Werken aan eenheid

van gereformeerde - 3FvE of WS - kerken en groepen in Nederland e.o.

  • Vergroot lettergrootte
  • Standaard lettergrootte
  • Verklein lettergrootte
Home Artikelen Over en uit de GKV Dr. J.W.G. Meissner - Schriftgezag en postmodernisme

Dr. J.W.G. Meissner - Schriftgezag en postmodernisme

E-mailadres Afdrukken PDF
Gebruikerswaardering: / 1
LaagsteHoogste 

Schriftgezag en postmodernisme

Over postmodernisme en verwarring in de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt.

Dr. J.W.G. Meissner


1. Inleiding

Deze brochure gaat over de bijdrage van postmo­dernisme aan verwarring in de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt, met speciale aandacht voor het thema Schriftgezag.

Op de welbekende website www.eeninwaarheid.nl komt het trefwoord postmodern in ten minste 10 artikelen voor. Het trefwoord postmodernisme staat in minimaal 4 arti­kelen.

Ook in de voordrachten op de landelijke dag van verontrusting en bemoediging op 23 september jl. komen de termen postmodernisme of postmodern uitdrukkelijk voor.

Begin jaren negentig van de vorige eeuw was er in de Gereformeerde Kerken vrijge­maakt weinig tot geen aandacht voor postmodernisme.

Een toenmalige cursus over gereformeerde theologie in heden, verleden en toe­komst besteedde geen aandacht aan postmodernisme. Benadering met de vraag om dat alsnog te doen, leverde op een zaterdagochtend een telefoontje op van wijlen drs. G.J. van Middelkoop. Hij zei: Hans (want zo heet ik), waar heb je het over?! De vraag was ingegeven door een boek van Hendrik Hart over de rol van de Bijbel in de postmoderne tijd.

In januari 1993 behandelde ik voor de bijbelstudievereniging in Houten het onder­werp ‘postmoder­nisme en de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt’. De vraag was wat postmodernisme voor deze ker­ken zou betekenen omdat juist inrichting van deze kerken en inkleding van het geloofsleven van christenen daar gekleurd waren door tegendruk tegen modernisme. Bij uitstek vrijgemaakt gerefor­meerden brachten in een modernistische cultuur hun cultuuropdracht op een zogenaamde antitheti­sche wijze in praktijk. Zij deden dat op een – ook voor buitenstaanders – bewonderenswaardige wijze, waarbij het soms de schijn had dat ze zelf modernisten waren. Vrijgemaakten zouden maar met hun hoofd en niet ook met hun hart geloven.
Gereformeerd Vrijgemaakten wensten echter naar de Bijbel alle domeinen van het leven te betreden, omdat alle domeinen van Christus zijn, echter in het volle besef dat daar geestelijke strijd gevoerd moest worden. Wat zou het postmodernisme voor de vrijgemaakten gaan betekenen als tegendruk tegen het modernisme zinloos zou worden. Zou het voor hen niet lastiger zijn om tegendruk tegen postmodernisme te geven. Hoe zou een denkbare implosie of explosie, of misschien wel verdamping, voorkomen kunnen worden? Zou het kerkelijke goud oplossen in het koningswater van het postmodernisme?

Beroering in de GKv – of althans ND-kolommen – over postmodernisme ontstond in 2002 rond een ND-artikel van een vrij­gemaakte dominee onder het pseudoniem Henk Jasperse, waaruit bleek dat hij  wel heel diep in het glaasje van het postmoder­nisme gekeken had. Niet weinigen voelden zich geroepen om hem in zijn twijfelmoedigheid geestelijk bij te staan.

Deze brochure is als volgt ingedeeld.
Eerst geef ik een korte kenschets van het postmodernisme.
Vervolgens ga ik wat langer in op het modernisme waarvan postmodernisme immers een opvolger wenst te zijn.
In het derde deel staat de christelijke, orthodox gereformeerde werkelijkheidsopvat­ting centraal die u eigenlijk al gehoord hebt in de bijbellezing uit Kolossenzen aan het begin van deze avond.
Tot slot spitst dit referaat zich toe op het bijzondere thema van vanavond over post­modernisme en verwarring in de gereformeerde kerken vrijgemaakt met speciale aandacht voor het onderwerp Schriftgezag.


2. Korte kenschets van het postmodernisme

Het postmodernisme is een filosofie waarin je leven opvat als overleven uit kracht van eigen ver­beelding binnen een eigen werkelijkheid die je met behulp van tekens en taal en al hun eigenschappen construeert. Uitgangspunt is afschrijving van de werkelijkheid, waarmee tevens werkelijkheidsweer­gave voor onmogelijk gehouden wordt, ook met de tekens en de taal waarmee je jouw eigen werke­lijkheid neerzet.

Karakteristieken zijn dus:

overleving binnen een zelf met verbeeldingskracht geconstrueerde werkelijk­heid
gevoeligheid voor eigenschappen – je kunt ook zeggen: werking – van tekens en taal,
en de onmogelijkheid van werke­lijkheidsweergave (ook niet door tekens of taal) omdat de werkelijkheid niet bestaat.

Mogelijk duizelt het u, maar laat ik voor beter begrip en nadere toelichting over­stappen naar een bredere typering van het modernisme waarvan het postmoder­nisme immers een opvolger wil zijn.


3. Bredere typering van het modernisme

Het modernisme gaat van start met het boekje ‘Discours de la Methode’ van de Franse filo­soof Rene Descartes. In de Nederlandse vertaling heet dit boekje ‘Over de methode’. Het is in 1637, bijna 370 jaar geleden, in Leiden uitgegeven. Het gaat over de me­thode om tot ware kennis te komen.

Descartes liep op tegen een probleem. Als mensen met elkaar over kennis spraken, dan brak altijd ruzie uit. Hij vroeg zich af of er niet een methode bestond om ware kennis te vormen, zodat er meer rust rond kennisvorming zou komen. Daarbij had hij nadrukkelijk ook geleerden op het oog, want ook zij sloegen elkaar bijkans de schedel in als zij bij elkaar aan tafel zaten.

Velen kennen het resultaat van zijn gepieker omdat dat is samengevat in de spreuk: cogito ergo sum, ik denk dus ik ben. Op de deur van een filosoof aan de Vrije Univer­siteit hing wel eens een briefje: ik denk, dus ik ben er even niet.

Het is minder bekend dat de methode zelf berust op de waarneming dat vrijwel alle men­sen hetzelfde getal noemen als ze een reeks van getallen te horen krijgen.
Als iemand zegt: 1, 2, 3, 4, dan roepen vrijwel alle mensen: 5 ! Als iemand zegt: 2, 4, 6, 8, dan roepen zij: 10 !
Die 5 en die 10 zijn er kennelijk, zo zou Descartes opmerken, dankzij hun vooraf­gaande reeks, en daarmee zijn ze dan ook afdoende verklaard.
Dit gegeven paste hij vervolgens toe op alle dingen. Een ding is er krachtens zijn voorafgaande reeks. Kennis van een ding valt samen met de voorafgaande reeks van dat ding. Vormen van kennis over een ding is vaststelling naar de voorafgaande reeks van het ding.
Zo ontstond het belangrijkste kenmerk van het modernisme: iets is er werkelijk, als het wetenschap­pelijk bewezen is, dat het er werkelijk is.
Wetenschappelijke bewijsvoering voltrok zich om zo te zeggen rond dat zoeken naar en vinden van de voorafgaande reeks van dingen.
De methode van Descartes was een frisse opzet voor die zoektocht.

De eerste die de desastreuze gevolgen van deze methode voor de godsdienst zag, was Descartes zelf. Bekend is dat hij met zijn eigen methode in gewetensnood kwam. Ga maar na. Als de christen over dingen spreekt, dan spreekt hij uit dat de dingen uit, door en tot God zijn. Met de methode van Des­cartes komt een christen misschien nog tot de uitspraak dat de dingen uit God zijn, door de Here aan het be­gin van elke voorafgaande reeks te plaatsen, terwijl dat strikt genomen niet langer noodzakelijk is. Het door en tot God zijn van alle dingen, kon een mens met deze methode helemaal vergeten. Ken­nis volgens deze methode moest wel godloos, zonder God, worden.
Het is bekend dat Descartes zich met zijn gewetensnood wendde tot zijn biechtvader Pierre de Bérulle in Parijs, die hem echter sterk bevestigde in zijn methode. Aan deze Pierre de Bérulle was echter wei­nig geloofsleven meer te bekennen, zo stellen som­mige historici vast. Daarmee kon de godloosheid van kennisvorming volgens deze methode extra snel een wezenskenmerk van de modernistische tijd wor­den.

Dat is vervolgens – we stappen met zevenmijlslaarzen door de westerse geschiede­nis – heel goed merkbaar in de Franse revolutie.
Die staat uitdrukkelijk in het teken van de leus: geen God, geen meester! En ook: vrijheid, gelijkheid en broederschap.
In deze revolutie gebeurt veel om het christelijke geloof te verdrijven uit het leven van alledag. Op­merkelijk is dat de geestelijke uitdrukkelijk uit het centrum van de cultuur wordt verdreven, vooral ten gun­ste van de medicus. Het is in culturele zin een twijfelachtige eer om medicus te zijn. In het moder­nisme wordt houvast in leven en sterven bij hem of haar gezocht; of eigenlijk alleen in leven, want de geneeskunde zou ongetwijfeld kunnen gaan zorgen voor onsterfelijkheid.
Dat is toch weer wat anders dan als een medicus predikant of bisschop wordt, zoals ds. De Marie in Zwolle of bisschop Eijk in Groningen.

Modernisme draait dus om een werkelijkheidsbeleving waarin iets er pas werkelijk is, als het weten­schappelijk bewezen is, dat het er is. Daarin is de Here totaal uitgeschakeld, of wordt Hij hoogstens aangemerkt als het eerste onderdeel van de reeks die aan een ding voorafgaat.

Tegen dit modernisme keert zich het postmodernisme, en wel door dit modernisme te beoordelen op zijn beloften. Het gaat dan om de volgende vragen: Is er wel rust gekomen rond kennisvorming? Waarom zijn er dan nog veel scholen en richtingen in veel wetenschappe­lijke vakgebieden? Hoe komt het dat we aankijken tegen bergen giftig chemisch afval door wetenschappelijk onderbouwde technie­ken die ons toch hou­vast in leven en sterven zouden bieden? Hoe is het in de vrede mogelijk, dat in de 20ste eeuw meer doden als ooit tevoren zijn gevallen, en dat in naam van wetenschappelijk on­der­bouwde visies over goed sa­menleven? Hitler doodde wat af. Stalin keek niet op een miljoen doden meer of min­der. Onlangs toonde een krantenfoto de herbegrafenis van sommigen van de 7 tot 10 mil­joen doden in de Oekraïne die vielen toen Stalin de oogst liet weghalen om hen te dwingen tot collec­tivisatie als wetenschappelijk bewezen voor­waarde voor goed samenleven. Mao was goed voor 70 miljoen doden in naam der wetenschap. En wat te denken van Pol Pot en zijn ‘killing fields’ met 2 mil­joen doden in het betrekkelijk kleine land Cambodja. Als het modernisme al ergens goed voor is, waarom zijn er dan in zijn naam naar schatting 110 tot 150 miljoen mensen gedood? Het is nergens goed voor.

Hoewel een vergelijking van ellende met ellende ook bedenkelijke kanten heeft, is het wel opmerkelijk hoezeer men van­daag aan de dag doet voorkomen dat godsdienst agressief maakt, alsof een belijde­nisgeschenk niet een boek maar een mitrailleur zou zijn. Ook in naam van godsdiensten zijn oorlogen gevoerd, maar bloed zit zowel in absolute als in relatieve zin heel erg veel meer aan modernistische handen.

Hiertegen kant zich het postmodernisme, wat postmodernisme in eerste instantie heel ernstig maakt. Het is bittere ernst dat het postmodernisme maakt met het mo­dernisme, zo rond 1979, en ook al wel daarvoor, en des te krachtiger erna.


4. De draai van het postmodernisme

De draai die het postmodernisme vervolgens maakt, is het trekken van de uiterste consequentie uit het modernisme: als het niet zo heeft kunnen zijn, dat iets er werke­lijk is, als het wetenschappelijk bewezen is, dat het er is, dan is het er werkelijk niet. Zo zet het postmodernisme een heel erg dikke streep door de werkelijkheid. De din­gen bestaan helemaal niet. Weergave ervan bijvoorbeeld in een wetenschappelijk bewijs heeft geen enkele zin. Voor je het weet, heb je de dingen zo in handen, dat ze jouw overleving hinderen of dwarsbomen, en leiden tot de dood van jou en vele an­deren.

De draai die het postmodernisme maakt is daarmee echter niet af. Wat rest om te overleven zijn tekens en taal, en ook de informatietechnologie – TV, Internet, multime­dia en computers – die helpt om ook de laatste scherpe kantjes van tekens en taal en hun effecten af te slijpen. 

In het postmodernisme ontstaat vervolgens een ongekende aandacht voor eigen­schappen van tekens, van taal, van verhalen. Wat maakt een teken tot een teken? Wat maakt een symbool tot een symbool? Wat maakt een icoon tot een icoon? Wat maakt een verhaal tot een verhaal?

Laat ik dit type aandacht voor taligheid eens proberen te verduidelijking.

Stel je bent uitgever van boeken, en je wilt dat een boek in een heel nieuw lettertype gedrukt wordt. Dan raadpleeg je iemand die weet wat een letter tot een letter maakt. Deze persoon moet iets kunnen met papier en inkt, en die zo in verhouding tot elkaar brengen dat een tekst ontstaat, die zich ook laat lezen met jouw nieuwe lettertype.

Ander voorbeeld: een fabrikant van pijnstillers wil een nieuwe pil wereldwijd uitzetten. Hij vraagt iemand de eigenschappen van zijn nieuwe pil zo treffend mogelijk uit te beelden. De tekenaar komt met drie plaatjes. Het eerste plaatje toont een rondje en daarop en daaromheen wat stipjes en streepjes. Je ziet het al: een hoofd met veel pijn. Het tweede plaatje toont een hoofd waarin een pil gaat. Het derde plaatje toont opnieuw een rondje met streepjes en stipjes. Je ziet het al: een vrolijk hoofd, zonder hoofdpijn. Dit – overigens waar gebeurde – voorbeeld leidde tot een ongekend grote, wereldwijde verkoop van de nieuwe pil, echter met uitzondering van Arabische landen en Israël. Waarom?
Daar lezen ze van rechts naar links.

Postmodernisten zijn verzot op zogenaamde ‘narratieve strategieën’. Dan gaat het over wat een ver­haal tot een verhaal maakt. Het woord ‘narratio’ betekent verhaal. Er kwam eens een postmodernist naar mij toe die in de DOM van Utrecht naar een preek had geluisterd. De preek had hem iets gedaan, om­dat hij geen vat krijgen kon op de narratieve strategie. Mijn suggestie was: Zou het ellende, verlos­sing en dank­baarheid kunnen zijn? Ik geloof dat ik een postmodernist nog nooit zo heb zien glun­deren, want ‘ja’ dat was de narratieve strategie.

Nog een voorbeeld. Een postmodernistische managementcursus voor leidinggeven­den in de zorg begon met een hele middag en een hele avond waarop de deelne­mers met elkaar moesten kennisma­ken. Dat ging als volgt. De deelnemers gingen twee aan twee uit elkaar. Die twee vertelden elkaar wie ze waren en wat ze deden. Vervolgens kwam de groep weer bij elkaar, en er volgden meer dan twin­tig verhalen van elke cursist afzonderlijk maar uit de mond van de andere cursist. Deze opzet was duidelijk bedoeld als introductie in het postmodernisme voor het besef dat je een verhaal bent, dat zich op heel veel verschillende manieren laat vertellen. Je woont als het ware in de tekens en de taal van jouw eigen verhaal, waarmee je het verschil maken moet met verhalen van anderen, terwijl jouw verhaal op vele manieren tegelijk gaat, alleen al doordat je het verhaal zelf op veel manieren kunt uitbeelden in taal, tekens of klanken of via ordeningen die ertoe doen. Daarmee ontstaat bijna als van­zelf de wat lacherige, om niet te zeggen – leuke – sfeer die rond postmodernisme hangt. Je denkt dat je iets over jezelf weergeeft, maar het kan altijd weer anders.

In het verlengde hiervan ligt ook de wijze waarop postmodernisten modernisten be­strijden. Postmo­dernisten pakken hen eigenlijk bijna altijd op het punt dat alles altijd anders kan. Ironie is daarbij een geliefd wapen. Dat kan worden omschreven als ge­veinsde onwetendheid. Je spreekt precies het te­genovergestelde uit van wat je be­doelt. Het is een stijlfiguur die vrolijk spottend overkomt, en waar­mee je in bijna pre­cies dezelfde bewoordingen een strak verhaal van iemand dat je niet bevalt, onder­uit kunt halen. Dat lukt dan ook bijna altijd, en de lachers heb je bij voorbaat op je hand.

Postmodernisme is zo leuk.

Een ander wapen van de postmodernist is de deconstructie. Dat betekent afbraak. Net zo goed als je jouw werkelijkheid construeert in tekens en taal, kan je een wille­keurige tekst deconstrueren, d.w.z. van heel erg veel betekenissen voorzien en wel zo dat een eventuele oorspronkelijke bedoeling totaal afgebroken wordt. Je probeert ermee aan te tonen dat een tekst altijd weer anders kan worden uitge­legd.

In het postmodernisme gaat het dus om de werking van tekens en taal om daarmee jouw eigen wer­kelijkheid op te bouwen zodra, zolang en zoals jij je voor jouw verhaal van die tekens en taal bedient, in het volle besef dat jouw verhaal door anderen en ook door jou zelf op talloze andere manieren kan worden uitgebeeld. Daarmee ver­valt ook de waarde die de ene uitleg van een tekst boven de andere uitleg zou heb­ben. Elke uitleg is evenveel waard als een willekeurige andere. Alles is even belang­rijk. Een modeshow behoort niet onder te doen voor een huwelijk van een kroon­prins. Kunst en kitsch, ze staan op gelijke hoogte. Een Rembrandt of een kleuterte­kening doen voor elkaar niet onder.





5. Verschillen tussen modernisme en postmodernisme

Waar het de modernist gaat om overleven buiten God om op denkkracht, op analyse en redeneringen, op argumentatie, op wetenschap en technologie, op professoren, doktoren, en meesters in de rechten, gaat het de postmodernist om leven buiten God om op uitbeeldings- of verbeeldingskracht, om met het verhaal dat hij of zij is, of te­kens of zinnen daaruit, anderen tot in hun verhaal te raken. Netwer­kend maakt hij deel uit van een groep, zolang het duurt, maar altijd hyperindividueel, hoewel het woord individu niet van toepassing kan zijn omdat taligheid ook binnen het ‘individu’ nu eenmaal diversiteit ver­eist. Jouw werkelijkheid waarmee jij vandaag samenvalt, kan straks weer een andere zijn. Een postmodernist heeft er niets mee een unieke persoon te zijn. Wij-gerichtheid is al helemaal niet aan de orde. Ik-gerichtheid is dat strikt genomen ook niet eens. Een postmo­dernist redeneert niet. Hij of zij verleidt. Hij of zij raakt of wordt geraakt. Hij roept wat. Hij of zij geeft signalen af. Hij of zij zoekt naar wat het ver­schil maakt van het eigen verhaal met dat van een ander. Hij of zij shockeert. Hij of zij trekt alles uit de kast voor het maximale rendement van talige effecten, zodra, zolang en zo­als die aan de orde zijn. Toevalligheid kenmerkt postmodernisme. Hij of zij zet iets een beetje neer, waaruit een ander het zijne of hare kan assembleren. Postmo­dernisme moet het hebben van theater of literatuur of regie van een film, en effecten daarvan. Het zoekt platforms en podia.

Postmodernisme is bij uitstek kenbaar aan zijn aanstellerige theatrale pose. Het is uitermate geïnteres­seerd in werkzaamheid van schijn. Postmodernisten gaan helemaal uit hun dak als een film of een boek met werkzaamheid van de schijn aan de haal gaat. Daarvoor leent zich meer en meer computertechnolo­gie. Als een com­puteranimatie niet van echt kan worden onderscheiden waarom zou wat echt is ei­genlijk geen computeranimatie zijn, laat staan dat het zinnig was om iets voor echt te houden.
Tijdens een voorlichtingsdag van de universiteit van Leiden draaide bij de stand voor de studie wijs­begeerte de film de Matrix waarin versterking van de werkzaamheid van de schijn tot in het hyper­kwadraat is doorgevoerd.

Als voorbeeld van een postmodernist noem ik Paul Frissen, hoogleraar in de be­stuurskunde aan de universiteit van Tilburg. Hem gaat het om het scheppen van voorwaarden voor de toepassing van Internet op alle levensdomeinen, en die toepas­sing zelf. Prof. Frissen brengt een eigen verhaal om door deze versterking en uitvergroting van tekens en taal door middel van Internet te komen tot postmoder­nisme.

Dat raakt dus aan de kans die het postmodernisme zichzelf toedicht door aan te ha­ken bij de vlucht van informatietechnologie, van TV, media en Internet die bij uitstek de werking van tekens en taal versterken en alle eigenschappen daarvan heel erg krachtig uitvergroot, en daaraan heel nieuwe ei­genschappen toevoegt, zodat taal al helemaal niet meer gebruikt zou kunnen worden kan als middel om de werkelijkheid weer te geven.

De centrale boodschap van Frissen is dat Internet is ontwikkeld voor het leger om te kunnen door­vechten als het centrale commando uitvalt of zelfs definitief zou zijn uitgeschakeld. Internet zou le­geronderdelen de mogelijkheid bieden om met elkaar in contact te blijven staan. Internet maakt het mogelijk oorlogen te winnen zonder cen­traal commando. Sterker, de zin van een centraal commando vervalt. Frissen schreef het boek ‘De lege staat’ waarin hij betoogt dat alles van enig belang in Neder­land er niet is dankzij, maar ondanks de staat.
Geef de burger Internet, en laat mensen over hun ei­gen ei­genschappen nadenken in termen van Inter­nettechnologie, en het einde van het liedje is dat iedereen kan voortleven en overleven zonder enig centraal commando, uit de kracht van de eigen verbeelding die Internet oneindig sterker maakt. Be­stuur is zinloos, of hoogstens in het platte vlak, direct naast wat nog be­stuurd zou moeten worden.

In een pauze op een collegedag met professor Frissen sprak ik hem overigens aan en zei dat hij impo­neerde als cabaretier in toga. Dat bevestigde hij. Hij zei meer dan tien keer te verdienen aan zijn post­modernistische bestuurskundige adviezen aan de overheid en aan instellingen dan aan zijn hoogle­raarschap, dat ook al geen geringe verdienste oplevert. Hij gebruikte zijn toga als krachtig teken, ter onderstreping van zijn verhaal. Een overheid haalt toch liever haar adviezen bij hoogleraren dan bij ca­baretiers. Zolang het duurt, zou een postmodernist daaraan toevoegen.

Nog een voorbeeld van een postmodernist. Het lijdt geen twijfel dat Nico ter Linden, evenals Paul Frissen drager van een toga, een postmodernist is. Hij is bekend als predikant die de Bijbel herschrijft en navertelt. Bekend is zijn: Het verhaal gaat. Dat gaat echter niet als weergave van wat voor werke­lijkheid dan ook zijn – en dat lijkt het taaleffect van juist Bijbelverhalen nog extra te versterken ook.
Ik moet in dit ver­band denken aan de cabaretier Toon Hermans die op het hilarische hoogtepunt van een act, ineens kon zeggen: ik ben het niet zelf hoor, waarna de zaal zo mogelijk nog platter ging dan er­voor.
Ter Linden kan ook op het moment dat een verhaal op zijn hoogtepunt komt, zeggen: Natuurlijk heeft Mozes niet echt geleefd, waarmee hij eens te meer de verbeeldingskracht van zijn luisteraars ver­sterkt. Taal en verbeelding werken krachtiger als ze nergens over gaan.


6. De orthodox gereformeerde werkelijkheidsopvatting

Het is de hoogste tijd om over te stappen op het onderwerp christelijke of orthodox gereformeerde werkelijkheidsopvatting waarover het al luid en duidelijk ging in de Bijbellezing aan het begin van deze avond (Kolossenzen 2 vs 4 tot 3 vs 4).

In het modernisme gaat het om een werkelijkheidsopvatting waarin God of Zijn be­staan volledig bui­tengesloten is. In het postmodernisme moet deze werkelijkheidsop­vatting het ontgelden, ten gunste van constructie van een eigen werkelijkheid van werking van tekens en taal, maar wel zo dat er van de werkelijkheid niet meer sprake kan zijn, en ook zo dat God geacht wordt geen stap dichterbij te ko­men, hoezeer de Bijbel als boek om verhaalkracht gewaardeerd wordt en daarop zelfs akelig nauw­keurig uitgeplozen wordt.

De christelijke of orthodox gereformeerde werkelijkheidsopvatting begint bij aan­vaarding van wat de Here zelf over de werkelijkheid openbaart, en dat is: de werke­lijkheid is van Christus. In en door Jezus Christus is de werkelijkheid geschapen. Alle wijsheid en kennis is in Christus. De werkelijkheid van Christus is geschapen werke­lijkheid, waarvan ook wij, mensen, als schepselen deel uitmaken.
Het is daarom dat Paulus en Timotheus in hun brief aan de Kolossenzen de oproep doen om de din­gen te zoeken, en wel de dingen die boven zijn waar Christus is, ge­zeten aan de rechterhand Gods. Ze roepen op om de dingen te gedenken. Die zijn van Christus, en dus boven en niet op aarde. Tot die werkelijkheid behoren christenen ook zelf. Ook hun leven is in Christus, in Zijn doop, in Zijn dood, in Zijn opstanding, en straks ook in Zijn verschijning in heerlijkheid.

Gods Woord zelf openbaart ons zo wel op een heel bijzondere wijze – en wel heel uitdrukkelijk tegen modernisme en postmodernisme in – hoe christenen de werkelijkheid behoren op te vatten, en roept hen dus op die niet te ontkennen of te beperken tot een kracht van één van de elementen van de kos­mos (Kolossenzen 2 vs 8), of wel zo dat de hele schepping zou worden herleid tot slechts een bouw­steen er­van.

Gods Woord roept ons, in de herhaling van de oudtestamentische samenvatting van de wet door Je­zus Christus zelf, op om God lief te hebben met heel de ziel, met heel het verstand, met alle krachten, en ook de naaste lief te hebben als zichzelf.

In eigen denkkracht of verbeeldingskracht leven of overleven buiten God om, leidt tot afgodendienst die raak getypeerd wordt in Psalm 115, en vrij vertaald luiden zou: Wie van hun denken of van hun verbeelding een afgod maken, zullen zelf als die afgoden worden, en door de Here zelf aan de gevol­gen van hun afgodendienst worden over­geleverd. Modernisten vertechniseren Gods schepping kapot. Postmodernisten ver­tekenen Gods schepping tot schijnvertoning.

Ook is wel duidelijk dat christenen niet geacht worden om hun krachten ten koste van elkaar uit te schakelen of deze voor elkaar in te wisselen. In Spreuken 16 vs 21 wor­den verstand en taal naast el­kaar en in een adem genoemd: De wijze van hart wordt verstandig genoemd, en zoetheid van lippen versterkt het betoog. Of een vers ver­der: het verstand is voor zijn bezitters een bron van leven.

Christenen zijn dus geroepen om in de omgang met de dingen het oog gericht te houden op Christus, want alle dingen zijn van Hem.

Dat betekent dus helemaal niet dat christenen zouden moeten ophouden met denken of met weten­schap of zouden moeten ophouden met uitbeelden in taal en met uitdiepen en hantering van eigen­schappen van taal. Christenen vatten die krachten echter op als wat hun door Christus zelf toegewor­pen wordt zodra zij het Koninkrijk van God ge­zocht en gevonden hebben (vgl. Kolossenzen 1 vs 13).

Dat door Christus zelf toegeworpen worden van alle dingen, betekent ook al niet – zoals in het post­modernisme – dat je de dingen uitsluitend zelf construeert.

Misschien mag ik deze toewerping van de dingen nog vergelijken met schaatsen.

Zelf kon ik niet schaatsen, totdat ik merkte hoe belangrijk het is om bij het schaatsen van jezelf af te kijken naar een punt of – zoals in de kunstijsbaan van Heerenveen – naar een band rond de ijsbaan, buiten jezelf. Deed je dat niet, en lette je op jouw schaat­sen of naar de plek waarop je schaatste dan viel je binnen de kortste keren ver­krampt om. Ik herinner me nog goed, dat ik me afvroeg hoe schaat­sers zo hun rond­jes draaiden. Zij keken van zichzelf af, naar een punt buiten zichzelf. Ze schaatsten om zo te zeggen zonder ermee bezig te zijn. Ze schaatsten buiten zichzelf, om het nog geheimzinnig te zeggen ook. Dat wat buiten hen lag trok hen als het ware in het goede schaatsgelid met alles erop en eraan. Zoiets staat ook in Kolossenzen 2 vs 19, waarin samenhang tussen de dingen en tussen de krachten van een mens en tussen mensen onderling komt vanuit het Hoofd, dat is Christus.

Wat betekent deze christelijke, deze orthodox gereformeerde werkelijkheidsopvatting voor ons on­derwerp Schriftgezag en postmodernisme, over postmodernisering en verwarring in de gerefor­meerde kerken vrijgemaakt?


7. Postmodernisme en verwarring in de gereformeerde kerken vrijgemaakt.

7.1 Schriftgezag

Ten aanzien van het speciale thema Schriftgezag zie ik drie serieuze problemen.

Alles wat ik daarover gelezen heb, betreft taalkundige vingeroefeningen over de vraag wat een Bijbels verhaal tot een verhaal zou hebben gemaakt. Pro­blematisch vind ik ronduit dat in deze talige exercities – althans door mijzelf – nergens iets wordt teruggevonden van geeste­lijke strijd die in een postmoder­nistisch tijdsgewricht uitdrukkelijker dan ooit woedt, juist op het domein van te­kens en taal. ‘Vrijgemaakten’ konden orthodox gereformeerd zijn vanwege de wijze waarop zij een Bijbelse cultuuropdracht uitoefenen, maar vooral ook zoals ze dat Bij­bels antithetisch deden, in het volle besef dat er afgodendienst be­dreven worden kan met alle domeinen die van Christus zijn. Een niet-christen beschikt immers over geen andere domei­nen.

Het tweede probleem betreft het feit dat de verhaaltechnische probeersels met Bijbelverhalen he­lemaal niet nieuw zijn. In dit verband verwijs ik naar het es­say van C.S. Lewis ‘ Fernseed and Elephants’ waarin hij de hele thematiek van reconstructie van Bijbelverhalen van theolo­gen uiterst kritisch bespreekt, en eindigt met de rake typering: They claim to see fern-seed and can’t see an elephant ten yards away in broad daylight. Ofwel: ze claimen de piepkleine zaadjes van een varenplant te zien en kunnen niet een olifant zien op een paar meter afstand in vol daglicht. Onlangs nog besprak dr. H. Klink de theoloog Rudolf Bultmann die met weten­schappelijke precisie wist te vertellen wat aan Bijbelse verhalen wel en niet mythe was. Die Bultmann – Lewis bespreekt hem ook – kwam daarbij op nogal wat punten in tegen­spraak met zichzelf, maar het meest bijzondere was dat andere theologen na hem haarfijn aan­toon­den dat wat hij als mythe aanwees helemaal geen mythe zijn kon. Intus­sen gingen wel domi­nees de preekstoel op met preken waarin zij die mythe gingen aantonen, met als gevolg, zo meldt dr. Klink wrang, dat ze juist daar­mee kerken leeg preekten. Zijn conclusie luidt dat the­ologen voorzichtig beho­ren te zijn met hun theorieën over totstandkoming van Bijbelver­halen. Voor je het weet ben je de enige die er nog in gelooft, en staan jij en de door jouw op­geleide predikanten tegen lege kerkbanken te preken. Je komt als orthodox gerefor­meerde nog steeds goed uit op wat ds. J.M. Goedhart ergens voorstelt: Lees wat er staat. Laat staan wat je leest. En, leg uit wat er staat.

Mijn derde en laatste punt van kritiek is fundamenteel waar alle mij bekende vrij­gemaakte taal­kundige experimenten met de Bijbel gebruik maken van het Grieks filosofische schema vorm en inhoud. Dit schema is tamelijk alledaags, maar staat juist in het licht van de gerefor­meerde werkelijkheidsopvatting onder zware kritiek. Groot probleem is namelijk dat kader­theorieën of vertelconven­ties of vergelijkbare – aan dit schema ontleende – theoreti­sche con­cepten er­van uitgaan dat het mogelijk is om ook aan verhalen een vorm en een in­houd toe te kennen, en wel zo dat een inhoud van een verhaal als vanzelf zou kun­nen ont­staan zodra de vorm daarvan zou kunnen worden vastgesteld. Ka­der of vertelconven­tie wordt dan een ei­genstandige kracht die een verhaal als vanzelf in werking stelt, alsof dat mo­gelijk zou zijn buiten God om. Het ontstaan van het Bijbelverhaal zou dan dus kunnen berus­ten op een kracht die zijn werk ook doet als God er niet aan te pas komt. In het christe­lijke denken staan echter ook taal en alle wetmatigheden van taal onder de directe heerschap­pij van Christus. Schema’s die van deze heerschappij afleiden of deze doorbre­ken, behoren op gereformeerd standpunt actief te worden vermeden en be­streden. Ook theologen kunnen niet zonder een gedegen christelijke wijsge­rige scholing.
7.2 Vrijgemaakten en geloof in de onmogelijkheid van werkelijkheidsweer­gave

Mogelijk de grootste postmodernistisch invloed op het leven in de Gereformeerde Kerken vrijge­maakt betreft naar mijn oordeel het postmodernistische geloof dat de werkelijkheid niet kan worden weerge­geven. Het is ook in de GKv heel veel moeilijker geworden om feiten en overwegingen in het on­der­linge kerkelijke gesprek in te bren­gen. Feiten en overwegingen betreffen immers gerichte taaluitin­gen om weer te ge­ven wat werkelijk gebeurd is, of wat werkelijk aan de hand is.

Als ik de verwarring bij veel leden in de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt peil, dan zie ik dat een groot deel van hen stuit op het wonderlijke of ook verbijsterende gege­ven niet eens aangehoord – laat staan weerlegd – te worden als ze feiten aandragen in welk kerkelijk gesprek over welk kerkelijk on­derwerp dan ook. Het is alsof ze tegen een muur praten of in een mist grijpen.

Laat ik enkele voorbeelden noemen.

Het valt op dat een Generale Synode bij de behandeling van feitelijke bezwaren te­gen nieuwe liederen in het gereformeerde kerkboek een overzicht toont van de her­komst van bezwaren en omvang van bezwaarden. Een dergelijke aanpak strookt exact met het postmodernistische idee dat iemand of eventueel een groep mensen een eigen werkelijkheid creëert. Heb je die qua omvang en herkomst in de peiling, dan rechtvaardigt dat of en zo ja hoe en in welke mate je bezwaren behandelt. In het geval van bezwaren tegen liederen was het zelfs curieus dat een Synode een unieke brief verzond naar de gemeente van Rijnsburg, en niet aan andere bezwaarden.

Rondom de gezangenkwestie was tot in een ND-interview met betreffend kerkelijk deputaatschap te beluisteren dat elke liedtekst (ook) op een gereformeerde manier gezongen kon worden. Dat hing kennelijk af van de hoogstpersoonlijke vaardigheid om de tekst al zingend zo te deconstrueren dat ervan een orthodox gereformeerde interpretatie ontstond. Als dat kan met ondeugdelijke gezangen, dan zou dat ook moeten kunnen met het liedje: Ajax wint de wereldcup.

7.3 Procesdenken

Tweede voorbeeld betreft procesdenken. U moet eens opletten hoe vaak binnen de GKv de term ‘pro­ces’ wordt gebruikt. Iets is in proces gebracht. Of, wij zitten nu een­maal in een proces, en dat kan dus niet meer gestopt worden. In de krantenversla­gen van de laatste GS kon de uitdrukking proces ette­lijke malen worden geteld.
Procesdenken is echter niet veel meer dan voor een besluit een vorm van groepsverwer­king verzinnen zodat de groep zijn eigen werkelijkheid rond het (dus al genomen) besluit zelf kan gaan construeren. Procesdenken is een managementinstrument, dat mogelijk met kerkenraadsleden die ook manager zijn, gemakkelijker ook in kerken de ronde doet.

Omstreeks 1997 nam de Vereniging van Gereformeerde Studenten te Leiden ‘Franciscus Gomarus’ het besluit om het lidmaatschap ook open te stellen voor niet-vrijgemaakte studen­ten. Daarvoor konden niet-vrijgemaakte studen­ten gastlid worden. Als reünistlid schreef ik een kort briefje met de vraag om de feiten en overwegingen die tot dit besluit geleid hadden.
De reactie bestond uit twee delen. Het eerste deel was dat het bestuur het betreurde dat ik niet met het besluit instemde. Dit was een wel heel bijzondere reactie want ik had alleen om de feiten en de overwegingen gevraagd.
Het tweede deel was de besluitentekst maar daarin stonden helemaal geen feiten en overwe­gingen. Die tekst bestond uit een plan van aanpak om tot het besluit te komen. Het besluit lag eigenlijk al vast, en het kwam er met dat plan van aanpak op aan, dat de vereniging dit besluit ook daadwerkelijk nemen zou. Dat was – zo las ik – met een goed gevoel en veel gebed ge­daan.

Vorig jaar vroeg ik aan het bestuur hoeveel niet-vrijgemaakte studenten in de toen bijna afge­lopen negen jaren tot zijn vereniging waren toegetreden. Wat denkt u? Het waren er drie, van wie een student uit een Zuid-Afrikaans kerk­genootschap dat bijna een zusterkerkrelatie met de GKv had.

Ongeveer hetzelfde deed zich voor bij de openstelling voor niet vrijgemaakte leden in het GSEV, waarvan ik al jaren niets meer hoor. Het schijnt een an­dere naam te hebben.

Het kenmerkende van procesdenken is dat iemand ongezellig wordt gevonden als hij of zij met feiten of overwegingen aankomt of daarom zou vragen. Een proces behoort knus te zijn, en feiten en over­wegingen storen. Een simpele verwijzing naar Schrift en belijdenis kan al ongelegen komen, hoezeer ook die de werkelijkheid beschrijven. Je wordt binnen de kortste keren aangemerkt als een koekoeks­jong dat het geweldig fijne en gezellige nest toch eigenlijk zelf zou moeten verlaten. Van­uit de groep wil men wel nog wel eens een gesprek – of liever procesmatig: een serie ge­sprekken – met jou organise­ren om over jouw vraag naar of aandragen van feiten en overwegingen langer door te praten. Door­praten of doorspreken zijn typische termen in procesdenken.

Procesdenken staat overigens in de zorg en in het onderwijs onder zware kritiek die vaak nog filoso­fisch van aard is ook, omdat daarin opnieuw het Grieks filosofische schema van vorm en inhoud doorklinkt. Het is een type denken dat ontslaat van het dragen van enige verantwoordelijkheid voor de uitkomst van het proces, die immers van te voren al vastlag. De enige verantwoording is, dat het proces zelf een goed gevoel heeft gegeven. Leven uit de kracht van het Proces als kennelijk auto­noom, buiten God om verkrijgbaar scheppingsaspect, is echter voor het christelijke leven de dood in de pot.

Ik houd het erop dat in dit rijtje van postmodernistische GKv-eigenaardigheden rond het geloof van de onmogelijkheid van werkelijkheidsweergave ook het kerkelijke be­sluit past om de Nieuwe Bijbel­vertaling direct vrij te geven voor kerkelijk gebruik in de erediensten. Prof. Velema noemde deze ge­beurtenis in een recent interview in Ter­dege onbegrijpelijk, en dat is het ook. De Bijbel is een en al getuigenis, en behoort dus ook in vertaling een toonbeeld te zijn voor weergave van de werkelijkheid die van Christus is.

Het is minstens zo postmodernistisch om zich niets aan te trekken van wat er allemaal al in de eigen ker­ken op schrift is weergegeven over het werk van de Heilige Geest, en daarover toch een eigen boekje te schrijven alsof de kerkgeschiedenis bij jou be­gint.
Ook de ‘vrijage’ tussen GKv en NGK vertoont de postmodernistische kenmer­ken van een waar pro­ces.

In de reeks van activiteiten binnen de GKv met een uitdrukkelijke postmodernistische kleur, behoort zeker ook het Neurolinguïstisch Programmeren en andere metho­diekjes die nergens over gaan, maar postmodernistisch draaien om werkzaamheid van schijn, zoals het voormalige GVI, thans SGO, die uitventte in cursus­sen in de kerken voor predikanten en ook aan de Theologische Universiteit van Kampen. 

Toen een dergelijk exotisch methodiekje moest gaan bijdragen aan de opbouw van de gemeente van Nijkerk, was dat voor prof. W. Nieboer aanleiding om zijn Internetbro­chure ‘Dankbaar Gereformeerd’ te schrijven. In een ND-column noemde prof. Douma de verschijning van deze brochure het hijsen van de stormbal.


7.4 De bijzondere positie van het oudere kerklid in kerkelijke tijden van postmodernistische ver­war­ring

Ik vermoed dat het oudere kerklid een bijzondere positie bekleedt in postmodernistisch getinte kerke­lijke dis­cussies, simpel weg omdat zij langer hebben geleefd en dus veel meer van de werkelijkheid kunnen weergeven dan jongeren, maar ook omdat zij mogelijk meer dan jongeren vertrouwd zijn met de woordelijke weergave van gebeurtenissen. Lees maar eens wat de oudste predikant van de GKv aan feitenrelaas weet te geven rond verontrusting en verwarring, als dat tenminste niet geweigerd wordt, ofschoon vervolgens toch gelezen worden kan op een website.

Kerkelijke inbreng van ouderen – boven de 50 ? – is bij uitstek nodig om een lichtzinnig en denklui, postmodernis­tisch kerkelijk klimaat te doorbreken.















8. Over kerkelijke veranderingen omwille van de postmoderne mens en zijn be­hoeften

Tot slot sta ik met u stil bij de notie die ook in de GKv rond zingt, dat er een noodzaak bestaat voor veranderingen in kerkelijk handelen vanwege de nieuwe tijd van de postmoderne mens en zijn be­hoeften. De kerkmens zou inmiddels ook een postmo­dern mens zijn geworden en veranderingen naar behoeften van de postmoderne mens zou de kerk tevens grote aantrekkingskracht uitoefenen op de wereld.

In reactie hierop zou ik het volgende willen stellen:

Op postmodernistisch standpunt zelf ligt het eerder voor de hand niet te veran­deren. Als het postmodernisme al vernieuwend is, dan hoogstens op het punt absoluut met jezelf te willen samenvallen, en daarbij wat jou kenmerkt, eerder aan te dikken dan prijs te geven. Het is niet voor niets dat het postmo­dernisme uitdrukkelijk zinspeelt op wat er was, en retro-stijlen aan­boort, waarin teruggegrepen wordt op stijlen uit het verleden. Postmoderne kunst is hoog­stens nieuw omdat het verschillende oude stijlkenmerken op een wat wonderlijke, vooral leuke wijze, aan elkaar verbindt. Kijk maar eens in de postmoderne wijk Kattenbroek in Amers­foort. Overigens roepen godsdienst­sociologen in koor: Blijf als kerk s.v.p. wie je bent, want veranderen van eigen kenmerken leidt binnen de kerkmuren tot het idee dat de eigen kenmerken kennelijk niet goed genoeg waren, terwijl buiten de kerkmuren herkenning ver­dwijnt. Einde van het liedje is dat verandering van kenmerken leidt tot leegloop. De brug voor de wereld wordt vooral door kerkleden zelf gebruikt. Dezelfde godsdienstsociologen stellen zich uiterst kritisch op tegen het plaatje dat de evangelische of charismatische beweging van zichzelf ophoudt. Groei is bij lange na niet zo groot als zij claimt, of komt van christenen uit de gevestigde kerkgenootschappen, voor wie deze beweging vooral een springplank naar de we­reld is. Evangelikaalslag is tussenstap naar secularisatie.
Postmodernistische theatraliteit komt overigens veel beter uit in een echt the­ater, hoezeer je ook zou proberen een kerkgebouw tot theater om te bouwen, door preekstoelen voor podia in te ruilen, en herkenbare kerkelijke handelin­gen om te smeden tot theatrale of cabareteske acts, waarin provocatie en smakeloze leut ten on­rechte worden aangemerkt als werk van de Hei­lige Geest tot vermeerdering van Christus’ Kerk.  Leuk is anders.
Het is überhaupt de vraag of het zinvol is om het uitgangspunt voor veranderingen in het kerkelijke handelen te nemen in de tijd, of in de nogal abstracte notie: de mens van deze tijd. Het is lang niet eenduidig wat een tijd tot een tijd maakt, of wie dat zou kunnen uitmaken. Aan het type kerkelijke handelen dat ontstaat, zou je de gedachte kunnen ontlenen dat de mens van deze tijd vooral de (M)TV-kijkende kleuter of puber is. Ten aanzien van verande­ringen in kerkelijk handelen m.n. in de liturgie is veeleer de mens – al of niet van deze tijd – in het middelpunt komen te staan, en niet of nauwelijks de Here Zelf.   

Het lijkt me voor het christelijk denken niet zinvol om postmodernisme te erken­nen of te waarde­ren of hoogstens op het bescheiden aspect van het uit­diepen van wetmatigheden van tekens en taal, maar juist dan ook met antithe­tische gereformeerde behoedzaamheid. Als de kerk zich richt op de postmo­derne mens met zijn behoeften, dan behoort zij dat te doen vanuit een christe­lijk mensbeeld, waarin ook de zogenaamde postmoderne mens beschouwd wordt als schepsel met veel onderscheiden gaven en talenten, die gewaar­schuwd behoort te worden om eigen verbeeldingskracht ter wille van taligheid te verafgoden. Meegaan in reductionisme heeft geen zin. Tege­lijk behoort de kerk waar zinvol aan te moedigen verbeeldingskracht aan te wenden voor de lof van de Here, waarvoor zij schepselmatig bedoeld is. Voor de gerefor­meerde christen gold in meer modernistische tijden: het evangelie in plaats van de revolutie. In postmodernistische tijden geldt niet veel anders: het evangelie in plaats van de vertekening. Postmodernisme is geen zinvolle vari­ant van gereformeerd anti­modernisme, maar vraagt om gereformeerd anti­postmodernisme.

Voorzover het al van belang is om de postmoderne mens met zijn behoeften centraal te zetten in het nadenken over veranderingen in het kerkelijke han­delen, zou het van grote christelijke wijsheid getuigen om in te zien dat een postmodern mens een extreem angstig mens is om­dat hij of zij gezien heeft welke dodelijk uitwerking leven op eigen denkkracht alleen – buiten God om – op dat leven zelf heeft. Hij of zij is waant zich met die extreme angst veilig in de ijle ei­gen­schappen van tekens en taal alleen, in de hoop dat het vangnet van multimedia, TV, In­ternet en computers krachtig genoeg zal zijn, om een leven buiten God voort te zetten. Het leuke van het postmodernisme is flin­terdun, letterlijk schone schijn, en ei­genlijk niet meer dan doodleuk weglachen van welbegrepen uitzinnige angst voor verderf dat onvermijdelijk op je toekomt in een nihilistisch leven dat God welbewust wil blijven afhouden. 


9. Tot slot: pareren van postmodernisme

Gereformeerd antipostmodernisme stelt de waarheid en de werkelijkheid van het evangelie van Jezus Christus in de plaats van de vertekening. Dat vraagt in de eerste plaats om herkenning en het bij de naam noemen van het afgodische karakter van postmodernisme. Zo moeilijk is dat niet. Afgoden­dienst is gemakkelijk te herken­nen.
Voor zover ie­mand zelf in postmodernisme gevan­gen zit, kan het raadzaam zijn zich te realiseren dat hij of zij he­lemaal niet met zichzelf samenvallen kan. Van prof. Manenschijn is er een intelligent en geestig boek waarin hij aantoont hoe weinig eigen keuzen richting geven aan het leven van een mens. Veeleer spe­len keuzen van vele anderen daarin de hoofdrol.
Krachtige bewoordingen over toevlucht nemen tot en leven in Christus staan in de Dordtse Leerregels (m.n. hoofdstuk V over de volharding van de heiligen).
Niet onbelangrijk is het antipostmodernistische geluid van de Franse filosoof Alain Badiou die het met veel vuur en onder zeer grote belangstelling opneemt voor de waarheid.
Soms helpt pareren niet meer. Dan rest afscheid.




Dr. J.W.G. Meissner
Email Dit e-mailadres is beschermd tegen spambots. U heeft Javascript nodig om het te kunnen zien.
Kampen, 30 november 2006.







Voor-/nastudie

“Schriftgezag en postmodernisme: Over postmodernisme en verwarring in de GKv.”





Bijbellezing:
Kolossenzen 1 vs 9 tot en met 3 vs 17

Boek:
Peursen, C.A. van (1994) Na het postmodernisme. Kok, Kampen.

Boek:
Manenschijn, G. (1999) De mythe van de autonomie. Kok, Kampen.

Boek:
Lewis, C.S. (1975) Fern-seed and Elephants. Collins Fount Papers. Bladzijden 104-125.

Boek:
Descartes R. (1977) Over de methode. Boom, Meppel. Vertaling van Discours de la méthode in 1637 uitgegeven van Jean Maire te Leiden.

Citaat:
“Het kan niet zo zijn, dat het christelijk antimodernisme dat in het reformatorisch denken besloten ligt, wordt ingeruild voor de ogenschijnlijke variant van het postmodernisme. Het christelijke antimodernisme zoals dat in het bijzonder in de gereformeerde traditie in cultuur is gebracht, bedoelt in plaats van het modernisme het evangelie te plaatsen (Groen van Prinsterer, 1847). Daarvoor is door het modernisme volop ruimte gelaten, doordat het zonder God en zonder meester en daarmee het liefst zonder christelijk pastoraat, de cultuur wenst vorm te geven. Ondanks zijn talige bindzaamheid laat het postmodernisme deze ruimte ook.  (....) Waar op christelijk wijsgerig standpunt het modernisme de logica verafgode, doet het postmodernisme dat met de linguïstiek of semiotiek. Met een verschuiving van logica naar linguïstiek of semiotiek alleen, verschuift antimodernisme niet naar postmodernisme, maar naar antipostmoder­nisme.”
(Meissner, J.W.G. (2003) Van hulp en heil. Kok, Kampen)

Citaat:
“…. postmodernisme, de meest overschatte denkrichting, of liever: denkluiheidsrichting, die van de linker Seine-oever hierheen is overgewaaid en de geesteswetenschappen heel veel schade heeft berokkend.” (P.W. van der Horst, in: De Mythe van Joodse kannibalisme. Afscheidsrede Universiteit Utrecht, 16 juni 2006.

Film(fragmenten)
“die grosse Stille”  (www.diegrossestille.de , regisseur Philip Gröning)

Laatst aangepast op maandag 27 juli 2015 19:04  

Nieuws

Boekaankondiging Gelukkig geen mythe - ds. Rob Visser

Boekaankondiging Gelukkig geen mythe - ds. Rob Visser

Als alles goed is zal half september het boek over Genesis 1-11 beschikbaar zijn. De titel is; Gelukkig geen mythe. In dit boek wordt Genesis 1-11 vers voor vers besproken. Deze hoofdstukken zijn... [More...]

Ds. E. Heres - Lucy of Adam

Een andere 'hermeneutische lens' De aanvallen op het scheppingsgeloof dat gebaseerd is op het geopenbaarde Woord van God worden steeds heftiger.  Het boek dat in deze maanden veel aandacht krijgt... [More...]

De ICRC schorst de GKv als lid

De ICRC schorst de GKv als lid

De ICRC (International Conference of Reformed Churches) te Jordan (Ontaria, Canada) heeft vandaag, 17 juli 2017, besloten om de GKv (Gereformeerde kerken vrijgemaakt) als lid te schorsen... [More...]

Di. Alko Driest, Jan Haveman, Pieter Schelling en Aryjan Hendriks...

UPDATE 20-07-2017 Emeritus ds. Alko Driest en ds. Jan Haveman mailden op 13 juli een brief naar alle kerkenraden in Noord-Nederland met de vraag om in ieder geval tot de eerstkomende Generale... [More...]

Referaat ds. H.G. Gunnink d.d. 12 juli 2017

Voorlichting, bijeenkomst Bedum (Maranathakerk, Grotestraat) De bijgevoegde presentatie is zakelijk van opzet. Daarom is het belangrijk om geen moment te vergeten, dat het gaat over voluit... [More...]

Boekbespreking 'HIJ en wij' - van ds. E. Hoogendoorn

In Weerklank - een gereformeerd maandblad uit de GKN - jaargang 5 nr. 3 schreef ds. E. Hoogendoorn onderstaande boekbespreking van 'HIJ en wij' met de ondertitel ‘Oriëntatie in de actuele situatie... [More...]

Onze ervaring tot hermeneutische sleutels geworden - boekbesprekingen...

Update 14/12: Dr. Hans Burger mailde mij dat in onderstaand artikel de weergave van zijn positie zoals hij die in Cruciaal verwoordt, onjuist is. Ik kom daar nog op terug. CGK Prof.dr. H.J.... [More...]

Enquete

Predikanten, ouderlingen en diakenen zijn in belijdende gereformeerde kerken gebonden aan
 

Nieuwsbrief

Naam:

E-mail:

Gereformeerd?

Grondlijnen in de liturgie (Ds.dr. R.D. Anderson)

Op zijn weblog anderson.modelcrafts.eu vonden we een artikel (laatste wijziging 12 september 2012) van ds. Andersen (FRCA) over de grondlijnen van de liturgie. Enkele citaten: Als inleiding wil ik... [More...]

De GKN zetten het gesprek voort met DGK over functioneren fundament...

De GKN hebben op de Generale Synode d.d. 18 maart 2017 besloten om het oriënterende gesprek met DGK voort te zetten. Nu samen met afgevaardigden van DGK op 17 februari jl. is vastgesteld dat alleen... [More...]

Blijdschap over positief gesprek DGK en GKN 17 februari

Positief gesprek geeft openingen!Op 17 februari 2017 hebben afgevaardigden van DGK (De Gereformeerde Kerken) en GKN (Gereformeerde Kerken Nederland) de tot nu toe gevoerde briefwisseling besproken en... [More...]

Betekenis van het besluit van de GKN over het spreken met de DGK -...

Ik wil graag reageren op wat broeder Trip over dit besluit heeft geschreven. Om zo onnodige obstakels en misverstanden die een eigen leven gaan leiden weg te nemen.   Ook om te laten zien dat de... [More...]

GKN willen uitgestoken hand DGK opnieuw onderzoeken

Een zeer teleurstellend bericht bereikte ons zaterdagavond via de nieuwsbrief van eeninwaarheid.info. De Synode van de GKN heeft besloten om de brief van de GKN aan DGK d.d. 12 maart 2016 toe te... [More...]

De zekerheid van het geloof vs Westminster studie deputaten BBK DGK

In 2014 hebben deputaten BBK (Betrekkingen Buitenlandse Kerken) opdracht gekregen van De Gereformeerde Kerken (DGK) i.c. van de Generale Synode Hasselt 2010-2011 om grondig studie te verrichten... [More...]

Presbyterianisme en de toegang tot het Heilig Avondmaal versus Westminster meerderheidsrapport BBK DGK

Presbyterianisme en de toegang tot het Heilig Avondmaal versus...

. Ds. Bredenhof - sinds maanden een pastor van de FRCA, Tasmania, Australia - is nog steeds bezig om zich in te werken in de Australische context. Onlangs las hij een autobiografie van J. Graham... [More...]

Ketter!

Ketter!

Dr. Wes Bredenhof, predikant van de Australische Gereformeerde Kerken (Launceston, Tasmania), is meer dan eens voor ketter uitgemaakt! Nee, niet door Rooms Katholieken of Moslims, maar... [More...]

De Westminster is een voluit gereformeerd belijdenisgeschrift - deel 2 (1944-1990)

De Westminster is een voluit gereformeerd belijdenisgeschrift - deel...

Versie -16/11: Toegevoegd: deputatenrapport 1967 beoordeling Westminster Confessie door ds. P. van Gurp en ds. C. Stam. PS: Ik heb wel alle Reformatie jaargangen, maar niet het blad Dienst 1957 nr.... [More...]

De Westminster is een voluit gereformeerd belijdenisgeschrift - deel 1 (1834-1944)

De Westminster is een voluit gereformeerd belijdenisgeschrift - deel...

Professor P. Biesterveld die al op 31 jarige leeftijd hoogleraar werd aan de Theologische School in Kampen (1894) en vanaf 1902 aan de Vrije Universiteit te Amsterdam heeft uitvoerig de... [More...]