hebben al enkele malen gewezen op het eigenwillige omgaan met de
Schriftuurlijke rechtsregels, uitkomend in de ontkenning van het gezag
van de meerdere vergaderingen en daarmee van het niet als bindend
houden van de uitspraken en besluiten van die meerdere vergaderingen.
Hoe kan men dan uitspreken een kerkelijk leven te willen naar de regels
van de gereformeerde kerkorde en een kerkverband voor te staan naar
de regels van het gereformeerde kerkrecht en op die basis een nieuw
begin met elkaar te willen maken?
Alweer is dat een spreken met twee monden, nota bene in hetzelfde
geschrift.
Een nieuw begin zou zijn wanneer de broeders zich radicaal bekeerden
van hun dwaze en zondige wegen, waardoor zij de kerk, dat is de bruid
van Christus, gescheurd hebben.
Het derde wat we opmerken is dat men wil onderhandelen over de
kwesties rondom Zwijndrecht, Bergentheim/Bruchterveld en Zwolle. Die
103
moeten namelijk bespreekbaar zijn, zo wordt als voorwaarde gesteld
(pag. 106). Daarbij vergeet men gemakshalve dat kerkelijke zaken op
kerkelijke wijze moeten worden behandeld. En dat was nu juist de weg
die de kerkenraad de opponerende broeders steeds heeft gewezen,
namelijk de kerkelijke weg van het revisie vragen. Die weg hebben de
broeders steevast afgewezen. Nog steeds blijven zij dat dus doen en
willen dan wel een ‘gesprek’ over de bovengenoemde ‘kwesties’.
Maar verder begrijpen de vijf voormalige ambtsdragers nog steeds niet
wat hun schorsing en afzetting inhoudt. Dat was tucht over
ambtsdragers, volgens wat de Schrift ons gebiedt met betrekking tot
scheurmakers. En over de tucht heeft de Heere Jezus Christus duidelijk
gesproken toen Hij aanwees dat wat op aarde gebonden is, ook in de
hemel gebonden is.
Evenals destijds de broeders verklaarden te geloven dat God roept door
middel van mensen (door de gemeente en mitsdien door God geroepen
te zijn), zo moeten zij er nu van uitgaan dat zij door twee kerkenraden in
een gezamenlijke vergadering en evenzo mitsdien uit hun ambt zijn
ontzet.
Daarom kan over kerkelijke tucht nooit onderhandeld worden. Het is
daarbij van tweeën één:
Of de voormalige ambtsdragers komen tot berouw en erkenning van hun
schuld òf de kerkenraden komen tot het inzicht de tucht te hebben
misbruikt. Een derde is er niet.
Dat is het klimaat van de kerk! Dat zal men wel rigide of radicalistisch
noemen, maar dat is de eenvoudige waarheid van de Schrift en de enige
mogelijkheid om ooit weer tot eenheid te komen.
104
12 CONCLUSIE
De brochure presenteert zich als een “uitgestoken broederhand”.
Zoals we in het begin al hebben aangegeven hebben wij deze brochure
niet zo ervaren.
Dit hebben wij in dit document trachten aan te tonen. Ons is op
schrijnende wijze gebleken hoezeer de brochureschrijvers er niet voor
teruggedeinsd zijn om de meerderheid van de kerkenraad in een kwaad
daglicht te stellen. Hierbij hebben zij in hun brochure door vertekening
van de feiten en allerlei suggestieve opmerkingen de waarheid verdraaid
en het negende gebod van de Wet van de HEERE overtreden.
Ook zijn er in de brochure allerlei dwalingen met betrekking tot de leer
van de Schrift aan te wijzen:
- met betrekking tot hun presentatie van het evangelie van vrije genade,
zien we dat aan de waarheid van de Schrift wordt afgedaan;
- met betrekking tot het betonen van eer en gehoorzaamheid aan
ambtsdragers van de kerk, zien we dat de Schriftuurlijke betekenis van
het vijfde gebod wordt uitgehold;
- met betrekking tot het onderhouden van het kerkverband en
kerkordelijke afspraken zien we dat met een beroep op het evangelie
van vrije genade een eigenwillige independentistische koers verdedigd
wordt.
Daarnaast is er helaas geen enkel spoor van bekering te bekennen
inzake de woordbreuk en openlijke scheurmaking van de vijf broeders,
waartoe zij toch vele malen indringend waren opgeroepen.
Dit alles brengt ons ertoe om met verdriet te constateren dat de breuk
die geslagen is, zich nog verder verdiept heeft door de brochure.
Geve de Heere in Zijn genade dat onze weerlegging van de brochure
van de Vijverhoeve -gemeenschap nog tot inkeer mag leiden.
Niet alleen bij de vijf voormalige ambtsdragers, maar ook bij allen die
hen zijn gevolgd zelfs zonder zich tegenover de ambtsdragers die over
hen gesteld zijn persoonlijk te verantwoorden voor hun ingrijpende stap,
zich te onttrekken aan opzicht en tucht van de kerkenraad.
Dat is uiteindelijk onze diepste wens en bede.
105
We besluiten deze conclusie met het woord van ds. S. van Velzen in
1849 met betrekking tot de verdeeldheden in de afgescheiden kerken:
Wie het verwacht van het Woord van God zal er wel verdriet over hebben
dat ook in de gemeente van de Heere verschillen en onenigheden gevonden
worden, maar zal zich daarom niet van die gemeenten afkeren, maar
veeleer meewerken, naar de gaven die God hem verleend heeft, tot
opbouwing van de broederen.
Ook die onenigheden worden door Gods bestiering dienstbaar gemaakt ten
goede. De opregten zullen daardoor meer en meer beproefd, en de
geveinsden daardoor openbaar worden. En hoewel het wee uitgesproken is
over de degenen, door wie de ergernissen komen, nogtans is het
noodzakelijk dat zij komen.
Daarom, dierbare broeders! Die Den hemelschen Bruidegom JEZUS
liefhebt, laat ons waken en bidden dat wij niet in verzoeking komen. Gods
Woord is vast. Op grond van dat Woord zeggen wij het den Heere na: het
zal worden ééne kudde en één Herder. In dat Woord vinden wij hoe
sommigen afgedwaald zijn maar terug gebragt werden. De Heere doet dit
ook nu! In dat Woord zien wij hoe sommigen als huichelaars openbaar zijn
geworden. En ook is het ons voorspeld dat wij door vele verdrukkingen
moeten ingaan in het koninkrijk der hemelen; maar die volstandig zal blijven
tot het einde toe zal zalig worden.
106
13 SLOTWOORD
Kerk of sekte – reformatie of scheurmaking
De Vijverhoeve-gemeenschap noemt zich “Gereformeerde Kerk van
Zwolle e.o.” Zij heeft daarmee de pretentie de wettige voortzetting te zijn
van De Gereformeerde Kerk te Zwolle, hoewel zij geen deel uitmaakt
van het kerkverband van De Gereformeerde Kerken.
Daartegenover is er in de positie van De Gereformeerde Kerk te Zwolle
geen enkele verandering gekomen – zij maakt nog steeds deel uit van
het kerkverband van De Gereformeerde Kerken.
Dat brengt ons tot de onontwijkbare vraag naar de waarheid van die
pretentie van de Vijverhoeve-gemeenschap.
In de leerschool van de Heere Jezus Christus moeten we dan ook de
vraag stellen: was hun afscheiding van De Gereformeerde Kerk te
Zwolle uit de hemel of uit de mensen?
Daartegenover moet diezelfde vraag gesteld worden aan De
Gereformeerde Kerk te Zwolle: was de toepassing van de kerkelijke
tucht over de vijf voormalige ambtsdragers, overeenkomstig art. 79
kerkorde en dus namens het Hoofd van de kerk, uit de hemel of uit de
mensen?
Wij van onze kant kunnen vrijmoedig op deze vraag antwoorden dat de
uitoefening van de kerkelijke tucht over de vijf voormalige ambtsdragers,
vanwege het verwerpen van de vermaning over hun zonde van
woordbreuk en scheurmakerij, inderdaad uit de hemel was. En dat De
Gereformeerde Kerk van Zwolle de wettige kerk van de Heere Jezus
Christus gebleven is.
In het voorgaande is dat in onze WEERLEGGING duidelijk en
beargumenteerd uiteengezet.
In de brief aan Titus waarschuwt de HEERE tegen mensen die
scheuringen maken en gebiedt ook ons nog steeds om zodanigen te
verwerpen, Titus 3: 10.
Het woord sekte betekent niet, wat er wel algemeen onder verstaan
wordt, een groep mensen rond een leider, met als vereniging slechts
enkele dwalingen. Maar van sekte moeten we spreken als er
scheurmaking aan de orde is.
107
Het woord sekte is afgeleid van een Latijns werkwoord, waarvan de stam
‘sek’ is en dat betekent: snijden. Snijden van het lichaam van Christus.
Afsnijden van de wettige kerk, vanwege het vasthouden aan zelf
bedachte opvattingen.
De Vijverhoeve-gemeenschap zegt nu achteraf dat zij meende de kerk te
reformeren door één geloofsstuk los te maken van het geheel van de
Schrift, namelijk het ‘evangelie van vrije genade’.
Wat dat betekent en wat de werkelijke inhoud is van hun
schoonklinkende woorden over dat evangelie, is toch niet minder dan
een vergeefse poging hun zogenaamde reformatie te verdedigen. In het
voorgaande is daar uitvoerig op ingegaan.
Dit betekent dan ook dat de afscheiding van de wettige kerk veroordeeld
moet worden. Het was geen reformatie, maar scheurmaking!
Reformatie betekent altijd een terugkeer naar de bronnen. Terug naar
wat de HEERE in Zijn laatste zegenende bemoeienis met Zijn kerk heeft
willen bewerken door zowel de reformatorische beweging in de jaren
1930-1944, alsmede door de Vrijmakingen van 1944 en 2003. Een
terugkeer naar Schrift en belijdenis.
Maar wat men in de Vijverhoeve-brochure heeft willen verdedigen, was
scheurmaking, omdat men de kerkelijke tucht verwierp en weigerde zich
te bekeren van de zonde van woordbreuk en scheurmakerij.
Vervolgens is het weigeren van de geschorsten om via de kerkelijke weg
in beroep te gaan, maar daartegenover het meteen wegroepen van de
gemeente achter de wettige kerkenraad vandaan, een daad van
zelfhandhaving en eigenwilligheid in voortgezette scheurmaking.
Alzo schrijft de Vijverhoeve-gemeenschap aan zichzelf en haar
verordeningen meer gezag toe dan aan Gods Woord en wil zij zich niet
aan het juk van Christus onderwerpen (NGB art. 29 slot).
Wij kunnen daarom nu alleen maar duidelijk uitspreken dat de
Vijverhoeve-gemeenschap geen enkel recht heeft op de naam
Gereformeerde Kerk van Zwolle en niet méér is dan een groep
verdwaalde en verdwaasde kerkleden onder leiding van enkele
scheurmakers. Een sekte die op eigenwillige wijze is afgescheurd van de
kerk van de Heere Jezus Christus.
Dan past alleen de oproep tot de leiders, maar met name ook tot de
misleide broeders en zusters, om zich van deze zondige weg te bekeren
108
en met schuldbelijdenis terug te keren tot de kerk die met al haar
gebreken en tekortkoningen zich toch mag noemen de wettige kerk te
Zwolle e.o., de kerk van de Heere Jezus Christus aldaar.
Heden, indien u Zijn stem hoort, verhard uw hart niet, Ps. 95: 7-8.
Want bij U is vergeving, opdat U gevreesd wordt, Ps. 130: 4.
109
BIJLAGE 1 APPELRECHT OF APPELPLICHT BIJ ART.
31 KO?
(bij 9.7 op pag. 77 van de WEERLEGGING)
We kennen de uitdrukking dat appel een recht is en geen plicht uit de
recente kerkgeschiedenis. Het was ds. A. van der Ziel die aan zijn
kerkenraad, de kerkenraad van Groningen-Zuid, in 1965 liet weten dat hij
wel een appelrecht kende maar geen appelplicht, zie Acta Generale
Synode Amersfoort-West 1966, art. 230. Hij meende tegen besluiten van
zijn kerkenraad in te kunnen gaan zonder tegen dergelijke besluiten in
appel te gaan.
Nu is er inderdaad een recht van appel en geen plicht wanneer we art.
31 KO opslaan. Daar wordt immers in het eerste lid gesteld:
Als iemand van oordeel is dat hem door een uitspraak van een mindere
vergadering onrecht is aangedaan, kan hij zich beroepen op de meerdere
vergadering.
Kan hij zich beroepen, deze mogelijkheid wordt geboden maar het hoeft
niet. Het is daar geen plicht. Iemand kan zich ook neerleggen bij het
(vermeende) onrecht dat hem is aangedaan.
De zaak waar het nu om gaat geldt echter het tweede lid van art. 31 KO.
Daar wordt immers gesteld:
De uitspraak die bij meerderheid van stemmen gedaan is, zal als bindend
worden aanvaard, tenzij bewezen wordt dat zij in strijd is met het Woord van
God of met de kerkorde.
Hier gaat het dus over de besluiten van de kerkelijke vergaderingen. Die
worden als bindend aanvaard, dat wordt nog eens nadrukkelijk beloofd in
de credentiebrief die afgevaardigden meenemen naar een meerdere
vergadering.
Met uitzondering van het ‘tenzij’. En het ‘tenzij’, is ook echt een ‘tenzij’.
Dit houdt in dat iemand die voor zichzelf bewezen acht op grond van
Gods Woord dat een bepaald synodebesluit ingaat tegen dat Woord dan
mag hij zich daar geen moment aan houden. En ook geen medewerking
verlenen aan de uitvoering.
Maar vervolgens, wat staat zo’n bezwaarde broeder nu te doen. Staat
het hem nu vrij, zoals de brochure stelt, om al of niet de zogenaamde
kerkelijke weg te gaan? Is dat de zin en bedoeling van de kerkorde, die
110
juist opgesteld en aangenomen is en gehandhaafd wordt om de vrede te
dienen? En hoe wordt die vrede dan gediend als er één of meerdere
broeders zijn die van oordeel zijn dat er besluiten genomen zijn die
ingaan tegen Gods Woord?
Het is onze overtuiging dat de Gereformeerde Kerken altijd van oordeel
zijn geweest dat iemand (of een kerkelijke vergadering) bij bezwaren
tegen besluiten van kerkelijke vergaderingen of meerdere vergaderingen
op grond van het Woord van God of de kerkorde de plicht had om bij de
betreffende vergadering die het besluit nam of bij de meerdere
vergadering aan te tonen waarom het desbetreffende besluit niet als
bindend aanvaard kon worden.
Als bewijs hiervoor laten we onderstaand citaat volgen uit de toespraak
van prof. J. Kamphuis tijdens de Generale Synode Groningen 1978 bij
de herziening van de kerkorde. Dit citaat toont ook aan dat de brochure
ten onrechte prof. P. Deddens opvoert als iemand die voor zou staan dat
er geen plicht tot appel zou zijn. Een aantal zinnen hebben we
vetgedrukt zodat helder is waarom het gaat.
Hij hoopt dat deze herziening de opbouw van de kerken en het onderricht in
de opleiding tot de dienst des Woords zal dienen. Het was mede met het
oog op dit onderricht, dat spreker zich indertijd richtte tot de particuliere
synode van Overijssel. Onwillekeurig gaan de gedachten naar de
hoogleraren F. L. Rutgers, S. Greijdanus, K. Schilder en P. Deddens. In de
strijd tegen de hiërarchie en het independentisme is vooral aan de laatste
twee te denken. In de algemene vergadering van de buitenverbandse
gemeenschap is volgens een bericht in het Nederlands Dagblad indien
het verslag door spreker juist gelezen is bij de vaststelling van een
regel, die het 'oude' art. 31 moet vervangen, de naam van prof. P.
Deddens genoemd, als zou zijn kerkrecht in die nieuwe regel zijn
vastgelegd. Dit is echter niet waar. Prof. Deddens heeft samen met prof.
K.Schilder enkele beschouwingen aan het ratificatierecht gewijd, waartegen
door spreker enige bedenkingen zijn ingebracht.
Door voortgaand onderzoek bij hartelijke verbondenheid met sprekers
voorganger en leermeesters is dat in christelijke vrijheid geschied. Als
weinigen echter heeft sprekers geëerde voorganger ervoor gepleit, dat
de kerkenraden bij besluiten van meerdere vergaderingen 'de
grenswacht' zouden betrekken en in verband daarmee heeft hij
onvermoeid ervoor gepleit, dat wanneer een kerkenraad een besluit
niet voor vast en bondig kon houden, deze kerkenraad niet slechts
'rekenschap 'zou geven aan de zusterkerken, maar appel heeft aan te
tekenen, opdat de kerken bij het Woord Gods zouden blijven.
111
We realiseren ons dat in het bovenstaande gesproken wordt over ´de
kerkenraden´. Sommigen zouden daarbij de indruk kunnen krijgen dat
zolang de kerkenraad dan maar bij meerderheid beslist om besluiten als
bindend te aanvaarden het wel goed is. En dat de broeders die binnen
zo´n kerkenraad een besluit niet als bindend kunnen aanvaarden omdat
zij vinden dat die besluiten in strijd zijn met Gods Woord vervolgens niet
de plicht hebben om in appel te gaan.
Maar dat zou berusten op een misverstand. Want de plicht tot appel
wanneer een besluit niet als bindend aanvaard kan worden werd door
prof. P. Deddens juist gegrond in het ‘opdat de kerken bij het Woord
Gods zouden blijven’. Dat is de reden waarom er een appelplicht is voor
allen als het Woord van God in geding is. En waar dat in de kerk in
geding is hebben we de plicht om elkaar daarop te wijzen. Dat eist de
liefde tot God en tot elkaar van ons. Omdat alleen het Woord van God
zeggenschap heeft in de kerk.
In dit verband is het wellicht goed om te wijzen op wat de brochure zelf
met instemming aanhaalt van C. Veenhof op pag. 53 en 54. Daar schrijft
Veenhof in de laatste alinea:
Neen, zeggen de vrijgemaakten, als een kerkenraad – en ook een kerklid –
na ernstig onderzoek – het voor zichzelf bewezen acht, dat een besluit nietschriftuurlijk
is, moet hij zo’n besluit direct voor niet-vast-en-bondig houden.
Natuurlijk zo, dat hij zich onmiddellijk met dit bewijs óók in en (dit ‘en’
zal ‘de’ moeten zijn, schrijvers) kerkelijke weg tot de meerdere
vergaderingen wendt.
De laatste zin is door ons vetgedrukt omdat die onderstreept wat we
tevoren hebben opgemerkt.
Maar hoe zit het dan met het aangehaalde citaat van prof. P. Deddens in
de brochure op pag. 87? Voor het gemak drukken we dit citaat nog eens
af maar dan zoals die oorspronkelijk staat afgedrukt in de bedoelde
REFORMATIE van 7 december 1957. Dus zonder de aangebrachte
onderstreping door de brochureschrijvers en met de woorden vetgedrukt
die prof. Deddens vet liet afdrukken;
DE REFORMATIE - 7 december 1957 - P. Deddens
Bouquetje Polemiek
Wanneer een besluit der meerdere vergadering zo rechtdraads tegen de KO
ingaat als het bedoelde besluit van de classis M., kan geen kerkenraad
verplicht
112
worden zich daaraan bij voorbaat te onderwerpen. Alleen is zulk een
kerkenraad gehouden van het besluit der classis bij de part. synode in
beroep te gaan. Maar bewijs van deze laatste stelling wordt niet gegeven.
Een afdoend kerkrechtelijk bewijs zou o.i. ook moeilijk te geven zijn. Een
andere zaak is, of een kerkenraad uit ander motief daartoe niet gehouden
zou zijn, n.l. uit hoofde van het feit, dat de kerkelijke gemeenschap
verstoord was, en een kerk wel alles dient te doen wat mogelijk is, om onder
Gods zegen die verstoorde gemeenschap te herstellen. Onder dat
mogelijke behoort het beroep op de particuliere, eventueel de
generale synode. Wat vreugde, als door deze bemoeiing de
gemeenschap volledig werd hersteld! Maar zou dit niet mogen
gelukken, dan past alleen vermaan, geen dwang.
Prof. Deddens gaat hier in op de kwestie of een kerkenraad
kerkrechtelijk verplicht is zich tot de particuliere synode te wenden als
hij niet akkoord kan gaan met een classisbesluit dat hem in het ongelijk
stelde. Hij verwijst dan naar een rapport uit 1920 in de zaak van ds.
Netelenbos die deze vraag, of een kerkenraad kerkrechtelijk verplicht
is enz., toestemmend beantwoordde.
Daarover zegt hij nu in het hierboven gegeven citaat:
Maar bewijs van deze laatste stelling wordt niet gegeven. Een afdoend
kerkrechtelijk bewijs zou o.i. ook moeilijk te geven zijn.
Wie de geschiedenis rond de Vrijmaking van 1944 kent weet waarom
prof. Deddens dit zo schrijft. Door de synodale kerken werd immers het
‘tenzij bewezen wordt dat zij (een besluit of uitspraak) in strijd is met het
Woord van God’ van art. 31 KO veranderd in een ‘totdat’.
Besluiten van de synode moesten als bindend worden aanvaard totdat
men de volgende synode had bewezen dat ze in strijd waren met het
Woord van God. Dat was volgens de ‘synodalen’ de zin en betekenis van
het ‘tenzij’ van art. 31. Je beginnen te onderwerpen aan de besluiten
totdat je een volgende synode het bewijs kon leveren van strijdigheid
met het Woord van God.
Daartegenover stelden de latere vrijgemaakten dat het ‘tenzij bewezen
wordt dat zij in strijd is met het Woord van God of de kerkorde’ van art.
31 niet ziet op het bewijs leveren aan de volgende synode/meerdere
vergadering maar op het voor zichzelf bewezen achten van strijdigheid
met het Woord van God of de kerkorde, zie het citaat van C. Veenhof
hierboven.
113
Zodra je tot de overtuiging gekomen was dat een besluit in strijd was met
Gods Woord mocht je zo’n besluit niet als bindend aanvaarden en
uitvoeren. Dat is wat we kerkrechtelijk hebben afgesproken in art. 31 KO.
Maar in de kerkorde hebben we niet uitdrukkelijk vastgelegd dat iemand
kerkrechtelijk verplicht is zich tot de meerdere vergadering te wenden
als hij een besluit niet als bindend kan aanvaarden. Zo’n kerkrechtelijk
bewijs, vastgelegd dus in de kerkorde, zou volgens prof. Deddens
moeilijk te geven zijn omdat het er gewoon niet zo staat.
Vandaar ook dat hij schrijft of een kerkenraad uit ander motief daaraan
niet gehouden zou zijn, nl. uit hoofde van het feit, dat de kerkelijke
gemeenschap verstoord was, en een Kerk wel alles dient te doen wat
mogelijk is, om onder Gods zegen die verstoorde gemeenschap te
herstellen.
Dat bovenstaande de gedachtegang van prof. Deddens juist weergeeft
blijkt uit het jaaroverzicht in het Handboek van 1957. Want het was naar
aanleiding van vragen over het door hem gestelde in het jaaroverzicht
dat hij schreef over het kerkrechtelijk bewijs.
In dit jaaroverzicht schrijft prof. Deddens o.a. over de moeiten die toen
ontstaan waren in de kerk van Wezep. Deze kerk weigerde een
uitspraak van de classis als bindend te aanvaarden en wilde ook niet in
appel gaan. Deze kerkenraad schreef aan alle kerken:
Wij lezen art. 31 zoals het er staat: men zal zich beroepen mogen, er is dus
geen sprake van verplichting.
Prof. Deddens schrijft vervolgens:
We zijn met de finesses van deze kwestie niet bekend, we geven weer wat
ieder in de pers heeft kunnen lezen. We weten dus niet, welke bijzondere
reden de kerk van Wezep had, zich na de classis- uitspraak van 20 jan. en 2
maart 1955 niet te wenden tot de particuliere synode. Na het hierboven
geschrevene zal het niemand verbazen, dat wij ’t met de zienswijze van de
kerkenraad over het zich mogen beroepen op een meerdere vergadering
niet eens zijn. Dit is ook, zoals we schreven, niet in overeenstemming met
de opzet van art. 31.
Concluderend kunnen we stellen:
- dat art. 31 KO de mogelijkheid geeft om in appel te gaan bij een
meerdere vergadering als iemand van oordeel is dat hem onrecht is
aangedaan;
114
- dat besluiten waarvan bewezen wordt dat zij in strijd zijn met het
Woord van God of de kerkorde zodra iemand dat voor zichzelf
bewezen acht niet als bindend aanvaard mogen worden;
- dat de zin en opzet van art. 31 is dat men, inzake besluiten die niet
als bindend aanvaard kunnen worden omdat men ze in strijd acht
met het Woord van God of de kerkorde, zich met de bewijslast wendt
tot de vergadering die dat besluit nam of de meerdere vergadering.
De zgn. kerkelijke weg.
De reden hiervoor is dat allen in de kerk dienen te blijven bij de
gehoorzaamheid aan het Woord van God dat alleen heerschappij heeft
in de kerk en bij de aangenomen kerkorde die de vrede binnen het
kerkverband ten doel heeft. Daartoe zijn we binnen de kerk ook aan
elkaar gegeven.
In verband met heel deze kwestie moet ons nog wel iets van het hart.
De drie bezwaarde broeders, die weigerden revisie aan te vragen,
hebben op 21 november 2009 van visitatoren twee stukken ontvangen
met betrekking tot de vraag hoe om te gaan met het (niet)ratificeren van
synodebesluiten. In één van die stukken staat ook het aangehaalde
citaat van prof. Kamphuis over hoe prof. Deddens dacht over de plicht
om in appel te gaan.
We betreuren het dat in de brochure daarover niets terug te vinden is en
dat, integendeel, men prof. Deddens nu publiek opvoert als getuige voor
een vorm van kerkrecht, die hij nooit heeft voorgestaan. Een vorm van
kerkrecht die ook ingaat tegen de zin en bedoeling van de kerkorde en in
strijd is met de eis om de vrede in de kerk te bewaren zoals de Schrift
ons voorhoudt.
115
BIJLAGE 2 TERSTOND HANDELEN BIJ ART. 31 KO?
(bij 10.4 op pag. 93 van de WEERLEGGING)
Op pag. 78 haalt de brochure een citaat aan uit DE REFORMATIE, dat
een klein gedeelte bevat van een beoordeling van de redactie van DE
REFORMATIE van een zogenaamd ‘Wederwoord’ van br. G. Goossens.
Deze br. Goossens wilde nl. in dit Wederwoord aantonen waarom zijn
broer, ds. S.J.P. Goossens, indertijd in zijn recht stond toen hij tegen de
wil van zijn kerkenraad in het zendingswerk op Sumba voortzette. Hij
grondde zich hiervoor op art. 31 KO. Br. Goossens schreef:
Als een kerkelijke vergadering een besluit neemt, dat naar iemands heilige
overtuiging strijdig is met Gods Woord, dan verwerpt hij dat besluit terstond,
en doet aanstonds (zonder de uitspraak van de meerdere vergadering af te
wachten) wat hij meent recht te zijn.
Daarvan zegt de redactie van DE REFORMATIE:
Maar ’t gaat hierom: gesteld dat een kerkenraad een verkeerd besluit neemt
en iemand de uitoefening van zijn dienstwerk ontzegt, is die man dan
verplicht om aanstonds ’t tegenovergestelde te doen, onder faveur van het
zeggen: Christus wil het en Hij is de enige Lastgever?
En verderop zegt de redactie:
Eerst schreef br. Goossens: een gelovige moet een kerkenraadsbesluit, dat
strijdig is met Gods Woord, terstond verwerpen, en zijn daden ermee in
overeenstemming brengen.
Met deze citaten willen we aangeven waar het hier om gaat, namelijk om
de vraag of een vermeend verkeerd besluit direct mag leiden tot daden
die tegenovergesteld zijn aan wat uitgesproken is.
Laten we nu zien welke mening de redactie van de Reformatie daarop
nahield. In het slotantwoord aan br. Goossens wordt dat o.i. het meest
duidelijk verwoord en wel zo:
Zegt men, met br. Goossens: aanstonds verwerpen en daden doen,
daarmee in overeenstemming, dan is het hek van de dam. Gaat men de
lijn volgen, door br. Goossens gewezen, dan wordt het inzicht van de
predikant maatgevend. En is dominocratie minder erg dan synodocratie?
Beide is tegen de Schrift. Bewaar de band aan het Woord, zo wil br.
Goossens. Uitnemend. Maar betekent dat: aanstonds de band aan kerkelijke
vergaderingen slaken? Wat een onbarmhartigheid! De gemeenschap met de
116
Here vóór en bovenal – van harte mee eens. Maar om in die gemeenschap
ten volle te staan, moet ik weten vrij te staan tegenover de
gemeenschappen van mensen, die geroepen worden om te oordelen.
Daarbij moet het laatste beproefd, om, acht men dat ze ongelijk hebben,
daarvan te overtuigen.
Dáárom hebben De Cock, Kuyper, Schilder, de beslissing van de synode
afgewacht. Wie zich zo vrij maakt, kan voor God getuigen: ik kon niet verder;
ik ben gestuit op de pertinente onwil van anderen.
Eén verkeerde beslissing van een kerkelijke vergadering, maakt ons niet van
kerkelijke vergaderingen vrij. Zó bande-loos mogen we niet zijn. Dan zouden
we niet zijn: vrijgemaakt. Maar wat de wereld noemt: vrijgevochten.
Eén verkeerde beslissing – en de gemeenschap zou verscheurd worden.
Dáártegen klonk ons protest.
HIER LIGT HET GROTE GEVAAR, DAT ELKE VRIJMAKING BEDREIGT: ALS GE
ACHT, DAT EEN KERKELIJK BESLUIT INGAAT TEGEN DE SCHRIFT OF DE K.O. –
BREEKT METEEN HET CONTACT AF.
Deze weg leidt tot caricatuur van de Vrijmaking. Daarom achten we de lijn,
door br. Goossens aangewezen, voor de kerken funest.
In dit citaat wordt gesproken over de houding van De Cock, Kuyper en
Schilder. Elders schrijft de redactie van DE REFORMATIE hoe hun
houding is geweest toen zij geschorst werden, we citeren opnieuw:
Men vraagt zich af, hoe het toch mogelijk is, dat iemand in een ernstige
polemiek, zonder de bedoeling van de ander ook maar enigszins te peilen,
er zo op los kan schrijven.
Br. Goossens valt aan op het zinnetje: “de kerken willen niet anders”. We
schreven zulks in dit verband, dat we wezen op de schorsing en afzetting
van een dienaar des Woords, die van oordeel is en bewijzen kan: het besluit
van schorsing en afzetting gaat in tegen Gods Woord of de K.O., en die de
kerkelijke weg volgt ten einde toe. We noemden De Cock. En Kuyper. En
Schilder. Deze broeders hebben hun dienstwerk niet aanstonds voortgezet,
maar gewacht tot de synode definitief uitspraak deed. Eerst toen gingen ze
hun ambtswerk hervatten. Dat zijn de feiten.
Van De Cock schrijft zijn zoon: “Hij had zich sedert de eerste schorsing
onthouden van alles, waartoe alleen de bedienaar des Evangeliums
gerechtigd is.” Dr. Kuyper handelde evenzo: eerst nadat hij met zijn
ambtsbroeders 1 dec. ’86 was afgezet, trad hij met hen daarna in de
ambtelijke bediening op en legde men de gemeente de vraag voor: wilt ge
onze heilige bediening onverkort en onvoorwaardelijk om Jezus’ wil
erkennen? En Prof. K. Schilder heeft zich na zijn schorsing gewacht, zoals
hij zelf schreef in ons blad, om enige ambtelijke functie te vervullen (zelfs
geen tentamen nam hij af).
117
En tenslotte geven we nog twee citaten uit de artikelenreeks tegen
br. Goossens:
Eerst schreef br. Goossens: een gelovige moet een kerkenraadsbesluit, dat
strijdig is met Gods Woord, terstond verwerpen, en zijn daden er mee in
overeenstemming brengen. Wat dit laatste in een concreet geval van
schorsing en afzetting, anders kan betekenen dan; met het ambtswerk
doorgaan, vermogen we niet in te zien. Daar komt iets bij. Wij hebben nooit
ontkend, dat het geboden kan zijn, ondanks schorsing en afzetting, het
ambtswerk voort te zetten. Maar, zeiden we, wacht in elk geval eerst op de
uitspraak van de generale synode; doe wat De Cock, Kuyper, Schilder
gedaan hebben: wees barmhartig en heb geduld met het kerkverband. Dan
kunt ge, na ’t bewijs, dat art. 31 vordert, ingeval ge op grond van Gods
Woord moet zeggen: ’t mag niet anders, rustig voortgaan.
Daarop schreef br. Goossens: neen, neen, fout! Zo maakt u van tenzij toch
weer een totdat! – Maar wat kan deze critiek nu anders betekenen, dan dat
br. Goossens op zijn standpunt aanstonds het ambtswerk wil doen
hervatten, na de eerste uitspraak, die in strijd wordt geacht met Gods
Woord?
Verderop vervolgt de redactie dan:
Wat geschied is, en door Br. Goossens werd verdedigd, nl. dat een dienaar
des Woords ondanks verbod van zijn kerkenraad de ambtsdienst voortzet en
schorsing en afzetting behandelt als waren ze nooit geschied, is dat
dienstig om eendrachtigheid en enigheid te voeden en te bewaren, of
gaat het daar rechtdraads tegen in?
Ten overvloede verwijzen wij in verband hiermee nog naar wat prof. P.
Deddens in het Handboek van 1957 heeft opgemerkt over hoe te
handelen als een mindere vergadering een besluit neemt dat onjuist
wordt geacht door een bezwaarde. Zijn verhandeling daarover is te lezen
vanaf pag. 185.
Ook zal dan duidelijk worden dat heel de vergelijking die de brochure
maakt tussen de kwesties rond 1944 en nu, m.b.t. het in revisie gaan en
hoe te handelen bij een voorlopige schorsing, elke grond mist.
118
INHOUDSOPGAVE
1. INLEIDING 3
2. OM HET EVANGELIE VAN VRIJE GENADE 5
2.1 Ingegraven 5
2.2 Bij nader inzien 5
2.3 Lutherse dwalingen 6
2.4 Kohlbrugge 8
2.5 De ondergrondse veenbrand 10
2.6 Een belijdenis op een stuivertje 11
3. DEFORMATIE - REFORMATIE eerste deel 13
3.1. Om Woord en kerk – de voorgeschiedenis 1944 13
3.2 Het vervolg tot 2003 15
3.3 De Vrijmaking van 2003 – een vertekend beeld 16
3.4 De werkelijke kerkgeschiedenis 18
3.5 De Schriftkritiek 20
3.6 Een vooringenomen standpunt 21
4. DEFORMATIE - REFORMATIE tweede deel 23
4.1 Deformatie 23
. 4.2 Gehoorzaamheid – een nieuwe ethiek 24
4.3. De kerk – het adres van de kerk 27
5. HET KERKVERBAND ALS GENADEGAVE VAN CHRISTUS 32
5.1 Kritiek 32
5.2 Christus schenkt het kerkverband 32
5.3. De noodzaak van het kerkverband 34
5.4. Het gezag van de meerdere vergaderingen 36
119
6. ARTIKEL 31 KO - EIGEN MEESTER, NIEMANDS KNECHT 40
6.1 De wortel van de scheuring 40
6.2 Mogen en moeten 40
6.3 Persoonlijk onrecht 41
6.4 Algemene kerkelijke besluiten 42
6.5 De kerkelijke weg 45
6.6 Gezag 46
6.7 Eigenwilligheid met betrekking tot Zwijndrecht en
Bergentheim/Bruchterveld 50
7 DE AMBTEN - DE WEG VAN DE ROEPING 55
7.1 Rechtstreeks regeren? 55
7.2 Door middel van de ouderlingen 55
7.3 De roeping tot het ambt 57
7.4 Onderwerping 58
7.5 Hoe men zich moet gedragen in het huis van God –
1 Tim. 3: 15 63
8 EIGENWILLIGHEID CONTRA GELOOFSGEHOORZAAMHEID 66
8.1 Niet op de straten van Gath en Askelon – 2 Sam. 1: 20 66
8.2 De aanvankelijk verborgen drijfveer van de geschorste
en afgezette ambtsdragers – Gal. 5: 13 67
9 OVERZICHT VAN DE GANG VAN ZAKEN 70
9.1 Het begin 70
9.2 Verzoek om hulp 71
9.3 Hulpverlening door visitatoren en deputaten ad art. 49 KO 71
9.4 Beleid rond kerkgrenzen 74
9.5 Kerkvisitatie en vervolg 74
120
9.6 Pogingen tot oplossing van de conflicten 76
9.7 De zaak van het handelen overeenkomstig de kerkorde 77
9.8 Revisieverzoeken zinloos? 81
9.9 Het conflict geforceerd 83
10 BESPREKING VAN DOOR DE BROCHURE
GENOEMDE FEITEN 86
10.1 Veroordeling en schorsing 86
10.2 Vroeg de kerkenraad om het ambt neer te leggen? 90
10.3 Besluit tot schorsing? 91
10.4 Een nieuw kerkrecht 93
10.5 Trouwbreuk 96
11 OVERGEBLEVEN ZAKEN UIT DE BROCHURE 97
11.1 Afgelasten viering van het Heilig Avondmaal 97
11.2 Eén in belijden? 97
11.3 De voorlopige schorsing en schorsing nader bezien 98
11.4 Nieuw begin? 101
12 CONCLUSIE 104
13 SLOTWOORD Kerk of sekte - reformatie of scheurmaking 106
BIJLAGE 1 APPELRECHT OF APPELPLICHT BIJ ART. 31 KO? 109
BIJLAGE 2 TERSTOND HANDELEN BIJ ART. 31 KO? 115

Laatst aangepast op woensdag 13 juli 2011 10:10  

Nieuws

Een nieuwe website uit GKv over bezinning vrouw en ambt

Gisteravond is de site online gegaan inzake de bezinning die achter de schermen gaande is rond MV en ambt. Deze site is opgericht door een aantal predikanten, een zuster en een broeder uit de... [More...]

Boekaankondiging Gelukkig geen mythe - ds. Rob Visser

Boekaankondiging Gelukkig geen mythe - ds. Rob Visser

Als alles goed is zal half september het boek over Genesis 1-11 beschikbaar zijn. De titel is; Gelukkig geen mythe. In dit boek wordt Genesis 1-11 vers voor vers besproken. Deze hoofdstukken zijn... [More...]

Ds. E. Heres - Lucy of Adam

Een andere 'hermeneutische lens' De aanvallen op het scheppingsgeloof dat gebaseerd is op het geopenbaarde Woord van God worden steeds heftiger.  Het boek dat in deze maanden veel aandacht krijgt... [More...]

De ICRC schorst de GKv als lid

De ICRC schorst de GKv als lid

De ICRC (International Conference of Reformed Churches) te Jordan (Ontaria, Canada) heeft vandaag, 17 juli 2017, besloten om de GKv (Gereformeerde kerken vrijgemaakt) als lid te schorsen... [More...]

Di. Alko Driest, Jan Haveman, Pieter Schelling en Aryjan Hendriks...

UPDATE 20-07-2017 Emeritus ds. Alko Driest en ds. Jan Haveman mailden op 13 juli een brief naar alle kerkenraden in Noord-Nederland met de vraag om in ieder geval tot de eerstkomende Generale... [More...]

Referaat ds. H.G. Gunnink d.d. 12 juli 2017

Voorlichting, bijeenkomst Bedum (Maranathakerk, Grotestraat) De bijgevoegde presentatie is zakelijk van opzet. Daarom is het belangrijk om geen moment te vergeten, dat het gaat over voluit... [More...]

Boekbespreking 'HIJ en wij' - van ds. E. Hoogendoorn

In Weerklank - een gereformeerd maandblad uit de GKN - jaargang 5 nr. 3 schreef ds. E. Hoogendoorn onderstaande boekbespreking van 'HIJ en wij' met de ondertitel ‘Oriëntatie in de actuele situatie... [More...]

Enquete

Predikanten, ouderlingen en diakenen zijn in belijdende gereformeerde kerken gebonden aan
 

Nieuwsbrief

Naam:

E-mail:

Gereformeerd?

Grondlijnen in de liturgie (Ds.dr. R.D. Anderson)

Op zijn weblog anderson.modelcrafts.eu vonden we een artikel (laatste wijziging 12 september 2012) van ds. Andersen (FRCA) over de grondlijnen van de liturgie. Enkele citaten: Als inleiding wil ik... [More...]

De GKN zetten het gesprek voort met DGK over functioneren fundament...

De GKN hebben op de Generale Synode d.d. 18 maart 2017 besloten om het oriënterende gesprek met DGK voort te zetten. Nu samen met afgevaardigden van DGK op 17 februari jl. is vastgesteld dat alleen... [More...]

Blijdschap over positief gesprek DGK en GKN 17 februari

Positief gesprek geeft openingen!Op 17 februari 2017 hebben afgevaardigden van DGK (De Gereformeerde Kerken) en GKN (Gereformeerde Kerken Nederland) de tot nu toe gevoerde briefwisseling besproken en... [More...]

Betekenis van het besluit van de GKN over het spreken met de DGK -...

Ik wil graag reageren op wat broeder Trip over dit besluit heeft geschreven. Om zo onnodige obstakels en misverstanden die een eigen leven gaan leiden weg te nemen.   Ook om te laten zien dat de... [More...]

GKN willen uitgestoken hand DGK opnieuw onderzoeken

Een zeer teleurstellend bericht bereikte ons zaterdagavond via de nieuwsbrief van eeninwaarheid.info. De Synode van de GKN heeft besloten om de brief van de GKN aan DGK d.d. 12 maart 2016 toe te... [More...]

De zekerheid van het geloof vs Westminster studie deputaten BBK DGK

In 2014 hebben deputaten BBK (Betrekkingen Buitenlandse Kerken) opdracht gekregen van De Gereformeerde Kerken (DGK) i.c. van de Generale Synode Hasselt 2010-2011 om grondig studie te verrichten... [More...]

Presbyterianisme en de toegang tot het Heilig Avondmaal versus Westminster meerderheidsrapport BBK DGK

Presbyterianisme en de toegang tot het Heilig Avondmaal versus...

. Ds. Bredenhof - sinds maanden een pastor van de FRCA, Tasmania, Australia - is nog steeds bezig om zich in te werken in de Australische context. Onlangs las hij een autobiografie van J. Graham... [More...]

Ketter!

Ketter!

Dr. Wes Bredenhof, predikant van de Australische Gereformeerde Kerken (Launceston, Tasmania), is meer dan eens voor ketter uitgemaakt! Nee, niet door Rooms Katholieken of Moslims, maar... [More...]

De Westminster is een voluit gereformeerd belijdenisgeschrift - deel 2 (1944-1990)

De Westminster is een voluit gereformeerd belijdenisgeschrift - deel...

Versie -16/11: Toegevoegd: deputatenrapport 1967 beoordeling Westminster Confessie door ds. P. van Gurp en ds. C. Stam. PS: Ik heb wel alle Reformatie jaargangen, maar niet het blad Dienst 1957 nr.... [More...]

De Westminster is een voluit gereformeerd belijdenisgeschrift - deel 1 (1834-1944)

De Westminster is een voluit gereformeerd belijdenisgeschrift - deel...

Professor P. Biesterveld die al op 31 jarige leeftijd hoogleraar werd aan de Theologische School in Kampen (1894) en vanaf 1902 aan de Vrije Universiteit te Amsterdam heeft uitvoerig de... [More...]