Werken aan eenheid

van gereformeerde - 3FvE of WS - kerken en groepen in Nederland e.o.

  • Vergroot lettergrootte
  • Standaard lettergrootte
  • Verklein lettergrootte
Home Artikelen Over en uit de GKV Ds. R. van der Wolf - Het schriftgezag en de wet

Ds. R. van der Wolf - Het schriftgezag en de wet

E-mailadres Afdrukken PDF
Gebruikerswaardering: / 0
LaagsteHoogste 

VADERS WIL IS WET



Meneer de voorzitter, broeders en zusters,


01. inleiding
Het onderwerp van vanavond: “het schriftgezag en de wet”, staat in de belangstelling. Het is een actueel onderwerp. In recent verschenen boeken, in een artikelenreeks van de Gereformeerde Kerkbode van Groningen, Friesland en Drenthe, in het Nederlands Dagblad en tijdschriften van buiten onze kerken, heeft ons onderwerp de afgelopen tijd ruim de aandacht gekregen.
Dat zou verheugend kunnen zijn, wanneer de verschillende besprekingen ons naar het gezag van de wet tóe zouden leiden. Om dankbaar te blijven voor de belijdenis van de kerk, de schat van Christus’ bruid, als het naspreken van Gods Woord ook in onze tijd.
Maar de aandacht voor de wet wordt anderzijds zorgelijk, wanneer in bijdragen de roep wordt gehoord om bijvoorbeeld in de zondagse eredienst de voorlezing van de wet te staken. Of wanneer de conclusie getrokken wordt, dat de wet als norm in de gebrokenheid van ons leven vandaag niet als absolúte norm gesteld kan worden. Dan wordt uit verschillend oogpunt hetzelfde gezegd. Wordt het exclusieve en absolute gezag van de wet ter discussie gesteld. Dan is de géldigheid van Gods Woord vandaag onderwerp van menselijk denken. En wordt Gods Woord naar mensenmaat berekend.
In het spanningsveld van de dankbaarheid en de bezorgdheid, van de troost enerzijds en de waarschuwing anderzijds, zie ik vanavond mijn bijdrage staan. Ik wil u graag iets vertellen over het evangelie van de wet. Ik moet u daarnaast helaas ook het één en ander vertellen over de bezorgdheid die ik heb over de ómgang met dat evangelie. Dat doe ik vanavond onder het thema: Vaders wil is wet.


02. actualiteit
U hebt inmiddels uit de inleidende woorden waarschijnlijk al wel begrepen, dat de discussies over het gezag van de wet vanuit verschillende invalshoeken worden gevoerd. We kunnen bijvoorbeeld niet alleen maar zeggen: het draait steeds weer om hetzelfde thema, namelijk de bekende verhouding tussen wet en evangelie. We kunnen ook niet eenvoudig zeggen: de leer van dominee Visee en de discussies uit de zestiger jaren zijn weer helemaal in geding. Dat is namelijk te kort gezegd en ook te weínig gezegd. Als ik het goed zie, gaat het in het nadenken over het gezag van de wet voor vandaag, over met name drie – laat ik maar zeggen – hoofdvragen:

daar is allereerst de discussie die zich afspeelt in het spanningsveld van de norm enerzijds en de werkelijkheid van ons gebroken bestaan anderzijds. Ik zou haast zeggen, dat daarin met name de pastorale vraag naar het gezag van de wet doorklinkt. Om daarbij een voorbeeld te geven: u hebt ongetwijfeld gevolgd, hoe ds. J.R. Visser te Dronten in het Nederlands Dagblad zijn collega ds. K. van den Geest te Hengelo vragen heeft gesteld over het pastoraat aan homoseksuele broeders en zusters in de kerken. Het antwoord dat dominee Visser gaf, schreef hij onder de titel: “De liefde van Christus en de wil van God”. Ik hoef dat hier niet uit te werken. Kort gezegd cirkelt het gesprek over dat onderwerp rond het pastoraat dat uitgaat van het Woord, maar te maken krijgt met de gebroken en zondige werkelijkheid. Met alle vragen en mogelijke gevolgen van dien. Zoals dat overigens ook meespeelt in de bespreking van het rapport van deputaten Huwelijk & Echtscheiding, te vinden op de website www.gereformeerdblijven.nl. Ik noem dat vanavond dus maar de pastorále lijn.
vervolgens is er het gesprek over de ernst, de diepte van de zonde in vergelijking met de overweldigende genade en kracht van het evangelie. De realiteit van die beide roept spanning op in onze houding tegenover christenen uit bijvoorbeeld de charismatische beweging. Het accent in de besprekingen over dít onderwerp ligt voor wat het gezag van de wet betreft dan vooral op het spanningsveld van het missionaire en het ecclesiologische, de wervingskracht enerzijds en het belijden over de kérk anderzijds. Zo komt het, om weer een voorbeeld te geven, tot een uitspraak als die van ds. Roosenbrand in het Kerkblad van Groningen, Friesland en Drenthe, overgenomen door het Nederlands Dagblad (ik citeer): “Ik maak nogal eens mee dat mensen het nieuwe leven vanuit Christus contrasteren met leven met de wet (aldus ds. Roosenbrand). Dat is vaak gebaseerd op eigen ervaring van mensen die in de vrijgemaakte kerk opgroeiden en die daar zelf de vrijheid van het juk van de wet nooit ontvangen hebben. Vaak is de wekelijkse voorlezing van de Tien Geboden aan het begin van de kerkdienst hier schuldig aan! Wanneer men dan via een evangelische gemeente opnieuw geboren wordt, slaat men in reactie soms door en is het woord gebod alleen al verdacht. (einde citaat)” Ds. Roosenbrand noemt daarom de letterlijke voorlezing van de Tien Geboden “minstens misverstandwekkend” en pleit ervoor die geboden niet elke zondag standaard en onveranderd voor te lezen. Daarmee sluit hij zich overigens aan bij wat ds. Jac. Ophoff in dezelfde artikelenreeks al eerder aangaf. Nogmaals, de motivatie voor deze oproep komt dus op uit het verlangen christenen uit andere kerken en sekten niet af te stoten. Dat daarmee niet alleen ons belijden over de kérk, maar ook het blijvend gezag van de wet gemoeid is, zal duidelijk zijn.
tenslotte, als derde hoofdlijn, is er de theológische doordenking waar ons onderwerp mee te maken heeft. Het gaat dan om – laat ik maar zeggen – het gróte onderwerp van het schriftgezag, waar de wet ook onder valt. Die theologische doordenking richt zich wel op de erfenis van het verleden, maar wil ook verdiepend verder bouwen. Daarmee is ze ook ‘nieuw’ te noemen. Een nieuw stuk op een oude broek hoeft het kledingstuk zelf niet te veranderen om toch een ‘nieuw stuk’ te mogen heten. Daarom spreek ik vanavond over een nieuwe gedachtegang in de theologische doordenking. In het kort komt die nieuwe gedachtegang hier op neer: naast de bijbel, als het exclusieve Woord van God, hebben de kinderen van de HERE ook te maken met de tijd, de cultuur en de omstandigheden waarin ze leven. Ook daarin openbaart zich de HERE aan Zijn volk. God schrijft geschiedenis door de tijden heen. De tijd (en de omstandigheden etc.) waarin wij vandaag zijn opgenomen is een andere dan de tijd van de bijbel, die als Woord van God niet tijdgebónden is. Nu zou je daarom kunnen zeggen: wat toen gold, geldt nu onverkort nog steeds. Maar je zou ook kunnen zeggen: wat toen gold moeten we, vanuit de bedóeling die de HERE toen had, vertalen naar de tijd van vandaag. Dat mag niet individualistisch, maar moet gemeentebreed zijn. Want God vergadert Zijn vólk onderweg, geen losse individuen. Zo komt deze discussie in nog weer een ander spanningsveld te staan, namelijk het spanningsveld van het geopenbaarde-Woord-van-toen en het zich-openbarende-Woord-van-nu. Als voorbeeld noem ik het inmiddels bekend geworden begrip ‘gemeente-ethiek’. Maar niet alleen op het terrein van de ethiek, ook op het terrein van de ambtelijke vakken, tegenwoordig praktische theologie genoemd, hebben we met dit spanningsveld te maken. In het recent verschenen boekje van prof. dr. C.J. de Ruijter, Meewerken met God, geeft professor De Ruijter meer aandacht aan de zogenaamde menswetenschappen dan zijn voorganger professor C. Trimp dat heeft gedaan. Dat doet hij vanwege zijn overtuiging, dat ook de cultuur, de tijd en de omstandigheden bepalend mogen zijn voor de keuzes die christenen vandaag maken en voor de inrichting van de kerk, het nadenken over de ambten en de opbouw van de gemeente. Vanuit de aandacht voor die menswetenschappen concludeert professor De Ruijter ten aanzien van de bijbel, dat er geen sprake is van een ‘absolute norm’. Want de wil van de HERE vindt in elke tijd zijn toepassing. Op de grondslag van Gods Woord richt de gemeente vandaag, levend in haar eigen tijd en omstandigheden, ook bijvoorbeeld haar ámbtelijke taken in van pastoraat, liturgie, woordverkondiging en diaconaat.

Met deze korte analyse wordt des te meer duidelijk, hoe actueel het onderwerp van vanavond is. Tegelijk dreigt ook de valkuil van het allesomvattend willen zijn. U begrijpt wel, dat ik een keuze moet maken uit de hoeveelheid van het aangedragen materiaal. Een enkel onderwerp laat ik zonder meer liggen voor de avond van DV 24 november aanstaande, waarop we stil hopen te staan bij de Persoon en het werk van de Heilige Geest ten aanzien van ons belijden over het schriftgezag. Laat ik u vanavond eenvoudig mee mogen nemen in wat we gezamenlijk mogen belijden over de plaats, de functie en het gezag van de wet. Aan het einde daarvan hoop ik nog een paar algemene opmerkingen te maken over de drie net genoemde hoofdlijnen.


03. De plaats van de wet
Het is zinvol om ons bezig te houden met de plaats die de HERE God de wet in de geschiedenis heeft gegeven. Van de Tien Geboden wordt bijvoorbeeld soms zomaar gezegd, dat deze exclusief bij de geschiedenis van het oude bondsvolk Israël horen. Met de komst van Christus heeft de Horebwet afgedaan. Een gedachte, die in de zestiger jaren door ds. Visee is geuit en hier en daar, meer of minder voorzichtig, weer wordt geopperd. De eerste vraag is dan: is dat zo? Is de wet daar te positioneren? Over welke wet hebben we het dan eigenlijk? Over de Tien Geboden alleen? Of ook over de verdere voorschriften en de schaduwachtige gebruiken, zoals de Heidelbergse Catechismus ze noemt in antwoord 19?

03.1. Verbond
Boven de geschiedenis uit, die de HERE met het volk Israël is gegaan, gaat de geschiedenis van schepping tot wederkomst. Dat is altijd de grote koepel waaronder we als gereformeerde belijders van Gods Woord denken en spreken. Wij spreken van verbóndsgeschiedenis en heílsgeschiedenis, als de geschiedenis die de HERE schrijft. In déze geschiedenis is de wet aan Israël gegeven. Exclusief aan dít volk, in onderscheid van alle ándere volken op aarde. Exclusief dus aan het volk van Gods verbónd. Zo bezingt Psalm 147 vers 19-20 dat: “Hij heeft Jakob zijn woorden bekendgemaakt, Israël zijn inzettingen en verordeningen. Aldus heeft Hij aan geen enkel volk gedaan, en zijn verordeningen kennen zij niet. Halleluja”. Al in het geschenk dus van de wet, openbaart zich de vrijmachtige keuze van God, zijn verkiezend welbehagen (DL I,3). Daarmee verbindt zich de wet niet exclusief aan de geschiedenis van Israël, maar aan de verbondsgeschiedenis die de HERE door de tijden heen met Zijn volk gaat.

paradijs
Die geschiedenis is niet bij het volk Israël begonnen. Die geschiedenis is begonnen in het paradijs, toen de HERE zich aan de mens verbond in belofte en eis. Hij formeerde de mens uit stof. Hij blies die mens de levensadem in de neus. Hij gaf de mens zijn bestemming: leven in dienst van de Schepper (HC Znd. 3, 6). Met als proefgebod die boom in het midden van de hof. Daarvan mocht de mens niet eten en zelfs mocht hij die boom niet aanraken, anders zou hij sterven. Zo staat de cultuuropdracht van Genesis 1 vers 26 staat onder Gods woord van zegen en vloek. Daarom kan Hosea ook zeggen, dat het later Israël als Ádam het verbond heeft overtreden (Hosea 6,7). Er was in het paradijs sprake van een verbond. Er was sprake van de verplichting tot gehoorzaamheid. Er was sprake van een wet. Er was ook sprake van een mens, die in ware gerechtigheid en heiligheid geschapen was om Gods wil te volbrengen. Zo hebben Gereformeerden tegenover Lutheranen en Remonstranten verdedigd, dat Adam , behalve aan het proefgebod, wel terdege ook aan de zedewet gebonden was. Die zedewet was Adam, aldus Bavinck (GD, II, p. 535-6) van nature bekend en behoefde dus niet op bijzondere wijze geopenbaard te worden. Zij is in wezen aan de tien geboden gelijk, maar droeg toch een andere vorm want de wet op de Sinaï gegeven, onderstelt de zonde en spreekt daarom bijna altijd negatief. Als we dit goed in gedachten houden, komt de wet als gave aan Israël in een heel begrijpelijk kader te staan.

Abraham
Ik mag vanavond in deze kring veronderstellen dat u van de zondeval gehoord hebt. En ik noteer alleen samen met u de wonderlijke genade dat het door de mens verbroken verbond voor de HERE het einde niet betekende. God had geen onrecht gedaan, als Hij heel het menselijk geslacht aan zonde en vervloeking had overgelaten en vanwege de zonde had veroordeeld (DL I,1). Maar God opende een nieuw begin. Met Adam al, in Genesis 3 vers 15. Later met Noach, omdat hij genade vond in Gods ogen. En nog weer later met Abraham, die de HERE riep en aan wie de HERE zich verbond zonder Abraham iets verschuldigd te zijn. Ook Abraham mocht delen in de beloofde zegen van lof en leven. God sloot met Abraham zijn verbond, onder de bekende paradijswoorden: Ik zal u tot een God zijn en u zult Mij tot een volk zijn (Genesis 17).

Israël
Uit deze Abraham kwam het volk van de belofte, het volk van het verbond. En als de HERE met dit volk als geheel opnieuw het verbond bevestigt, dan geeft Hij de wet. Het wetboek, zoals we dat vinden vanaf Exodus 20 tot en met Exodus 23 (vgl. Ex. 24: 3-4). Zo laat de HERE midden in de woestijn, in het dorre en onvruchtbare land, zien wat het leven met Hem inhoudt. Dan bloeit daar bij de Horeb weer iets van de paradijsvreugde die er was. En ziet de verbondsvernieuwing bij de Sinaï ook vooruit naar de paradijsvreugde die kómt. Want God baant zich een weg door de geschiedenis heen naar de volmaking van alles. Zó is Israël volk van de belofte. Het volk, dat het leven met God toegezegd krijgt en daarin delen mag. Volk van de belofte dus aan Abraham, Izaäk en Jakob. Zo komen we dat in de Gereformeerde Dogmatiek ook tegen. Ik geef u graag een citaat uit de ‘Beknopte Gereformeerde Dogmatiek van Velema / van Genderen (p. 500-03): “We kunnen met Bavinck zeggen dat het verbond met de vaderen de grondslag en de kern van het Sinaïtisch verbond is (Bavinck, GD, I, 201). De trouw van God jegens de vaderen wordt als motief genoemd (Deut. 7: 8). Evenals Abraham geroepen wordt om te wandelen voor Gods aangezicht wanneer Hij zich aan hem verbindt (Gen. 17: 1), staat de wet die aan Israël gegeven wordt in dienst van het verbond als explicatie van het woord: Wandel voor mijn aangezicht en wees oprecht.”

Profeten
Op de grondslag van de wet staan ook de profeten. Zij knopen met het volk aan dezelfde openbaring, aan dezelfde historie vast (Bavinck, GD, I, p. 358-66). En zij profeteren de vervúlling van die geschiedenis. Met het oog op de wet zegt Jeremia, hoofdstuk 31 vers 33: “Maar dit is het verbond, dat Ik met het huis van Israël sluiten zal na deze dagen, luidt het woord des HEREN: Ik zal mijn wet in hun binnenste leggen en die in hun hart schrijven, Ik zal hun tot een God zijn en zij zullen Mij tot een volk zijn.” (vgl. Hebr. 8: 8-12). Als de HERE belooft in de toekomst zijn Geest uit te storten, dan heeft dat als doel dat de kinderen Israëls  in zijn inzettingen zullen wandelen en zijn rechten zullen bewaren en doen, zegt Ezechiël 37: 27. Zo vraagt de dichter van Psalm 119 dat ook in vers 5: “Och, dat mijn wegen vast waren om uw inzettingen te onderhouden”. Inmiddels bekende woorden, voor wie de verbondsgeschiedenis kent. Door heel de geschiedenis van Israël heen vragen mensen telkens weer om een leven dat zich van harte richt op het doen van Gods wil. Een leven, dat de wet niet bréngt. Een leven, waar de wet wel bij hoort. Een leven in het verbond met de HERE.

Jezus Christus
Dat geestelijke karakter van de wet komt de Here Jezus Christus ons leren. Christus stelt niemand minder dan God zelf als voorbeeld (Matt. 5: 48) en beoordeelt alles naar de wet van de HERE (vgl. Matt. 19: 17-19; Luk. 18: 18-20). We hebben daarom ook te maken met een valse tegenstelling wanneer er wordt beweerd, dat de wet bij Christus ophoudt te bestaan. Als ds. H. Knigge te Buitenpost zegt, dat de Horebwet heeft afgedaan, dan beoordeelt hij niet alleen de komst en het werk van de Here Jezus verkeerd, maar plaatst hij ook de wet in een verkeerd kader. Die twee, Christus en de wet, horen bij elkaar. We moeten die beide niet tegen elkaar uitspelen, maar in Christus de volkomen vervulling van de wet zien. Nooit staan de Here Jezus Christus zelf of zijn discipelen later kritisch tegenover de inhoud van het Oude Testament, maar zij aanvaarden die helemaal en zonder voorbehoud. Christus handhaaft de wet ten volle, zonder er iets af te doen. Zo lezen we Matt. 5: 17-19 dan ook: “Meent niet, dat ik gekomen ben om de wet of de profeten te ontbinden; Ik ben niet gekomen om te ontbinden, maar om te vervullen. Want voorwaar Ik zeg u: Eer de hemel en de aarde vergaat, zal er niet één jota of één tittel vergaan van de wet, eer alles zal zijn geschied. Wie dan één van de kleinste dezer geboden ontbindt en de mensen zo leert, zal zeer klein heten in het Koninkrijk der hemelen; doch wie ze doet en leert, die zal groot heten in het Koninkrijk der hemelen.” En dan bindt Christus vervolgens de strijd aan met de Farizeïstische wijze van wetlezing en omgang met de geboden. Daarin is Hij uniek. Nog nooit had iemand zo de diepte en scherpte van de wet laten zien. Na Hem zou er ook nooit meer iemand komen als Hij. Ik ga op de uitleg van Matt. 5: 17 nu niet uitgebreid in. Laat ik u er alleen nog op mogen wijzen, dat ook dit wetsonderricht uit Mattheüs 5 begínt met de beloften, de zogenaamde zaligsprekingen.  Ná de genade verkondigd te hebben, leert Christus dat in het leven van de kinderen van het Koninkrijk het verlangen en de ijver zichtbaar worden om uit dankbaarheid niet maar naar sommige, maar naar alle geboden van God te leven (HC, Znd. 44, 114).

apostelen
We volgen de lijn verder. Niet alleen in de evangeliën, maar in heel het Nieuwe Testament  blijft de wet van God voor het leven van de christenen haar normatieve kracht behouden. Met andere woorden: de wet blijft wét (Geelhoed, A., De wet niet verzetten, p. 73-4). Ik wijs u op een paar teksten, die aangevuld zouden kunnen worden met andere:

1 Johannes 5: 2-3: Hieraan onderkennen wij dat wij de kinderen Gods liefhebben, wanneer wij God liefhebben en zijn geboden doen. Want dit is de liefde Gods, dat wij zijn geboden bewaren.
Romeinen 7: 22: Want naar de inwendige mens verlustig ik mij in de wet Gods (daar is sprake van de verinnerlijking, zoals ook Jeremia 31 daarvan spreekt!)
Romeinen 7: 26: Derhalve ben ik met mijn verstand dienstbaar aan de wet van God.
1 Corinthiërs 9: 21: hoewel niet zonder de wet van God, want ik sta onder de wet van Christus.
1 Timotheüs 1: 8: Wij weten, dat de wet goed is, indien iemand haar wettig toepast.

Na Pinksteren vernieuwt de Heilige Geest de gelovigen, zodat zij er verlangen naar Gods wet hebben en zich in het doen daarvan ook verheugen. Ook de wet is Gods wil (Rom. 2: 18.20), heilig en wijs en goed (Rom. 7: 12. 14). De wet geeft geestelijk het leven aan wie haar onderhoudt (Rom. 2: 13; 3: 12).

Openbaring
Zo loopt, dat zal u duidelijk zijn, de verbondsgeschiedenis tenslotte op de volmaaktheid, die in met name het boek Openbaring wordt voorzegd. Daar is het Jeruzalem, dat al het ónreine en afgodische, alle ongehoorzaamheid en wetteloosheid buiten sluit. Waar het geboomte des levens staat, twaalfmaal vrucht dragende. Waar de dienstknechten staan die God verheerlijken naar Zijn wil. Daar is het leven, door God gegeven, hersteld en volmaakt. Niemand die gruwel en leugen doet mag daar binnenkomen. Daar wordt de wet naar Vaders wil volmaakt gehouden. Zo vindt Psalm 147 zijn vervulling. Want aan Israël zijn Gods verordeningen bekendgemaakt. In het nieuwe Jeruzalem zijn die verordeningen het leven en de lof van Gods kinderen.


03.2. Conclusie
Ik ben met u in vogelvlucht de geschiedenis langs gegaan. Het doel was om aan te tonen, dat de wet wel aan Israël geopenbaard is, maar dan exclusief, in het onderscheid met de andere volken. En vooral: die wet is Israël gegeven op grond van Gods belofte en trouw dat er leven mag zijn met de HERE. Adam had die wet. Israël had die wet. Christus vervulde die wet. De apostelen wezen op de gehoorzaamheid aan die wet. Zo heeft de wet haar grond en ontstaan in het verbónd, dat de HERE, Schepper van hemel en aarde, met Zijn volk is aangegaan. De wet maakt deel uit van de heilsgeschiedenis, die niet bij Horeb begint en ook niet bij Bethlehem eindigt. Gelet op Romeinen 8: 4: “opdat de eis der wet vervuld zou worden in ons, die niet naar het vlees wandelen, maar naar de Geest”, is het niet vol te houden dat Paulus in Romeinen 10: 4: “Want Christus is het einde der wet” zou bedoelen, dat de wet voor de gelovigen afgedaan heeft. Het is geen tegenstrijdigheid te leren, dat de wet haar vervulling heeft gevonden in Christus en dat zij in het leven van de gelovigen vervuld wórdt door de Heilige Geest (Velema/v.Genderen, Beknopte Gereformeerde Dogmatiek, p. 699-704). Integendeel, juist de plaats van de wet in het leven met de HERE maakt, dat wie de wet bij Christus kwijtraakt, daarmee de Christus zelf uit het oog verliest. Hij kwam om te vervullen, zoals de Heilige Geest kwam om vol te maken het plan en werk van God Drie-enig. Wij spreken in dezen over gróte dingen. Want niet een ieder die zegt: Here, Here, maar die doet de wil van de Vader die in de hemelen is, die zal het Koninkrijk binnengaan (Matt. 7: 21).



04. De functie van de wet
Ik heb uw aandacht met nadruk gevraagd voor de plaats van de wet als een plaats binnen het verbondsleven met de HERE. Die aandacht vraag ik opnieuw, maar dan niet voor de plaats, maar voor de fúnctie van de wet. Eigenlijk geldt hier hetzelfde. Als we de functie van de wet exclusief reserveren als de wet voor het volk Israël krijgen we een ander beeld, dan wanneer we de wet in het grote kader zien van het handelen van de HERE door heel de geschiedenis heen. Zó bezien, heeft de wet naar gereformeerde overtuiging drie functies:

allereerst kent de wet een zogenaamd ‘burgerlijk gebruik’ (usus politicus, usus civilis). Daarmee bedoelen we, dat de wet gegeven is om zonden te beteugelen.
vervolgens heeft de wet ook de functie van ‘pedagoog’ (usus paedagogicus, usus elenchticus). Deze functie wil zeggen, dat de wet er ook is om van zonden te overtuigen.
ten derde is de wet gegeven als ‘norm’, als richtsnoer voor het leven van de gelovigen (usus normativus, usus didacticus).

04.1. belijdenisgeschriften
Zo vinden we het gebruik van de wet ook terug in de belijdenisgeschriften. Ik neem u langs een paar plaatsen mee om te laten zien, dat de wet in de belijdenis van de Gereformeerde Kerken bepaald niet heeft afgedaan.

Nederlandse GeloofsBelijdenis
We beginnen bij artikel 25 NGB, waar Christus de vervulling van de wet wordt genoemd. In de eerste alinea wordt beleden, dat de schaduwachtige eredienst uit het Oude Testament met de komst van Christus heeft afgedaan. Het visuele onderricht van het Oude Testament vindt haar vervulling in de Leraar zelf. De twééde alinea laat zien, dat daarmee de wet niet is afgeschreven: “Wel maken wij nog gebruik van de getuigenissen uit de Wet en de Profeten, om ons in het Evangelie te bevestigen en ook om overeenkomstig Gods wil ons leven in alle eerbaarheid in te richten tot zijn eer.” Het gaat hier om de nieuwe gehoorzaamheid, waartoe wij volgens het doopformulier ‘geroepen en verplicht’ zijn. Er blijft wel degelijk sprake van verplíchting, ook in de navolging van Christus.

Heidelbergse Catechismus
Uit de Heideberger zouden we veel kunnen noemen. Laat ik het laten bij twee aanwijzingen. Allereerst Zondag 32, antw. 86. Op de vraag waarom wij nog goede werken moeten doen, zegt de belijdenis: “opdat wij met ons hele leven tonen, dat wij God dankbaar zijn voor zijn weldaden en opdat Hij door ons geprezen wordt.” In Zondag 33 wordt duidelijk gemaakt wat die goede werken zijn: “Alleen die uit waar geloof, naar de wet van God en tot zijn eer gedaan worden.” Het dankbare leven laat zich gewillig leiden door de wil van de HERE, die Hij in zijn wet geopenbaard heeft.
En vervolgens Zondag 44, antw. 115, waar gevraagd wordt waarom de HERE de wet zo scherp laat prediken als toch niemand ze in dit leven volbrengen kan? Daar vinden we de drievoudige functie van de wet helemaal terug: om van zonden te overtuigen, de zonden te beteugelen en ons leven naar de norm van de HERE God te richten.

Dordtse Leerregels
Een op dit punt wat minder geciteerd belijdenisgeschrift is de Dordtse Leerregels. Maar ook daar wordt indringend over de nieuwe gehoorzaamheid gesproken in het hoofdstukken van de bekering en de volharding. In hoofdstuk III/IV, art. 16 belijden we, dat de goddelijke genade van de wedergeboorte de wil geestelijk levend maakt, geneest, herstelt en hem liefdevol en tegelijk krachtig buigt. “Waar eerst de hardnekkige tegenstand van het vlees de mens helemaal beheerste, begint nu door de Geest een gewillige en oprechte gehoorzaamheid de overhand te krijgen.” Die gehoorzaamheid is zelfs aan te merken als zekerheid van het geloof, zegt hoofdstuk V, artikel 10. Waar gelovigen zich met heilige ernst toeleggen op een goed geweten en goede werken, mogen zij de werking van de Heilige Geest in hun hart herkennen en érkennen. Niet om hoogmoedig te worden. Maar, zegt artikel 12 van hetzelfde hoofdstuk V, als “een aansporing zich ernstig en voortdurend te oefenen in dankbaarheid en goede werken”.

Als voorgangers in onze kerken vandaag de inzet op het derde deel van de Heidelbergse Catechismus kritiseren, omdat deze de zogenaamde ‘régel der dankbaarheid’ teveel zou benadrukken, komen ze niet alleen met de inzét, maar ook met de inhóud van de belijdenis in conflict. En dan niet alleen wat de Heidelbergse Catechismus betreft, maar met héél de belijdenis, zo blijkt uit onze korte rondgang binnen de Drie Formulieren van Eenheid. Als wij onze dankbaarheid tonen voor alles wat de HERE ons uit genade geschonken heeft en geven wil, vindt dat zijn concrete vorm in een beginnen te leven naar alle geboden van God. Zo blijft dus de wet regel der dankbaarheid.

04.2. Galaten 3
En Galaten 3 dan? U hebt waarschijnlijk wel een beetje zitten wachten op de uitleg van dit Schriftgedeelte, dat vaak geciteerd wordt in artikelen over de geldigheid van de wet. Zegt Paulus zelf niet, dat de wet na 430 jaar bij de belofte aan Abraham is gekomen (3, 17)? Dat de wet tot de komst van de Here Jezus Christus het volk Israël onder verzekerde bewaring heeft gehouden (3, 23), maar dat wij die geloven niet meer onder de ‘tuchtmeester’ zijn (3,25)? Inderdaad, dat staat er allemaal. Maar het citeren van een paar teksten kan verwarring wekken. Het derde hoofdstuk uit de brief aan de Galaten staat in de context van de héle brief. En bovendien is het woord ‘tuchtmeester’ in vers 24 en vers 25 belangrijk. Laat ik u, vanuit de brief zelf en dat woord ‘tuchtmeester’ in het kort nog iets mogen vertellen over wat de apostel Paulus hier bedoelt.

De brief aan de Galaten
De toon van Paulus is vanaf het begin van de brief tamelijk fel. Hij heeft het over dwaze, domme Kelten, die zich hebben laten betoveren door dwaalleraars. Waaruit die betovering bestaat, is niet zo moeilijk uit de brief op te maken. De Galaten hebben zich laten vertellen, dat het geloof in de Here Jezus niet voldoende is, om kind van God te kunnen zijn. Zij moeten zich ook laten besnijden en moeten zich onderwerpen aan de joodse reinigingswetten. Alleen dan, zo heet het, zijn ze kinderen van Abraham en erfgenamen van het leven met de HERE.
Daar gaat Paulus met kracht tegenin. Niet de werken der wet, maar Jezus Christus en die gekruisigd is de rechtvaardiging voor God. Dat geldt voor de Jood evengoed als de Griek en de Galaten. Dat komt uit in het gedeelte, dat net voor de lezing van vanavond ligt, Galaten 3 vers 9: “Zij, die uit het geloof zijn, worden dus gezegend tezamen met de gelovige Abraham”. Paulus trekt de lijn van de Schrift, zoals we die vanavond hebben mogen ontdekken bij de plááts van de wet. Vers 14 uit hoofdstuk 3 sluit af met: “Zo is de zegen van Abraham tot de heidenen gekomen in Jezus Christus, opdat wij de belofte des Geestes ontvangen zouden door het geloof.” Voor de tent van Abraham, bij het kruis van Christus en in de kracht van de Heilige Geest vervult God de moederbelofte: er is leven, voor wie in de Zoon gelooft.

Galaten 3: 24-25
Maar waartoe dient dan de wet? De wet, zoals die joodse, u mag ook zeggen judaïstische dwaalleraars, haar verplicht stellen? De wet in heel haar omvang, dat wil zeggen: de tien geboden en al die gebruiken die hun schaduw vooruit wierpen op Christus? Die wet is er 430 jaar na Abraham bijgekomen, toen de HERE zijn boek der wet op de berg Sinaï aan Mozes gaf. Maar niet als een extra voorwaarde bij de belófte. Want dan zou de belófte aan Abraham veranderd zijn. Nee, die wet kwam erbij als ‘tuchtmeester’, letterlijk: als pedagoog. En dan moet u zich bij die pedagoog geen leraar voorstellen, maar een lijfwacht. Een slaaf, die in die dagen de kinderen bewaakte om te voorkomen dat ze zich anders zouden gaan gedragen dan dat ze thuis geleerd werd. Een soort van ‘big brother is watching you’ met de macht om de kinderen eventueel hardhandig op het goede spoor te houden.
Zo kwam die wet erbij. De wet, die Adam in ware gerechtigheid en heiligheid hield. De wet van het leven naar Gods wil. Die wet werd Israël in de hand gegeven. Om het volk dus op het spoor van de belofte te houden; op het spoor van het leven met God, de weg van het verbond. Zo begeleidde de wet het volk tot de komst van Christus. Toen was de pedagoog-slaaf niet meer nodig, omdat de Leraar zelf verscheen. Hij vervulde de belofte (HC, Znd. 6, 19) en leefde het leven met de HERE volmaakt voor. Er is geen tegenstelling tussen Christus en de wet. Christus vervúlde de wet en in Hem krijgt de wet haar verdieping en uitwerking. Je mag ook zeggen: van de wet in de hánd (Israël) ging het naar de wet in het hárt (Pinksteren). Zó lezen we Filippenzen 1: 9 ook, als Paulus voor de gemeente bidt om inzicht en fijngevoeligheid, om te onderscheiden waarop het aankomt. Wie trouwens Galaten 5 leest en op zich in laat werken, begrijpt ook bij zo’n gedeelte wel dat de wet zelf, als de openbaring van Gods wil, niet heeft afgedaan. De wet is nog altijd uítdrukking van Gods wil. Ze drijft ons naar Christus, bij Wie de aanklacht van de wet het evangelie van het kruis wordt. Voor alle ongehoorzaamheid aan Gods wil is volkomen betaald!

04.3. Het gezag van de wet
Gods wet blijft wet, ook in het Nieuwe Testament. De vlóek van de wet is weggenomen door het offer van onze Here Jezus Christus, die voor ons tot vloek is geworden (Gal. 3: 13). Want het heil, dat God aan Abraham beloofde, kon de wet niet brengen. Integendeel, de wet drijft mensen van zich weg, richting de Verlosser, Jezus Christus. Maar als de overtréding van de regel verzoend is, geldt dan de régel niet meer? Dat is naar menselijke maat al onvoorstelbaar. Dat is ook bij de HERE niet zo. God blijft werken aan het herstel van héél Zijn schepping. Het gezag van de wet blijft staan, omdat God zichzelf niet kan verloochenen en van Zijn wil geen jota en geen tittel afdoet. Het blijft daarom naar mijn overtuiging nodig en goed, de wet aan de nieuwtestamentische gemeente elke week weer voor te houden. Want wij zijn het volk van Vader, onderweg naar zijn Koninkrijk. Het volk, onderweg naar de volmaaktheid en het volmaakt leven naar de wil van God.
Het merkwaardige is ook, dat wie doorrekent vanuit het verbond, met de blijvende geldigheid van de wet als absolute norm geen moeite heeft. Het komt, al lezend, niet verkeerd uit, om zo te zeggen. Ook voor vandaag niet. De moeiten ontstaan pas, wanneer we de wet in ons eigen leven als leefregel aanvaarden en willen gehoorzamen. Want dan krijgen we te maken met onze zondige natuur, met de gebrokenheid van het leven, met de cultuur, de tijd en de omstandigheden. Wanneer we vervolgens dan dáár ons uitgangspunt zoeken, komen we in botsing met de wet, die van geen millimeter wijken wil weten. Die niet toegeeft aan verzachtende omstandigheden. Die de ernst van de wil van de HERE blijft hooghouden. Zo leidt ons onderwerp uiteindelijk weer terug naar het gezag van de Schriften zelf. Met de belijdenis van de geldigheid en het gezag van de wet is het gezag van héél de Schrift gemoeid, als het Woord van God over en voor ons leven als kinderen van de HERE.  En dan geven we ook vanavond eenvoudig met de belijdenis van de kerk antwoord: “wij ontvangen al deze boeken – ook dus de wet – en deze alleen, als heilig en canoniek, om ons geloof daarnaar te richten, daarop te gronden en daarmee te bevestigen. En zonder in enig opzicht te twijfelen geloven wij alles wat zij bevatten” (NGB, art. 5).


05. afsluiting
Ik ben begonnen u op de actualiteit van het onderwerp te wijzen. Ik heb u een drietal lijnen geschetst die naar mijn overtuiging het denken over de wet beheersen. Zonder iets af te willen doen aan de pastorale insteek, de missionaire bewogenheid, de roep en plicht om kerkelijke eenheid en het blijvend reformeren ook van de Gereformeerde theologie blijf ik zeggen, dat het Woord – en dus ook de wet – van God boven al ons denken en handelen moet blijven staan. Met bezorgdheid volg ik daarom de discussies, de artikelen en het theologisch kader waarin vandaag de dag voorgangers hun gedachten uiten. Natuurlijk leeft een christen vandaag in de werkelijkheid van vandaag. En daar mogen we in de verschillende disciplines ook over nadenken. Maar als de genoemde uitgangspunten van pastoraat, missionair élan en theologie er blijk van geven dat zij niet ónder, maar alleen náást en zelfs bóven het Woord en de wet van de HERE hun uitwerking kunnen krijgen, dan zijn ze niet meer dienstbaar aan het werk, het plan en de wil van de HERE onze God. Ons kijken begint bij luisteren naar wat de HERE zegt. Dat geldt altijd en overal. Met welke pastorale problemen, welke kerkelijke barrières en frustraties, welke theologische moeiten we in de praktijk van ons door de zonde gebroken leven ook te maken krijgen. Dat geldt altijd en overal. Want Vaders wil is wet.

Ik dank u wel.



27 oktober 2005
R. van der Wolf te Urk


Laatst aangepast op maandag 27 juli 2015 19:06  

Nieuws

Boekaankondiging Gelukkig geen mythe - ds. Rob Visser

Boekaankondiging Gelukkig geen mythe - ds. Rob Visser

Als alles goed is zal half september het boek over Genesis 1-11 beschikbaar zijn. De titel is; Gelukkig geen mythe. In dit boek wordt Genesis 1-11 vers voor vers besproken. Deze hoofdstukken zijn... [More...]

Ds. E. Heres - Lucy of Adam

Een andere 'hermeneutische lens' De aanvallen op het scheppingsgeloof dat gebaseerd is op het geopenbaarde Woord van God worden steeds heftiger.  Het boek dat in deze maanden veel aandacht krijgt... [More...]

De ICRC schorst de GKv als lid

De ICRC schorst de GKv als lid

De ICRC (International Conference of Reformed Churches) te Jordan (Ontaria, Canada) heeft vandaag, 17 juli 2017, besloten om de GKv (Gereformeerde kerken vrijgemaakt) als lid te schorsen... [More...]

Di. Alko Driest, Jan Haveman, Pieter Schelling en Aryjan Hendriks...

UPDATE 20-07-2017 Emeritus ds. Alko Driest en ds. Jan Haveman mailden op 13 juli een brief naar alle kerkenraden in Noord-Nederland met de vraag om in ieder geval tot de eerstkomende Generale... [More...]

Referaat ds. H.G. Gunnink d.d. 12 juli 2017

Voorlichting, bijeenkomst Bedum (Maranathakerk, Grotestraat) De bijgevoegde presentatie is zakelijk van opzet. Daarom is het belangrijk om geen moment te vergeten, dat het gaat over voluit... [More...]

Boekbespreking 'HIJ en wij' - van ds. E. Hoogendoorn

In Weerklank - een gereformeerd maandblad uit de GKN - jaargang 5 nr. 3 schreef ds. E. Hoogendoorn onderstaande boekbespreking van 'HIJ en wij' met de ondertitel ‘Oriëntatie in de actuele situatie... [More...]

Onze ervaring tot hermeneutische sleutels geworden - boekbesprekingen...

Update 14/12: Dr. Hans Burger mailde mij dat in onderstaand artikel de weergave van zijn positie zoals hij die in Cruciaal verwoordt, onjuist is. Ik kom daar nog op terug. CGK Prof.dr. H.J.... [More...]

Enquete

Predikanten, ouderlingen en diakenen zijn in belijdende gereformeerde kerken gebonden aan
 

Nieuwsbrief

Naam:

E-mail:

Gereformeerd?

Grondlijnen in de liturgie (Ds.dr. R.D. Anderson)

Op zijn weblog anderson.modelcrafts.eu vonden we een artikel (laatste wijziging 12 september 2012) van ds. Andersen (FRCA) over de grondlijnen van de liturgie. Enkele citaten: Als inleiding wil ik... [More...]

De GKN zetten het gesprek voort met DGK over functioneren fundament...

De GKN hebben op de Generale Synode d.d. 18 maart 2017 besloten om het oriënterende gesprek met DGK voort te zetten. Nu samen met afgevaardigden van DGK op 17 februari jl. is vastgesteld dat alleen... [More...]

Blijdschap over positief gesprek DGK en GKN 17 februari

Positief gesprek geeft openingen!Op 17 februari 2017 hebben afgevaardigden van DGK (De Gereformeerde Kerken) en GKN (Gereformeerde Kerken Nederland) de tot nu toe gevoerde briefwisseling besproken en... [More...]

Betekenis van het besluit van de GKN over het spreken met de DGK -...

Ik wil graag reageren op wat broeder Trip over dit besluit heeft geschreven. Om zo onnodige obstakels en misverstanden die een eigen leven gaan leiden weg te nemen.   Ook om te laten zien dat de... [More...]

GKN willen uitgestoken hand DGK opnieuw onderzoeken

Een zeer teleurstellend bericht bereikte ons zaterdagavond via de nieuwsbrief van eeninwaarheid.info. De Synode van de GKN heeft besloten om de brief van de GKN aan DGK d.d. 12 maart 2016 toe te... [More...]

De zekerheid van het geloof vs Westminster studie deputaten BBK DGK

In 2014 hebben deputaten BBK (Betrekkingen Buitenlandse Kerken) opdracht gekregen van De Gereformeerde Kerken (DGK) i.c. van de Generale Synode Hasselt 2010-2011 om grondig studie te verrichten... [More...]

Presbyterianisme en de toegang tot het Heilig Avondmaal versus Westminster meerderheidsrapport BBK DGK

Presbyterianisme en de toegang tot het Heilig Avondmaal versus...

. Ds. Bredenhof - sinds maanden een pastor van de FRCA, Tasmania, Australia - is nog steeds bezig om zich in te werken in de Australische context. Onlangs las hij een autobiografie van J. Graham... [More...]

Ketter!

Ketter!

Dr. Wes Bredenhof, predikant van de Australische Gereformeerde Kerken (Launceston, Tasmania), is meer dan eens voor ketter uitgemaakt! Nee, niet door Rooms Katholieken of Moslims, maar... [More...]

De Westminster is een voluit gereformeerd belijdenisgeschrift - deel 2 (1944-1990)

De Westminster is een voluit gereformeerd belijdenisgeschrift - deel...

Versie -16/11: Toegevoegd: deputatenrapport 1967 beoordeling Westminster Confessie door ds. P. van Gurp en ds. C. Stam. PS: Ik heb wel alle Reformatie jaargangen, maar niet het blad Dienst 1957 nr.... [More...]

De Westminster is een voluit gereformeerd belijdenisgeschrift - deel 1 (1834-1944)

De Westminster is een voluit gereformeerd belijdenisgeschrift - deel...

Professor P. Biesterveld die al op 31 jarige leeftijd hoogleraar werd aan de Theologische School in Kampen (1894) en vanaf 1902 aan de Vrije Universiteit te Amsterdam heeft uitvoerig de... [More...]